Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA0260

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
16-05-2013
Zaaknummer
12/3430
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:1069, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal dienen een omgevingsvergunning te verlenen voor een paardenbak aan de noordwestzijde van het landgoed Elswoutshoek.

Burgemeester en wethouders hebben in de procedure bij de rechtbank gesteld dat ten tijde van de aanwijzing van het landgoed als monument aantoonbaar geen paardenbak aanwezig was aan de noordwestzijde van het landgoed. De rechtbank heeft burgemeester en wethouders in de gelegenheid gesteld deze stelling te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn burgemeester en wethouders hierin niet geslaagd.

Omdat het dossier ten minste aanwijzingen bevat dat ooit sprake is geweest van een paardenbak aan de noordwestzijde van het landgoed gaat de rechtbank er op basis daarvan vanuit, bij gebrek aan onderbouwing van het tegendeel, dat de paardenbak aan de noordwestzijde ook aanwezig was ten tijde van de aanwijzing van het landgoed als monument. Onder die omstandigheden is geen omgevingsvergunning vereist voor het wijzigen van een monument. Nu er voorts geen redenen zijn om de omgevingsvergunning te weigeren moet de vergunning worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/3430

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2013 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats], gemeente [naam],

eiser,

(gemachtigde: mr. M. van Weeren),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.H. Norde, advocaat te Leiden).

Procesverloop

Voor het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 23 januari 2013.

Verweerder heeft bij brief van 31 januari 2013 meegedeeld dat van de gelegenheid tot herstel van de gebreken in het bestreden besluit gebruik zal worden gemaakt.

Bij brief van 5 maart 2013, aangevuld bij brief van 6 maart 2013 met een schriftelijke verklaring van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) van 5 maart 2013, heeft verweerder gemeend de gebreken te hebben hersteld.

Eiser heeft op 28 maart 2013 zijn zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken in het bestreden besluit zijn hersteld.

Op 5 april 2013 heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Awb, bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege kan blijven, het onderzoek gesloten en bepaald dat binnen zes weken uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak van 23 januari 2013 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, de in rechtsoverweging 2.4.3, 2.5.8 en 2.5.10 aangeduide gebreken te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daarbij twee mogelijke uitkomsten geboden, te weten:

1. Verweerder toont gemotiveerd aan dat ten tijde van de aanwijzing van het landgoed als monument geen paardenbak aanwezig was aan de noordwestzijde van het landgoed. De huidige aanvraag omvat dan ook de activiteit wijzigen van een monument. Indien verweerder aantoont of meent te kunnen aantonen dat ten tijde van de aanwijzing van het landgoed als monument geen paardenbak aanwezig was aan de noordwestzijde van het landgoed, dient verweerder inzichtelijk te motiveren welke betekenis aan welk advies wordt toegekend en inzichtelijk te maken over welke uitvoering van de paardenbak de RCE advies heeft uitgebracht.

2. Verweerder toont niet aan of meent niet te kunnen aantonen dat ten tijde van de aanwijzing van het landgoed als monument geen paardenbak aanwezig was aan de noordwestzijde van het landgoed. In die situatie verleent verweerder, onder intrekking van de verleende omgevingsvergunning voor een paardenbak aan de oostzijde, de gevraagde omgevingsvergunning voor een paardenbak aan de noordwestzijde, omdat het dossier ten minste aanwijzingen bevat dat ooit sprake is geweest van een paardenbak aan de noordwestzijde van het landgoed, op basis daarvan er van uit gegaan moet worden dat deze ook aanwezig was ten tijde van de aanwijzing van het landgoed als monument, dan geen omgevingsvergunning is vereist voor de activiteit wijzigen van een monument, er geen weigeringsgrond is voor de activiteit aanleggen en geen sprake is van strijd is met artikel 2.10 van de Wabo voor wat betreft de activiteit bouwen.

3. In de brief van 5 maart 2013, aangevuld bij brief van 6 maart 2013 met een schriftelijke verklaring van de RCE van 5 maart 2013, stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen paardenbak aanwezig was ten tijde van de aanwijzing van Elswoutshoek als rijksmonument op 29 november 1989. Verweerder heeft zijn standpunt als volgt gemotiveerd.

a. In de monumentenomschrijving wordt uitgebreid omschreven wat op de gronden aanwezig is. De paardenbak wordt in deze omschrijving niet genoemd. Het had in de rede gelegen dat de paardenbak in deze uitgebreide omschrijving zou worden genoemd, indien deze ten tijde van de aanwijzing als rijksmonument wel aanwezig was geweest.

