Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ0146

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
12/5859
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uit de enkele bezoeken van de echtgenoot/vader aan zijn dochter, waarbij hij soms iets voor zijn kind meeneemt, kan niet worden afgeleid dat hij de situatie van duurzaam gescheiden leven van verzoekster niet als bestendig beschouwt. Ter zitting heeft verzoekster ook aangegeven de intentie te hebben duurzaam gescheiden te willen blijven leven van haar echtgenoot. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 12 - 5859

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

10 januari 2013 in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. C.F.M. Raaijmakers),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, verweerder

(gemachtigde: M.G. Böhm)

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die verzoekster ontvangt in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) per 1 december 2012 beëindigd en per 15 mei 2011 ingetrokken, omdat uit onderzoek is gebleken dat verzoekster een duurzame relatie heeft met [naam] (hierna: de echtgenoot) die in staat is in het levensonderhoud van verzoekster te voorzien.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2013. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts was ter zitting een tolk aanwezig.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening als volgt toe;

- schorst het primaire besluit van 10 december 2012 met ingang van 20 december 2012 tot zes weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;

- wijst het verzoek voor het overige af;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 944,-- te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- draagt verweerder op het door verzoekster betaalde griffierecht van € 42,-- aan haar te vergoeden.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wwb wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij is gehuwd. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is sprake van duurzaam gescheiden leven in de zin van voormelde bepaling, indien het betreft een door betrokkenen of door een van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, waardoor ieder van hen afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze door (een van) hen als bestendig is bedoeld. Daarbij zijn volgens de CRvB de omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie in dit kader niet van belang.

3. Verzoekster is in 1996 met de echtgenoot gehuwd, die later de vader van haar dochter zou worden. Zij zijn nog steeds gehuwd. Voorafgaand aan haar vlucht naar Nederland werd verzoekster vervolgd wegens haar levensovertuiging (Falun Gong). In 2007 is verzoekster in Nederland aangekomen en zij heeft in datzelfde jaar een vluchtelingenstatus gekregen. Verzoeksters dochter kon haar in 2008 volgen. Sinds 10 juli 2008 ontving verzoekster een Wwb-uitkering naar de norm van alleenstaande ouder.

4. In mei 2011 is verzoeksters echtgenoot naar Nederland gekomen . Hij heeft hier een verblijfstitel onder de beperking: arbeid in loondienst. De echtgenoot woont boven het restaurant van zijn werkgever in Groningen.

5. Verzoekster heeft verklaard dat de echtgenoot af en toe (een of twee keer per een of twee maanden), vaak op woensdagmiddag, naar Zaanstad komt. Hij is vrij op woensdag. De echtgenoot/vader komt dan veelal om 14.00 uur en hij gaat rond 19.00 uur weer terug naar Groningen. Omdat de dochter thuis is, kan de echtgenoot verzoeksters woning in. Verzoekster is soms thuis en soms niet, vanwege activiteiten voor Falun Gong.

6. Nu verzoekster als politiek vluchteling van 2007 tot 2011 in Nederland heeft verbleven zonder dat haar echtgenoot in Nederland was, is de vraag die in deze procedure beantwoord moet worden of aan de situatie van verzoekster van duurzaam gescheiden leven van haar echtgenoot met diens komst naar Nederland een einde is gekomen.

De voorzieningenrechter, een voorlopig oordeel gevend, beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe is het volgende redengevend.

7. Uit de enkele bezoeken van de echtgenoot/vader aan zijn dochter, waarbij hij soms iets voor zijn kind meeneemt, kan niet worden afgeleid dat hij de situatie van duurzaam gescheiden leven van verzoekster niet als bestendig beschouwt. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven ook de intentie te hebben duurzaam gescheiden te willen blijven leven van haar echtgenoot. Verzoekster heeft weliswaar geschreven dat zij in Groningen geen woonruimte kan krijgen en dat de woonruimte van de echtgenoot aldaar te klein is voor de huisvesting van een gezin, maar hieruit mag niet a contrario worden geconcludeerd dat zij, als er een ruimere woning in Groningen beschikbaar zou zijn, naar haar echtgenoot in Groningen zou willen verhuizen.

8. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen door het primaire besluit van 10 december 2012 te schorsen met ingang van 20 december 2012 tot zes weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar. Dit betekent dat verweerder de betaling van bijstand aan verzoekster vanaf 20 december 2012 moet voortzetten.

9. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier van de rechtbank.

10. Tot slot zal de voorzieningenrechter verweerder gelasten het door verzoekster betaalde griffierecht van € 42,-- aan haar te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier, op 10 januari 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.