Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA0280

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
16-05-2013
Zaaknummer
574910/EJ VERZ 12-232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen.

Eisers vorderen compensatie wegens vertraging van hun vlucht op grond van EG-verordening 261/2004. Het beroep van de luchtvaartmaatschappij op niet-ontvankelijkheid van eisers omdat deze geen instapkaarten hebben overgelegd, wordt verworpen. Ook het verweer van de luchtvaartmaatschappij dat eisers geen recht hebben op compensatie omdat het om twee aansluitende vluchten gaat, waarvan de eerste vlucht minder dan 3 uur was vertraagd, wordt verworpen. Verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 26 februari 2013 in de zaak Air France / Folkerts (C 11/11).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnummer: 574910/EJ VERZ 12-232

datum uitspraak: 24 april 2013

BESCHIKKING

inzake

1. [eiser 1]

2. [eiser 2]

eisers

hierna te noemen: [eisers]

gemachtigde: mr. F. Havers (EUclaim B.V.)

tegen

Air France

te Roissy CDG Cedex, Frankrijk

verweerster

hierna te noemen: Air France

gemachtigde: Pierre Frühling (Holman Fenwick Willan LLP)

De procedure

[eisers] hebben het standaard vorderingsformulier A van bijlage I van Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna: de verordening), gezonden aan de kantonrechter.

Air France is in de gelegenheid gesteld middels het standaardformulier C van bijlage III van de verordening, verweer te voeren tegen de vordering. Air France heeft, na verkregen uitstel, op de vordering van [eisers] geantwoord.

De feiten

1. [eisers] hebben met Air France een vervoersovereenkomst gesloten. Op 2 januari 2011 zouden [eisers] met vlucht AF 2241 om 20:45 uur (lokale tijd) vanuit Amsterdam-Schiphol Airport, Nederland, vertrekken naar Charles de Gaulle Airport, Parijs, Frankrijk, waar zij op 2 januari 2011 om 22:00 uur (lokale tijd) zouden arriveren. Vandaar zouden [eisers] met vlucht AF 256 op 2 januari 2011 om 23:25 uur (lokale tijd) verder vliegen naar Changi Airport, Singapore, waar zij zouden arriveren op 3 januari 2011 om 18:45 uur (lokale tijd).

2. [eisers] zijn op 2 januari 2011 om 22:02 uur (lokale tijd) met vlucht AF 2241 vanuit Amsterdam-Schiphol Airport, Nederland, vertrokken naar Charles de Gaulle Airport, Parijs, Frankrijk, waar zij op 2 januari 2011 om 23:18 uur (lokale tijd) zijn gearriveerd. Vandaar zijn [eisers] op 3 januari 2011 om 23:31 uur (lokale tijd) met vlucht AF 256 verder gevlogen naar Changi Airport, Singapore, waar zij op 4 januari 2011 om 19:16 uur (lokale tijd) zijn gearriveerd.

3. Bij brief van 17 februari 2011 hebben [eisers] Air France verzocht om compensatie van € 1.200,00 in verband met de vertraagde aankomst in Buenos Aires.

4. Op 3 maart 2011 heeft de afdeling Customer Care van KLM Nederland het verzoek afgewezen.

De vordering

[eisers] vorderen dat Air France wordt veroordeeld tot betaling aan [eisers] van een bedrag ad € 1.200,00 vermeerderd met de wettelijke rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.

[eisers] leggen het navolgende aan hun vordering ten grondslag.

Air France heeft vlucht AF 2241 vertraagd uitgevoerd. Daardoor hebben [eisers] hun aansluiting in Parijs gemist en zijn zij omgeboekt naar een andere, latere, vlucht. Ten gevolge daarvan zijn [eisers] 24 uur en 31 minuten later op de plaats van bestemming, Changi Airport, Singapore, aangekomen dan oorspronkelijk gepland was. Op grond van EG-verordening 261/2004 hebben passagiers in geval van annulering recht op compensatie. In samenhang met het Sturgeon-arrest van 19 november 2009 bestaat eveneens recht op compensatie bij langdurige vertraging van een vlucht. De hoogte van de compensatie wordt bepaald door de vliegafstand, dat wil zeggen de afstand van de plaats van vertrek tot aan de eindbestemming. Artikel 7 lid 1 van de EG-verordening 261/2004 bepaalt dat voor het vaststellen van de vliegafstand dient te worden gekeken naar de laatste bestemming waar de passagier als gevolg van de instapweigering of annulering na de geplande tijd zal aankomen. In het geval van [eisers] was dit Changi Airport, Singapore. De afstand van de vlucht bedroeg 10.516 kilometer. [eisers] hebben daarom ingevolge artikel 7 lid 1 sub c van de EG-Verordening 261/2004 recht op een vergoeding van elk € 600,00. [eisers] vorderen tevens de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 januari 2011 alsmede de buitengerechtelijke kosten ad € 357,00 en het griffierecht ad € 207,00.

Het verweer

Air France betwist de vordering. Zij voert primair aan dat [eisers] niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering, omdat zij geen instapkaarten hebben overgelegd betreffende vlucht AF 2241 van Amsterdam naar Parijs op 2 januari 2011 en derhalve niet aantonen dat zij zich, zoals voorgeschreven in artikel 3 lid 2 van de Verordening 261/2004, op tijd bij de incheckbalie hebben gemeld. Dit brengt volgens Air France mee dat de Verordening niet van toepassing is op de vordering van [eisers].

Subsidiair voert Air France het volgende aan.

Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen rechtstreekse vluchten en aansluitende vluchten. In het eerste geval wordt de vlucht, na een eventuele stopover om operationele of economische redenen, voortgezet met hetzelfde toestel en onder hetzelfde vluchtnummer. In het geval van aansluitende vluchten is volgens Air France sprake van twee afzonderlijke vluchten. De passagiers vliegen immers met twee verschillende toestellen en de vluchten hebben verschillende vluchtnummers. Bij een overstap heeft iedere vlucht een eigen eindbestemming, zodat voor het bepalen van de duur van de vertraging gekeken moet worden naar de vertraging op deze verschillende eindbestemmingen. Als passagiers kiezen voor aansluitende vluchten met een overstap, komt het risico van een beperkte overstaptijd voor hun rekening.

Air France betwist dat zij [eisers] moet compenseren wegens langdurige vertraging. [eisers] hebben twee aansluitende vluchten geboekt, met elk een eigen eindbestemming. [eisers] zouden met vlucht AF 2241 vanuit Amsterdam naar Parijs vliegen, waar zij zouden overstappen op vlucht AF 256 van Parijs naar Changi Airport, Singapore. De eerste vlucht van [eisers] is op 2 januari 2011 met een vertraging van slechts 1 uur en 17 minuten uit Amsterdam vertrokken, waardoor [eisers] met een vertraging van 1 uur en 18 minuten in Parijs zijn gearriveerd. Bij een dergelijke geringe vertraging bestaat geen grond voor compensatie.

Door hun reis zo te plannen, dat tussen de aankomst van vlucht AF 2241 in Parijs en het vertrek van vlucht AF 256 vanuit Parijs naar Changi Airport, Singapore slechts 1 uur en 25 minuten beschikbaar was voor de overstap, hebben [eisers] het risico genomen dat zij ten gevolge van een kleine vertraging op de eerste vlucht hun aansluitende vlucht zouden missen. De omstandigheid dat [eisers] ten gevolge van de geringe vertraging van de vlucht naar Parijs de geplande vlucht naar Changi Airport, Singapore hebben gemist, waardoor zij met meer dan 3 uur vertraging in Singapore zijn aangekomen, brengt derhalve niet mee dat zij aanspraak kunnen maken op compensatie op grond van de Verordening in verband met die vertraging.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 3 lid 2 van de Verordening is de Verordening van toepassing op voorwaarde dat de passagiers “een bevestigde boeking voor de vlucht in kwestie hebben en zich […] bij de incheckbalie melden”. Tussen partijen staat vast dat [eisers] een bevestigde boeking hadden voor vlucht AF 2241 vanuit Amsterdam naar Parijs op 2 januari 2011. Vast staat voorts dat [eisers] met deze vlucht met een vertraging van 1 uur en 17 minuten vanuit Amsterdam naar Parijs zijn vertrokken. Dit rechtvaardigt de conclusie dat zij zich op tijd bij de incheckbalie hebben gemeld. Indien dit niet het geval zou zijn geweest, zouden zij immers niet in het bezit zijn geweest van een instapkaart voor de litigieuze vlucht, ten gevolge waarvan zij niet tot de vlucht zouden zijn toegelaten. De enkele omstandigheid dat [eisers] in de onderhavige procedure geen instapkaarten hebben overgelegd, maakt dit niet anders. Het primaire verweer wordt derhalve verworpen, zodat [eisers] kunnen worden ontvangen in hun vordering.

2. Het Hof van Justitie van de EU heeft bij arrest van 26 februari 2013 in de zaak Air France / Folkerts (C 11/11) geoordeeld dat voor de toepassing van de in artikel 7 van de Verordening voorziene compensatie, in geval van een vlucht met rechtstreekse aansluitingen, enkel de vertraging van belang is die is vastgesteld ten opzichte van de oorspronkelijk geplande aankomsttijd op de eindbestemming, omdat het ongemak bij vertraagde vluchten zich voordoet op die eindbestemming. In het geval van een vlucht met rechtstreekse aansluitingen wordt onder eindbestemming verstaan de bestemming van de laatste vlucht die de betrokken passagier heeft genomen, aldus het Hof. Het Hof gaat, anders dan Air France, mitsdien uit van één eindbestemming.

3. In de voorliggende zaak hadden [eisers] een boeking voor een vlucht van Amsterdam naar Singapore via Parijs. Volgens de oorspronkelijke planning zouden de passagiers op 2 januari 2011 om 20:45 uur (lokale tijd) uit Amsterdam vertrekken en op 3 januari 2011 om 18:45 uur (lokale tijd) aankomen op de eindbestemming, Singapore. De passagiers zijn evenwel met een vertraging van 24 uur en 31 minuten aangekomen in Singapore, zodat Air France op grond van de Verordening compensatieplichtig is, tenzij Air France kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden.

4. Air France heeft in de onderhavige zaak niet aangevoerd dat sprake is van buitengewone omstandigheden, die ingevolge artikel 5 lid 3 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 het recht van de passagier op compensatie uitsluiten. Dit betekent dat, nu voor het overige is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een op artikel 7 van de Verordening gebaseerde compensatie, de vordering tot betaling van het compensatiebedrag van € 1.200,00 vermeerderd met rente toewijsbaar is. De wettelijke rente zal worden toegewezen met ingang van de datum waarop Air France in verzuim is gekomen, derhalve vanaf 2 januari 2011.

5. Niet is gesteld of gebleken dat de door [eisers] verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.

6. Air France zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

7. Op verzoek van [eisers] zal een certificaat betreffende een beslissing in de Europese procedure voor geringe vorderingen (formulier D van bijlage IV van de verordening) aan deze beschikking worden gehecht.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Air France tot betaling aan [eisers] van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 januari 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt Air France tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eisers] tot en met vandaag worden begroot op € 207,00 aan griffierecht.

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Aardenburg, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

Coll.