Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA1034

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
15/801323-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen te Schiphol; invoer cocaïne te Schiphol; bekennende verdachte; opzet bewezen verklaard; geen reden af te wijken van de eis van de officier van justitie; strafoplegging in de vorm van een gevangenisstraf.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1500,6 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als straf in aanmerking. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat sprake was van enige mate van dwang, waarmee in het voordeel van verdachte rekening dient te worden gehouden. Zij zou geld geleend hebben van een vriend om naar de begrafenis van haar vader te gaan, waarna zij vervolgens door iemand anders werd gedwongen om het geleende geld door middel van drugssmokkel terug te betalen. Verdachte heeft haar verklaring echter op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien had verdachte, gelet op het feit dat zij in 2010 ook reeds voor invoer van cocaïne was veroordeeld, beter moeten weten. De rechtbank acht het verhaal van verdachte dan ook niet aannemelijk. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de recidive grond oplevert een hogere straf op te leggen dan doorgaans ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om van de eis van de officier van justitie af te wijken. De officier van justitie heeft bij zijn eis voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/801323-12

Uitspraakdatum: 22 januari 2013

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 januari 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, locatie Ter Peel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.J. Veldhuis en van wat verdachte en haar raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 29 oktober 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie merkt op dat, aangezien bij verdachte sprake is van recidive, uit de door de rechtbank gehanteerde oriëntatiepunten volgt dat eigenlijk een gevangenisstraf van vierentwintig (24) maanden zou kunnen worden opgelegd. De officier van justitie vordert evenwel, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, dat verdachte zal worden veroordeeld tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en waarschuwt verdachte dat bij herhaling minder clementie zal worden getoond.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

* de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 januari 2013 afgelegd;

* het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 29 oktober 2012 (dossierparagraaf 1.1.);

* het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 12 november 2012 (dossierparagraaf 1.1.5.);

* het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 23 november 2012, kenmerk A065.2.079022 en laboratoriumnummer 12089 X 12 (los opgenomen).

4.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 29 oktober 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het reclasseringsadvies dat op 3 december 2012 betreffende verdachte is opgemaakt, is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1500,6 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als straf in aanmerking.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat sprake was van enige mate van dwang, waarmee in het voordeel van verdachte rekening dient te worden gehouden. Zij zou geld geleend hebben van een vriend om naar de begrafenis van haar vader te gaan, waarna zij vervolgens door iemand anders werd gedwongen om het geleende geld door middel van drugssmokkel terug te betalen. Verdachte heeft haar verklaring echter op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien had verdachte, gelet op het feit dat zij in 2010 ook reeds voor invoer van cocaïne was veroordeeld, beter moeten weten. De rechtbank acht het verhaal van verdachte dan ook niet aannemelijk.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de recidive grond oplevert een hogere straf op te leggen dan doorgaans ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om van de eis van de officier van justitie af te wijken. De officier van justitie heeft bij zijn eis voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHTTIEN (18) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.M. Cichowski-van der Kleijn, voorzitter,

mr. M.J. Kronenberg en mr. J.A.M. Jansen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 januari 2013.