Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ9125

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
C/15/196314 / JU RK 12-1148
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging MUHP toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Familie & Jeugd

verlenging machtiging uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling

zaak-/rekestnr.: C/15/196314 / JU RK 12-1148

beschikking van de meervoudige kamer van 24 april 2013

naar aanleiding van een verzoek van

de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, Zaanstreek-Waterland,

gevestigd te Zaandam,

hierna te noemen: de Stichting,

strekkende tot verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarige:

- [naam minderjarige],

geboren op [datum] 2005 in de gemeente [plaats],

verblijvende in een pleeggezin,

kind van

[naam moeder], wonende in [plaats],

hierna te noemen: de moeder,

en

[naam vader], wonende in [plaats],

hierna te noemen: de vader.

Het gezag over de minderjarige wordt uitgeoefend door de ouders.

Advocaat van de ouders is mr. G.M. Haring, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van de kinderrechter van 11 maart 2013 en de daarin vermelde stukken;

- de brief, met bijlagen, van de Stichting van 21 maart 2013.

1.2 De rechtbank heeft het verzoek behandeld op de zitting met gesloten deuren van 25 maart 2013.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. G.M. Haring

- de Stichting, vertegenwoordigd door mevrouw J. Ang en mevrouw M. Laan.

De vader is wegens ziekte niet in staat ter zitting te verschijnen.

2 Overwegingen

2.1 Bij beschikking van de kinderrechter van 12 oktober 2012, is de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 24 november 2013.

2.2 Bij beschikking van 7 februari 2013 is de duur van de machtiging uithuisplaatsing verlengd tot 1 april 2013.

2.2 Bij beschikking van 11 maart 2013, is de duur van de machtiging uithuisplaatsing verlengd, welke thans eindigt op 1 mei 2013.

2.3 De Stichting heeft het verwijzingsbesluit overgelegd.

2.4 Thans dient te worden beslist over de vraag of de minderjarige tot het einde van de termijn van de ondertoezichtstelling uit huis geplaatst dient te worden en of deze uithuisplaatsing een perspectiefbiedend karakter zal hebben.

2.5 Bij beschikking van 12 oktober 2012 heeft de kinderrechter geoordeeld dat het, gelet op de ingrijpendheid van de beslissing, noodzakelijk is dat de Stichting een onafhankelijk onderzoek door een derde zal laten uitvoeren naar het toekomstperspectief van de minderjarige. Bij dit onderzoek zullen de zorgsignalen die [naam kind] in het pleegezin laat zien moeten worden betrokken. Daarnaast dient te worden onderzocht in hoeverre een overplaatsing schadelijk voor de minderjarige zal zijn, alsmede dient te worden gekeken naar de mogelijkheden en de beperkingen van de ouders en de thuissituatie en de hulpverleningsalternatieven.

2.6 Uit de brief van 23 januari 2013 blijkt dat de Stichting het onderzoek heeft uitgezet bij Evean (videohometraining), Spirit (pleegzorgbegeleiding en observatie), Virenze (systeemgericht onderzoek) en Fact (advisering en nadere duiding problematiek ouders).

Omdat de vader de medewerkers van Evean en Virenze geen toestemming heeft gegeven de verslagen van de betreffende onderzoeken aan de Stichting af te geven, kon de Stichting deze bevindingen niet meenemen in haar conclusie. Op basis van de informatie van Spirit, Fact en Lucertis concludeert de Stichting dat de persoonlijke problematiek van de ouders te overheersend is en dat de minderjarige hiermee te veel belast wordt waardoor hij zich niet op een adequate manier kan ontwikkelen. De Stichting vindt het belangrijk dat de minderjarige een goed contact kan hebben met zijn ouders en zal dit ook stimuleren en ervoor zorgen dat dit op een voor de minderjarige duidelijke manier gebeurt. Het recht voor de minderjarige om veilig op te groeien en zich adequaat te ontwikkelen staat voor de Stichting centraal en zij is van mening dat plaatsing in een perspectiefbiedend pleeggezin, met een goed contact met zijn ouders, gegrond is.

De Stichting merkt daarbij nog op dat zij er niet in geslaagd is een goede samenwerkingsrelatie met de ouders op te bouwen gedurende de onderzoeksperiode, omdat het wantrouwen van de ouders naar BJAA en de persoonlijke problematiek van de vader het onderzoek heeft overheerst en de gezinsmanager voortdurend geconfronteerd werd met een dreigende, weigerende en negatieve houding van de ouders.

2.7 Na afronding van voormeld onderzoek heeft een aantal wijzigingen rond ouders en de minderjarige plaatsgevonden. Bij de minderjarige was tijdens het onderzoek sprake van een ernstige terugval in zijn gedrag. Ondanks de extra begeleiding die de pleegouders van Spirit kregen, waren de pleegouders van mening dat de minderjarige niet meer in hun gezin kon blijven wonen en is de minderjarige per 1 februari 2013 in een crisispleeggezin dat hij al kende geplaatst. Op 1 maart 2013 is de minderjarige noodgedwongen in een nieuw (geheim) pleeggezin geplaatst, omdat de vader het crisispleeggezin had bedreigd en hen op verschillende tijden (midden in de nacht) telefonisch had benaderd. Ook heeft de vader tijdens een begeleid bezoek een medewerker van de Stichting agressief benaderd. De vader is met interventie van de de politie verwijderd, omdat er voor de minderjarige en de pleegmoeder een onveilige situatie ontstond. De vader is in maart 2013 opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.

2.8 De advocaat van de ouders heeft ter zitting het standpunt van de ouders gehandhaafd dat verlenging van de uithuisplaatsing niet langer in het belang van de minderjarige is en dat de ouders in staat zijn om de zorg voor de minderjarige nu, dan wel voor 1 mei 2013, weer op zich te nemen. De advocaat van de ouders betoogt verder dat de Stichting niet heeft voldaan aan de opdracht van de kinderrechter, omdat de Stichting het onderzoek niet door een onafhankelijke derde heeft laten uitvoeren. De Stichting heeft slechts informatie verzameld bij instellingen die al bij het gezin betrokken waren, zodat er geen sprake is geweest van een onderzoek door een onafhankelijke derde waardoor er slechts eenzijdige informatie is verstrekt en geen juiste voorstelling van zaken is gegeven, aldus de advocaat van de ouders.

2.9 Hoewel de Stichting geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt welke onderzoeksvragen aan de betreffende instanties zijn voorgelegd, heeft zij ter zitting aangegeven dat de verschillende instanties die zij heeft benaderd zich hebben beziggehouden met de vragen zoals opgenomen in de beschikking van 12 oktober 2012. Zij heeft verder betoogd dat zij het niet in het belang van de minderjarige achtte andere instanties dan de onderhavige in te schakelen.

2.10 Nu de advocaat van de ouders, na gemotiveerde betwisting door de Stichting, haar stellingen onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd, de vader twee instanties heeft verboden de onderzoeksverslagen aan de Stichting te verstrekken en door zijn gedrag het onderzoek door Evean is gestaakt, is de rechtbank van oordeel dat onderhavig onderzoek is uitgevoerd met in achtneming van de in de beschikking van 12 oktober 2012 opgenomen voorwaarden, die in de brief van de Stichting van 23 januari 2013 zijn weergegeven, zodat zij de uitkomst van dit onderzoek in haar oordeelsvorming betrekt.

Gelet op alle feiten en omstandigheden rond de minderjarige en zijn ouders en gelet op de hiervoor onder 2.6. opgenomen conclusie, is de rechtbank van oordeel dat er nog steeds sprake is van een zeer zorgelijke situatie rond het gezin waardoor terugplaatsing van de minderjarige niet mogelijk is, zeker nu er opnieuw een crisissituatie is ontstaan met betrekking tot de vader. Daarom zal de rechtbank de machtiging uithuisplaatsing verlengen tot het einde van de termijn van de ondertoezichtstelling. De rechtbank is daarbij tevens van oordeel dat er op dit moment nog geen sprake kan zijn van een perspectiefbiedende plaatsing, nu de minderjarige gedurende de afgelopen vier maanden in drie verschillende gezinnen heeft gewoond en niet duidelijk is of hij permanent kan blijven wonen in het pleeggezin waar hij sinds 1 maart 2013 verblijft.

3 Beslissing

De kinderrechter:

3.1 Verlengt de duur van de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige:

- [naam minderjarige],

in een pleeggezin, met ingang van 1 mei 2013 tot 24 november 2013.

Deze machtiging tot uithuisplaatsing blijft van kracht zolang er een geldend indicatiebesluit is dat strekt tot uithuisplaatsing.

3.2 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.3 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.S. Naarden (voorzitter), mr. R.A. Otter, en

mr. C.M. Cichowski-van der Kleijn, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van

M.P. Joukes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2013.

Tegen deze beschikking kan door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze aan hen op andere wijze bekend is geworden.