Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ2332

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-01-2013
Datum publicatie
26-02-2013
Zaaknummer
11/1681
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om een tegemoetkoming in planschade op basis van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1681

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 januari 2013 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], te [woonplaats], eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder

(gemachtigde: G.R.M. Koopman)

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om een tegemoetkoming in planschade op basis van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) afgewezen.

Bij besluit van 27 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2012. Van eisers is [eiser 1] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. A.F.J. Verweel MSRE, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ).

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eisers zijn sinds 1 maart 1983 eigenaren van het pand aan de [adres] (het perceel).

Het verzoek van eisers om een tegemoetkoming in planschade is op 20 november 2009 ingediend bij verweerder. Het verzoek ziet op de schade die eisers stellen te hebben geleden door het rechtskracht verkrijgen van het bestemmingsplan “Bangert en Oosterpolder ex artikel 30 WRO”. Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied 1992” rustten op de gronden ten noorden en noordwesten van het perceel de bestemming “Agrarische doeleinden I” en op die op een afstand van ongeveer 25 meter ten noorden van het perceel de bestemming “Agrarische doeleinden II”. Op grond van het nieuwe bestemmingsplan zijn de gronden ten noordwesten van het perceel bestemd voor “Woondoeleinden (uit te werken)” en de gronden op een afstand van ruim 210 meter in oostelijke richting van het perceel voor “Verkeersdoeleinden 1,2”.

Verweerder heeft het schadeverzoek behandeld met toepassing van de Procedureverordening Planschadevergoeding en een adviseur opdracht verstrekt om over het schadeverzoek advies uit te brengen. De SAOZ heeft als adviseur gediend voor verweerder. De SAOZ heeft in een advies van december 2010 geadviseerd om het verzoek af te wijzen. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen.

2.1 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1992” zijn de op de kaart voor “Agrarische doeleinden I” aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering, met de daarbij behorende bouwwerken, waaronder watermolens, uitgezonderd bedrijfswoningen en bedrijfsgebouwen en kassen, en dienen tevens voor het behoud van de landschappelijke waarden voor zover de gronden gelegen zijn tussen de Dorpsstraat en de Westfrisiaweg.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1992” zijn de op de kaart voor “Agrarische doeleinden II” aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering met de voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf ter plaatste noodzakelijke bouwwerken, waaronder bedrijfswoningen en bedrijfsgebouwen, kassen en boog- en gaaskassen.

Ingevolge het derde lid, onder a, onder 1, van dit artikel mogen buiten de agrarische bebouwingsvakken kassen worden gebouwd ten behoeve van bestaande, duurzaam op de glastuinbouw gerichte agrarische bedrijven, met een goothoogte tot 4 m en tot een maximale oppervlakte van 2 ha, met inbegrip van de kassen binnen het bebouwingsvak, per bedrijf.

Ingevolge het derde lid, onder b, onder 3, van dit artikel mogen binnen de agrarische bebouwingsvakken kassen en boog- en gaaskassen tot een goothoogte respectievelijk hoogte van 4 m worden gebouwd ten behoeve van:

a. bestaande, duurzaam op de glastuinbouw gerichte agrarische bedrijven in het gehele bebouwingsvak;

b. overige agrarische bedrijven tot een oppervlakte van 1.000 m2.

2.2 Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Bangert en Oosterpolder herziening ex artikel 30 WRO”, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor “Woondoeleinden” (uit te werken) (WU) aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen;

b. maatschappelijke voorzieningen;

c. detailhandel;

d. verkeer- en verblijfsdoeleinden, inclusief parkeervoorzieningen;

e. waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen en groen;

f. bijbehorende voorzieningen.

Het derde lid van dit artikel bevat de uitwerkingsregels.

Ingevolge het vijfde lid, onder a, van dit artikel, voor zover hier van belang, mag op gronden als bedoeld in lid 1 niet worden gebouwd dan nadat het plan voor de betreffende gronden is uitgewerkt in de zin van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en alsdan uitsluitend overeenkomstig een vigerend uitwerkingsplan.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Bangert en Oosterpolder herziening ex artikel 30 WRO”, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor “Verkeersdoeleinden (V1, V2)” aangewezen gronden bestemd voor gebiedsontsluitingswegen.

2.3 Op 28 mei 2008 is het bestemmingsplan “Bangert en Oosterpolder herziening ex artikel 30 WRO” onherroepelijk geworden, als gevolg waarvan eisers stellen schade te hebben geleden. Aangezien het verzoek dateert van na 1 juli 2008 en de planologische maatregel die het verzoek betreft onherroepelijk is geworden na 1 september 2005, zijn in dit geval de bepalingen van de Wro van toepassing zoals deze luidden van 1 juli 2008 tot de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht per 1 oktober 2010.

2.4 Eisers hebben verzocht om planschade, omdat volgens hen het gebied direct gelegen achter hun woning in nadelige zin is aangetast door het vigerende bestemmingsplan.

Volgens eisers heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd en onderzocht in hoeverre watermolens van zes meter hoogte economisch, bouwkundig en feitelijk tot de mogelijkheden zouden behoren. Volgens eisers behoort realisatie ervan niet tot de mogelijkheden. Eisers wijzen er in dit verband op dat het gebied in het structuurplan “Bangert en Oosterpolder (1999)” als woongebied/infrastructuur is aangewezen. Voorts wijzen eisers op feitelijke waarnemingen door hen gedaan. Daarnaast stellen eisers dat op grond van het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1992” kassen slechts een goothoogte van vier meter mogen hebben. Verweerder heeft niet gemotiveerd dat kassen met een nokhoogte van vijftien meter en een goothoogte van vier meter feitelijk en constructief tot de mogelijkheden behoren. In de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 30 maart 2005 (LJN: AT2807) ging het volgens eisers om een hulpgebouw en niet om een kas.

Voorts betogen eisers dat kassen alleen mogen worden gebouwd ten behoeve van bestaande, duurzaam op de glastuinbouw gerichte agrarische bedrijven. Niet is gemotiveerd welk bedrijf binnen een afstand van 25 meter van de woning van eisers een kas zou mogen realiseren.

Verweerder heeft volgens eisers evenmin gemotiveerd in hoeverre het realiseren van twee hectare kassen in 2008 feitelijk en economisch tot de mogelijkheden zou kunnen behoren gelet op de inhoud van het structuurplan “Bangert en Oosterpolder” (1999), de concentratie van glastuinbouw in het Grootslag en Agriport/A7, het beleid van de rijksoverheden en de provinciale overheden alsmede de feitelijke en economische ontwikkelingen in de glastuinbouw (schaalvergroting).

Verder wijzen eisers erop dat bij een eventuele verkoop van hun woning een nieuwe verkrijger blijkens een koopakte voor de woning aan de [adres 1] geen aanspraak kan maken op planschade. Uit de voor hun woning vastgestelde WOZ-waarde kan naar de mening van eisers voorts worden afgeleid dat sprake is van een behoorlijke waardevermindering.

Ten slotte brengen eisers naar voren dat verweerder niet heeft gemotiveerd in hoeverre het nadeel vanwege het gewijzigde gebruik van de gronden in hun specifieke situatie beperkt is.

3.1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kent het college van burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover thans van belang, is een oorzaak als bedoeld in het eerste lid:

a. een bepaling van een bestemmingsplan (…), niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid (…);

b. een bepaling van een planwijziging of een planuitwerking, onderscheidenlijk een ontheffing of een nadere eis, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a tot en met d.

3.2 Bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of sprake is van een wijziging van het planologische regime, waardoor de aanvrager in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende regime. Aspecten die bij de vergelijking een rol spelen betreffen onder meer uitzicht, bezonning, privacy, geluid en verkeer. Als sprake is van een planologisch nadeel dient vervolgens beoordeeld te worden of de onroerende zaak van aanvrager daardoor in waarde is gedaald.

3.3 Bij de planologische vergelijking is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van het planologisch regime maximaal mocht worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking in feite heeft plaatsgevonden. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden moet daarvan worden afgeweken. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2011, LJN: BQ5872.

3.4 Niet in geschil is dat een vergelijking dient te worden gemaakt tussen het planologische regime van het voorheen geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied 1992” en dat van het geldende bestemmingsplan “Bangert en Oosterpolder herziening ex artikel 30 WRO”. Evenmin is in geschil dat voor de uit te werken bestemming “Woondoeleinden (uit te werken)” nog geen uitwerkingsplan is vastgesteld, zodat op gronden met die bestemming ingevolge artikel 5, vijfde lid, onder a, van de planvoorschriften een bouwverbod geldt.

3.5 De rechtbank overweegt dat de uitwerkingsbepalingen in artikel 15 van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan op grond van artikel 6.1, tweede lid, onder a, van de Wro geen oorzaak van planschade kunnen zijn. De SAOZ is in haar advies bij de planvergelijking voor de maximale invulling op grond van het geldende bestemmingsplan dan ook terecht uitgegaan van een braakliggend gebied met de bestemming “Woondoeleinden (uit te werken) (WU)”, waarin voorlopig geen bebouwing ten behoeve van deze bestemming is toegestaan, met daarin een strook met de bestemming “Verkeersdoeleinden (V1, V2)”. Deze maximale invulling heeft de SAOZ terecht vergeleken met de voorheen bestaande maximale agrarische invulling van het gebied, die met name bestond uit de mogelijkheid kassen te bouwen.

4.1 Partijen twisten met name over de voorheen bestaande maximale invulling van het agrarisch gebied, waarbij eisers in het bijzonder aanvoeren dat de bouw van kassen met een nokhoogte van vijftien meter en een goothoogte van vier meter feitelijk, constructief en op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan niet tot de mogelijkheden behoorde. Ter zitting hebben eisers in dit verband nog aangegeven dat kassen met een hoogte van 11 à 13 meter gebruikelijk zijn. Eisers hebben hiermee naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid valt uit te sluiten dat op grond van het oude bestemmingsplan en de aanvullende werking van de gemeentelijke bouwverordening kassen met een hoogte van vijftien meter zouden zijn opgericht. Voorts acht de rechtbank in dit verband van belang dat uit het advies van de SAOZ volgt dat niet zozeer de exacte hoogte van de kassen bepalend is geweest voor de conclusie dat geen sprake is van planologisch nadeel, doch de (enkele) omstandigheid dat het per agrarisch bedrijf was toegestaan 2 hectare aan kassen op te richten. Verweerder heeft deze planologische mogelijkheid dan ook bij zijn besluitvorming op het verzoek om planschade mogen betrekken. Ook voor wat betreft de planologische mogelijkheid om bij bestaande duurzaam op de glastuinbouw gerichte agrarische bedrijven kassen op te richten hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat realisatie van dergelijke kassen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.2 Voorts is van belang dat verweerder volgens vaste rechtspraak van de Afdeling – zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 oktober 2009 (LJN: BK0805) – bij zijn besluit op een aanvraag om vergoeding van planschade, indien uit het advies van een door hem benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt, welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht. De bewijslast dat het advies waarop de besluitvorming is gebaseerd niet deugt, rust in beginsel op de aanvrager. De rechtbank meent dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het advies van de SAOZ ondeugdelijk is. Dat, zoals eisers ter zitting hebben aangevoerd, de SAOZ, nu zij door verweerder is ingeschakeld, niet onafhankelijk zou zijn, doet daaraan niet af. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 6 augustus 2008 (LJN: BD9434) en 24 mei 2006 (LJN: AX4424), is de SAOZ te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade, zodat verweerder in beginsel op een door haar uitgebracht advies mag afgaan. Eisers hebben voorts geen bijkomende feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de onafhankelijkheid van de SAOZ als zodanig of van de concrete personen die in dit geval betrokken zijn geweest bij de advisering, in twijfel moet worden getrokken. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

5. Met betrekking tot het betoog van eisers dat uit de vaststelling van de WOZ-waarde van hun woning blijkt dat sprake is van een waardevermindering overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2009 (LJN: BK0136) als volgt. Bij de vaststelling van de WOZ-waarde wordt geen rekening gehouden met hetgeen planologisch maximaal mogelijk is, zodat een verlaging van de WOZ-waarde op zichzelf geen indicatie is voor een planologische verslechtering. De WOZ-waarde van een woning kan van belang zijn voor de bepaling van de omvang van de te vergoeden schade, indien een bestemmingsplan of een andere in artikel 6.1 van de Wro vermelde planologische maatregel tot een planologische verslechtering heeft geleid ten opzichte van de mogelijkheden onder het daarvoor vigerende regime. Daarvan is in dit geval echter niet gebleken. Het betoog faalt derhalve.

6. Ter zitting hebben eisers gesteld dat zij twijfelen aan de onafhankelijkheid van de Hoor- en Adviescommissie Bezwaarschriften nu de commissieleden zijn aangesteld door en werkzaam zijn voor verweerder. Daarnaast vond de hoorzitting plaats in het gemeentegebouw van de gemeente Hoorn. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat het bepaalde in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet aan het door eisers gestelde in de weg staat.

7.1 Eisers hebben tenslotte betoogd dat, omdat de rechtbank hun zaak en de planschadezaak van hun buren (met zaaknummer AWB 11/1687) heeft gekoppeld, voor beide zaken samen maar een keer griffierecht mag worden geheven.

7.2 Dit betoog slaagt niet. Ingevolge artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt door de griffier van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven. Indien het een beroepschrift ter zake van twee of meer samenhangende besluiten of van twee of meer indieners ter zake van hetzelfde besluit betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011 (LJN BR4650) volgt echter dat gelijkluidende, doch op zichzelf staande besluiten, nog geen samenhangende besluiten zijn als bedoeld in artikel 8:41, eerste lid, van de Awb. De op zichzelf staande besluiten tot ongegrondverklaring van het bezwaar van eisers en dat van hun buren tegen de weliswaar gelijkluidende maar op zichzelf staande afwijzingen van de verzoeken van eisers en hun buren om een tegemoetkoming in planschade, zijn dus geen samenhangende besluiten. De rechtbank heeft beide zaken overigens niet formeel gevoegd, ze niet gelijktijdig ter zitting behandeld en doet in beide zaken afzonderlijk uitspraak. Eisers en hun buren dienen dus ieder afzonderlijk griffierecht te voldoen.

8. De rechtbank komt tot de slotsom dat de gevraagde tegemoetkoming terecht is geweigerd en dat er geen grond is voor vernietiging van het bestreden besluit. Hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. Kaajan, voorzitter, mr. M. Kraefft en

mr. P.H. Lauryssen, leden, in aanwezigheid van mr.W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2013.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.