De RCE geeft in de brief van 5 maart 2013 aan dat het feit dat in de uitgebreide redengevende omschrijving van het rijksmonument geen paardenbak is genoemd, een aanwijzing kan zijn dat er ten tijde van de aanwijzing als rijksmonument geen paardenbak aanwezig was.

b. Uit luchtfoto’s is gebleken dat ten tijde van de aanwijzing als rijksmonument ter plaatse geen paardenbak aanwezig was. Overgelegd zijn luchtfoto’s uit 1975, 1986 en 1994.

c. Wethouder [naam] heeft in een schriftelijke verklaring van 21 februari 2013 zijn standpunt als verwoord in de door eiser overgelegde email van 11 april 2012 aan ambtenaar [naam], te weten dat aan de noordwestzijde van Elswoutshoek altijd een paardenbak aanwezig is geweest, genuanceerd. In de verklaring van 11 april 2012 schrijft de wethouder onder meer dat er ter plaatse ooit een manege is geweest en dat er altijd springtoestellen aanwezig zijn geweest. Thans schrijft de wethouder in zijn verklaring van 21 februari 2013 dat hij zich zeer stellig heeft uitgelaten in de email van 11 april 2012 en dat hij er niet zeker van is dat ter plaatse daadwerkelijk een manege en/of springtoestellen hebben gestaan. De wethouder meent zich te herinneren dat dit ooit het geval is geweest, maar spreekt dan over een periode van meer dan dertig jaar geleden. Het is ook mogelijk dat de manege en/of springtoestellen op het landgoed Van Goof stonden.

Op basis van de foto’s uit 1975, 1986 en 1994 meent de wethouder dat alsnog, door de gemeente, is aangetoond dat op de betreffende locatie niet altijd een paardenbak heeft gestaan.

4. Eiser heeft op 28 maart 2013 zijn zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken in het bestreden besluit zijn hersteld. Eiser stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat verweerder het niet bestaan van de paardenbak niet heeft aangetoond.

6. De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd aan te tonen dat ten tijde van de aanwijzing van het landgoed als monument op 28 november 1989 geen paardenbak aanwezig was aan de noordwestzijde van het landgoed. Het niet noemen in de omschrijving van het rijksmonument van een paardenbak aan de noordwestzijde van het landgoed is volgens de RCE slechts een aanwijzing dat er ten tijde van de aanwijzing als rijksmonument geen paardenbak aanwezig was en toont dit derhalve niet aan. De foto’s tonen dit evenmin aan nu deze niet zijn genomen op of omstreeks 28 november 1989, maar enige jaren daarvoor of daarna. Met de verklaring van de wethouder van 21 februari 2013 dat hij er niet zeker van is dat ter plaatse daadwerkelijk een manege en/of springtoestellen hebben gestaan wordt ten slotte ook niet aangetoond dat op 28 november 1989 geen paardenbak aanwezig was.

Het in rechtsoverweging 2.4.3 geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek alsmede het gebrek in de motivering ten aanzien van verweerders stelling dat ten tijde van de aanwijzing van het landgoed als monument aantoonbaar geen paardenbak aanwezig was aan de noordwestzijde van het landgoed is niet hersteld. Verweerder dient, gelet op uitkomst 2 in rechtsoverweging 2.6 in de tussenuitspraak, de gevraagde omgevingsvergunning voor een paardenbak aan de noordwestzijde van het landgoed Elswoutshoek te verlenen, onder intrekking van de verleende omgevingsvergunning voor een paardenbak aan de oostzijde.

7. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder wordt opgedragen de gevraagde omgevingsvergunning voor een paardenbak aan de noordwestzijde van het landgoed Elswoutshoek te verlenen, onder intrekking van de verleende omgevingsvergunning voor een paardenbak aan de oostzijde. Het betreft en omgevingsvergunning voor de activiteit ‘aanleggen paardenbak, en plaatsen hekwerk om paardenbak’.

8. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen in aanmerking de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1280,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze na de tussenuitspraak, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 3 juli 2012;

- draagt verweerder op de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘aanleggen paardenbak, en plaatsen hekwerk om paardenbak’ aan de noordwestzijde van het landgoed Elswoutshoek te verlenen, onder intrekking van de verleende omgevingsvergunning voor een paardenbak aan de oostzijde; - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van

€ 1280,- te betalen aan eiser;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Wouters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 23 januari 2013 kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.