Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA0057

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
AWB 13/1550
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder wil van verzoekster informatie over de feitelijke verblijfplaats van de ex-partner van verzoekster. Als verweerder twijfel had over de vraag of hij in verzoeksters woning verbleef, had hij een huisbezoek kunnen afleggen. De ex-partner staat nog op het adres van verzoekster ingeschreven en betaalt de huur. Dit is echter niet bepalend voor de vraag of hij hoofdverblijf heeft bij verzoekster. De waarde van de auto’s die verzoekster op haar naam heeft/had is erg laag. Gelet op dit alles wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/1550

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 5 april 2013

in de zaak van:

[naam]

wonende te [plaatsnaam],

verzoekster,

gemachtigde mr. M.J. van der Veen

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder.

Bij besluit van 13 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeksters aanvraag om toekenning van een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen, omdat verweerder verzoeksters recht op bijstand niet kan vaststellen.

Verzoekster heeft op 20 december 2012 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2013. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. M.E. van Dijk.

Beslissing

De voorzieningenrechter heeft:

- het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen;

- het primaire besluit van 13 december 2012 geschorst per 1 maart 2013 tot zes weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;

- verweerder opgedragen om met ingang van 1 maart 2013 aan verzoekster voorschotten te verstrekken ter hoogte van 90% van de voor haar geldende alleenstaandeoudernorm met toeslag;

- verweerder opgedragen het voorschot over de maand maart 2013 uiterlijk binnen drie werkdagen na heden, dus uiterlijk woensdag 10 april 2013, aan verzoekster te betalen;

- verweerder veroordeeld in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 944,-- , te betalen aan verzoeksters gemachtigde;

- verweerder gelast het door verzoekster betaalde griffierecht van € 44,-- aan haar te vergoeden.

Gronden van de beslissing

1. Uit het primaire besluit komt naar voren dat verzoeksters aanvraag om toekennning van een Wwb-uitkering is afgewezen, omdat zij heeft gehandeld in strijd met de inlichtingenverplichting zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid, Wwb. Ter zitting heeft verweerder aangegeven op welke punten hij van mening is dat verzoekster de inlichtingenplicht heeft geschonden. Verweerder heeft de indruk dat haar ex-partner [naam] bij verzoekster zijn hoofdverblijf heeft.

2. Verweerder heeft aangegeven dat verzoekster ten onrechte geen inlichtingen heeft verschaft over de feitelijke verblijfplaats van [naam]. Onduidelijk is echter gebleven welke inlichtingen verzoekster hierover diende te verschaffen. Zij heeft in ieder geval steeds aangegeven dat [naam] niet in haar woning verblijft en dat zij verder niet weet waar hij wel is. Voor zover verweerder twijfel had over de vraag of [naam] daadwerkelijk bij verzoekster in de woning verbleef, had het in de rede gelegen dat verweerder een onderzoek had ingesteld naar de juistheid van de mededelingen van verzoekster, bijvoorbeeld door een huisbezoek bij verzoekster af te leggen. Verweerder heeft dat niet gedaan.

3. Verweerder heeft er bovendien op gewezen dat de huurovereenkomst van verzoeksters woning (nog steeds) op naam staat van [naam] en dat hij ook nog op het adres van verzoekster staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (gba). Deze feiten en omstandigheden kunnen hooguit worden aangemerkt als indicaties voor een nader onderzoek door verweerder, maar zij zijn niet bepalend voor de vraag of [naam] zijn hoofdverblijf heeft op het adres van verzoekster. De omstandigheid dat [naam] nog tot januari 2013 de huur van verzoeksters woning heeft betaald en het feit dat hij de huurtoeslag ontvangt, zijn hiervoor evenmin bepalend. [naam] dient niet alleen administratief (op papier) maar ook feitelijk hoofdverblijf in de woning van verzoekster te hebben.

4. Verder heeft verweerder aangegeven dat verzoekster niet heeft gemeld dat zij auto’s op haar naam heeft staan. Uit de rapportage van de sociaal rechercheur [naam] van 27 maart 2013 komt onder meer naar voren dat verzoekster gedurende ongeveer een jaar, tot en met 13 september 2012, een [merk auto] op haar naam had staan en dat er vanaf 14 september 2012 een [merk auto] op haar naam staat. Verweerder kan worden toegegeven dat verzoekster deze feiten ten onrechte niet heeft gemeld, zodat zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat wanneer de waarde van deze auto’s zou uitkomen boven € 5.000,-- , dit aan bijstandsverlening in de weg zou staan. Ten tijde van de primaire besluitvorming had verzoekster alleen nog de [merk auto] op haar naam staan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op de kentekens van deze auto’s, niet aannemelijk is dat de waarde van de auto’s uitkomt boven een bedrag van € 5.000,--. Daar komt bij dat verweerder geen onderzoek heeft ingesteld naar de waarde van de auto’s.

5. Onder deze omstandigheden doet zich niet voor de situatie dat het recht op bijstand van verzoekster niet kan worden vastgesteld, omdat zij heeft gehandeld in strijd met de inlichtingenplicht.

6. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat er verder geen aanwijzingen zijn van feiten en omstandigheden die bijstandsverlening in de weg zouden kunnen staan. Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter van oordeel dat onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. De voorzieningenrechter zal dan ook het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen en het primaire besluit van 13 december 2012 schorsen per 1 maart 2013, dit gelet op het feit dat de (bezwaar)procedure al geruime tijd duurt. De voorzieningenrechter schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar. Verweerder zal voorts worden opgedragen om, gedurende de schorsing van het primaire besluit, met ingang van 1 maart 2013 aan verzoekster voorschotten te verstrekken ter hoogte van 90% van de voor haar geldende alleenstaandeoudernorm met toeslag. Ook zal de voorzieningenrechter verweerder opdragen het voorschot over de maand maart 2013 uiterlijk binnen drie werkdagen na heden aan verzoekster te betalen.

7. De voorzieningenrechter veroordeelt voorts verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,-- en een wegingsfactor 1). Omdat ten behoeve van verzoekster een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het bedrag van de proceskosten betalen aan de gemachtigde van verzoekster.

8. Ook gelast de voorzieningenrechter verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 44,-- aan haar te vergoeden.

9. De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2013 te Haarlem door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden: