Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ9834

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
08-05-2013
Zaaknummer
AWB 13/1652
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Als verzoekers met hun moeder op 2 april 2013 (naam) moeten verlaten, onstaat een situatie die strijd oplevert met artikel 8 EVRM. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/1652

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 2 april 2013

in de zaak van:

[naam],

en

[naam],

wettelijk vertegenwoordigd door hun moeder [naam],

wonende te [plaatsnaam],

verzoekers,

gemachtigde mr. J. Klaas

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,

verweerder.

Het verzoek om voorlopige voorziening heeft betrekking op het besluit van verweerder van 27 maart 2013. Bij dit besluit heeft verweerder aan de wettelijk vertegenwoordiger van verzoekers laten weten dat de indicatie voor opvang in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) niet (opnieuw) zal worden verlengd en dat zij uiterlijk op 2 april 2013 [naam] zal moeten verlaten.

Tegen dit besluit hebben verzoekers en hun wettelijk vertegenwoordiger bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben voorts de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Ter zitting is de wettelijk vertegenwoordiger van verzoekers verschenen, bijgestaan door mr. J. Klaas. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. C.B.B. Dohmen en H.J. Knotnerus-Sanstra.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter heeft:

- het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen;

- het besluit van 27 maart 2013 geschorst tot zes weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;

- verweerder veroordeeld in de door verzoekers gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 944,-- , te betalen aan de gemachtigde van verzoekers;

- verweerder gelast het door verzoekers betaalde griffierecht van € 44,-- aan hen te vergoeden.

Gronden van de beslissing

1. Ook al behoren de wettelijk vertegenwoordiger van verzoekers en verzoekers zelf niet tot de doelgroep van de Wmo, zoals verweerder heeft aangegeven, bij beëindiging van hun verblijf in [naam] zal er een situatie ontstaan die, gelet op de ter zake geldende jurisprudentie, strijdig is met het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De gemachtigde van verzoekers heeft uit ingewonnen informatie bij het AMK en Bureau Jeugdzorg vernomen dat, wanneer verzoekers en hun wettelijk vertegenwoordiger [naam] moeten verlaten en dakloos worden, verzoekers van hun moeder zullen worden gescheiden en dat er vervolgens een grote kans zal bestaan dat verzoekers ook van elkaar zullen worden gescheiden. Deze informatie is door verweerder ter zitting niet bestreden. Verder is ter zitting naar voren gekomen dat er weinig kans is dat verzoekers en hun moeder binnen afzienbare termijn woonruimte zullen kunnen verkrijgen.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden het beëindigen van de opvang van verzoekers door verweerder zal leiden tot bedreiging van de psychische en fysieke integriteit van verzoekers. Verzoekers behoren gelet op hun leeftijd, tot de categorie van kwetsbare personen die in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privéleven. Beëindiging van de maatschappelijke opvang van verzoekers komt daarmee in strijd met artikel 8 van het EVRM. Nu verzoekers kinderen zijn die door hun moeder worden verzorgd, dient op grond van artikel 8 van het EVRM tevens opvang te worden verstrekt aan de moeder van verzoekers. Zolang de moeder van verzoekers niet over woonruimte beschikt, dient verweerder er door het verstrekken van maatschappelijke opvang voor te zorgen dat verzoekers en hun moeder niet van elkaar worden gescheiden. Dit kan op dit moment door opvang in [naam] te bieden.

3. Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijst en het besluit van 27 maart 2013 schorst tot zes weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar.

4. Er bestaat voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de voorzieningenrechter in deze zaak twee punten toe: een punt voor het verzoekschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting. De waarde per punt bedraagt € 472,--. De zwaarte van de zaak is gemiddeld. Omdat ten behoeve van verzoekers een toevoeging is afgegeven op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moeten de proceskosten worden betaald aan de gemachtigde van verzoekers.

5. De voorzieningenrechter zal tevens verweerder gelasten het door verzoekers betaalde griffierecht van € 44,-- aan hen te vergoeden.

6. De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2013 te Haarlem door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden: