Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4413

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-01-2013
Datum publicatie
18-03-2013
Zaaknummer
189925 / HA ZA 12-109
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gemeenschappelijke hypotheekschuld na affectieve relatie. Woning is eigendom van de man. De vrouw vraagt ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid en subsidiair verkoop van de woning. Ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid blijkt i.c. niet mogelijk. Grondslag van de vorderingen. Redelijkheid en billijkheid geen zelfstandige bron van verbintenissen. Bij afweging van belangen weegt belang man bij behoud woning zwaarder dan belang vrouw bij verkoop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2015/46.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: 189925 / HA ZA 12-109

Vonnis van 2 januari 2013

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. P.J. van de Pol te Haarlem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. drs. M. Bitter te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 april 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 3 juli 2012

- de akte van [gedaagde]

- de akte van [eiseres].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben gedurende 23 jaar een affectieve relatie gehad, die in oktober 2008 is verbroken.

2.2. Vanaf 2 maart 1997 hebben partijen gewoond in de woning met adres [adres] (hierna: de woning). De man is eigenaar van de woning en bewoont deze nog steeds met twee van de kinderen van partijen, die thans 18 en 22 jaar oud zijn.

2.3. De oorspronkelijke hypothecaire geldlening is volledig afgelost. In 2005 hebben partijen opnieuw een hypotheeklening gesloten, bij GMAC RFC Nederland B.V. (vertegenwoordigd door Stater Nederland B.V.) tot een bedrag van EUR 110.000,-. Op deze lening is niet afgelost. [eiseres] is hoofdelijk medeschuldenaar van deze hypotheeklening. [gedaagde] voldoet alle lasten van de woning, waaronder de hypotheeklasten.

2.4. De WOZ waarde van de woning bedraagt omstreeks EUR 250.000,-.

2.5. [gedaagde] is zelfstandig ondernemer. Hij is arbeidsongeschikt verklaard.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat – dat de rechtbank:

1. [gedaagde] zal gelasten om binnen twee weken na betekening van het vonnis over te gaan tot het aan Slater Nederland BV overleggen van de formulieren inhoudende het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling en ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiseres] betreffende de op de woning rustende hypothecaire geldlening, alsmede alles in het werk te stellen wat redelijkerwijs mogelijk is voor de behandeling van voormelde formulieren door voornoemde hypotheekverstrekker, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,- voor iedere dag dat aan deze veroordeling niet wordt voldaan, met een maximum van EUR 100.000,-;

2. [gedaagde] zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis over te gaan tot het tekenen van een verkoopopdracht van de woning bij een door de rechtbank aan te wijzen makelaar, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,- voor iedere dag waarmee [gedaagde] in gebreke is om aan de inhoud van het te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van EUR 100.000,-;

3. [gedaagde] zal veroordelen om mee te werken aan de verkoop en levering van de woning in die zin dat hij uitvoering geeft aan al hetgeen volgens de aangewezen makelaar nodig is om de woning te verkopen, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,- per dag hij zijn medewerking niet verleent, met een maximum van EUR 100.000,-;

4. zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt voor dat gedeelte van de akte van verkoop en de akte van levering van de woning waarvoor een wilsverklaring van [gedaagde] nodig is;

5. [gedaagde] zal veroordelen om twee weken voorafgaand aan de notariële akte van levering de woning te ontruimen onder medeneming van de aan hem in eigendom toebehorende inboedelzaken, onder de verplichting de woning schoon achter te laten en onder afgifte van de in zijn bezit zijnde sleutels aan de makelaar;

6. zal bepalen dat indien [gedaagde] niet aan het onder 5. gestelde voldoet, [eiseres] gemachtigd is de ontruiming van [gedaagde] en de aan hem in eigendom toebehorende inboedelzaken te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van justitie en politie, waarbij de aan deze ontruiming verbonden kosten op [gedaagde] kunnen worden verhaald,

met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ten aanzien van de vordering sub 1 heeft [gedaagde] zich in de conclusie van antwoord en tijdens de comparitie bereid verklaard om zich ervoor in te spannen dat [eiseres] wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Bij akte na comparitie van 5 september 2012 heeft [gedaagde] zich uitgelaten over zijn inspanningen en de stand van zaken met betrekking tot het ontslag. Uit de akte blijkt dat de raadsman van [gedaagde] de hypotheekverstrekker (Stater) heeft benaderd en heeft verzocht op basis van de jaarcijfers 2008 tot en met 2010 te bezien of [eiseres] ontslagen zou kunnen worden uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Stater heeft hier bij brief van 15 augustus 2012 negatief op gereageerd. Uit telefonisch contact met Stater is de raadsman gebleken dat het zinloos zou zijn de vraag nogmaals voor te leggen op basis van de jaarcijfers van 2011, aangezien deze een negatiever beeld opleveren dan de jaarcijfers 2008 tot en met 2010.

4.2. De conclusie van [gedaagde] -die door [eiseres] in haar reactie van 31 oktober 2012 niet wordt weersproken- is dat het door [eiseres] gewenste ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid als gevolg van de regels en het beleid van de bank momenteel niet tot de mogelijkheden behoort.

[eiseres] handhaaft bij deze uitkomst haar vorderingen.

4.3. De rechtbank zal de vordering sub 1 afwijzen omdat [gedaagde] gelet op het voorgaande aan de gevorderde inspanningsverplichting heeft voldaan en [eiseres] daarbij dus geen belang heeft. Nu de bank niet meewerkt aan ontslag van [eiseres] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid komen de vorderingen sub 2 tot en met 6 aan de orde. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

4.4. [eiseres] legt aan haar vorderingen primair ten grondslag dat zij, na verbreking van de relatie, niet in een onverdeelde gemeenschap hoeft te blijven. Nu [eiseres] geen mede-eigenaar is van de woning is echter geen sprake van een gemeenschappelijk goed, maar slechts van een gedeelde schuld, waarop de regels betreffende de gemeenschap niet van toepassing zijn.

De rechtbank leest echter ook in de stellingen van [eiseres] dat zij zich beroept op de redelijkheid en billijkheid die ex-partners jegens elkaar moeten betrachten en [gedaagde] is ook in die zin op de stellingen van [eiseres] ingegaan. [eiseres] stelt in dit kader dat van haar niet kan worden verlangd dat zij hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de hypotheekschuld die verbonden is met de woning van [gedaagde]. Zij voert aan dat zij geen inzicht heeft in de financiële positie van [gedaagde] en er niet op kan vertrouwen dat hij aan zijn hypothecaire verplichtingen blijft voldoen. Zodoende loopt zij het risico dat zij aangesproken wordt voor betalingen met betrekking tot een woning die niet mede haar eigendom is. Tevens wordt zij belemmerd in haar mogelijkheden om zelf een lening aan te gaan. Als het niet anders kan dient de woning te worden verkocht, aldus [eiseres].

4.5. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij in de woning wil blijven wonen tot de kinderen de deur uit zijn. Daarna is verkoop van het huis bespreekbaar. Tevens heeft [gedaagde] aangeboden [eiseres] te vrijwaren voor aanspraken van de bank.

4.6. Vooropgesteld moet worden dat de redelijkheid en billijkheid geen zelfstandige bron van verbintenissen vormen. Aangezien [gedaagde] zich echter in principe bereid heeft verklaard [eiseres] tegemoet te komen in de door haar gestelde belangen, moet beoordeeld worden of [eiseres] thans in redelijkheid van [gedaagde] kan vergen dat hij zijn medewerking verleent aan de verkoop van de woning. De rechtbank beantwoordt die vraag negatief. Daarbij is het volgende van belang.

4.7. Vast staat dat [gedaagde] zich tot op heden volledig aan zijn hypothecaire verplichtingen heeft gehouden. Tevens staat vast dat het huis een ruime overwaarde heeft, zodat in geval van (executoriale) verkoop door de bank de hypotheek naar verwachting volledig uit de verkoopopbrengst zal kunnen worden voldaan.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de kans dat [eiseres] daadwerkelijk zal worden aangesproken zeer gering, waarbij nog komt dat [gedaagde] aanbiedt [eiseres] in de onderlinge verhouding te vrijwaren en dit schriftelijk vast te leggen. Hiermee acht de rechtbank de risico’s voor [eiseres] voldoende afgedekt. [eiseres] heeft als belang tevens aangevoerd dat het voor haar niet mogelijk is een lening af te sluiten, maar zij heeft niet nader onderbouwd dat dit gegeven haar thans belemmert in het sluiten van een concrete lening. Gelet op het voorgaande wegen de belangen van [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank minder zwaar dan het belang van [gedaagde] om niet thans te worden gedwongen tot verkoop en in de woning te kunnen blijven wonen totdat de beide zonen uit het ouderlijk huis zijn vertrokken, temeer nu dit moment volgens [eiseres] niet meer ver weg is. Het beroep van [eiseres] op de redelijkheid en billijkheid faalt dan ook.

4.8. De slotsom is dat ook de vorderingen sub 2 tot en met 6 zullen worden afgewezen. Aangezien partijen ex-partners zijn zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.C. Hofman en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2013.?