Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ0143

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
12/4838, 12/5725
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

In deze zaak sluit de voorzieningenrechter aan bij een eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter over de vraag of sprake is van gezamenlijke huishouding tussen eiser en F. Ook in deze uitspraak komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat hiervan geen sprake is, want: geen financiële verstrengeling en geen wederzijdse zorg. Het beroep wordt gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 12 - 4838 en 12-5725

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

11 januari 2013 in de zaken tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. B.P. Kuhn),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigde: A. van het Ende).

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die eiser ontving in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) per 27 maart 2012 ingetrokken, omdat eiser een gezamenlijke huishouding voert met [naam] (hierna: [naam]).

Bij besluit van 26 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nr. HAA 12/4838. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. HAA 12/5725.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek ter zitting geschorst en de behandeling van de zaken aangehouden tot 11 januari 2013 om verweerder in de gelegenheid te stellen navraag te doen naar de afhandeling van eisers nieuwe Wwb-aanvraag van 12 december 2012.

Het onderzoek ter zitting is op 11 januari 2013 hervat. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van deze zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 26 september 2012;

- herroept het primaire besluit van 13 april 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op om over de periode 27 maart 2012 tot 8 oktober 2012 aan eiser een Wwb-uitkering te verstrekken naar de norm alleenstaande;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.652,- , te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 84,-- aan eiser te vergoeden;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, als het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, als nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3. De voorzieningenrechter wijst allereerst op de uitspraak van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 18 juni 2012, reg. nr. AWB 12-2227 WWB.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder met name het accent gelegd op het feit dat eiser een maandelijkse huur betaalde van € 150,-- voor zijn kamer, met medegebruik van enkele voorzieningen in de woning. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een commerciële relatie huurder-verhuurder. In de onder 3. vermelde uitspraak is de voorzieningenrechter hierop ingegaan in rechtsoverweging 2.24. Voorts heeft eiser gewezen op de puntentelling van het Amsterdams Steunpunt Wonen. Op basis van deze puntentelling bedraagt de maximaal toegestene huurprijs voor een kamer zoals eiser die huurde € 171,72. Hierop moet nog een correctie worden toegepast van 20%. De voorzieningenrechter stelt vast dat de huur die eiser betaalde (€ 150,-- per maand) niet veel verschilt van de commerciële huurprijs. Daarnaast heeft eiser een recente schriftelijke verklaring van [naam] overgelegd. Hieruit komt naar voren hoe deze leeft. Eiser is inmidderls verhuisd naar een ander adres. Uit de brief van [naam] komt naar voren dat deze de (voormalige) slaapkamer van eiser (nog steeds) niet gebruikt. [naam] slaapt nog steeds in de woonkamer.

5. Ter zitting is voorts ingegaan op verweerders stelling dat de computer van eiser niet gebruiksklaar was. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij zijn computer uitsluitend gebruikt voor internetbankieren. Toen zijn computer niet gebruiksklaar was, werd eiser geholpen door zijn familie.

6. Verweerder heeft eiser ook tegengeworpen dat [naam] en hij over en weer naar elkaars rekeningen geld overmaken. Hierover heeft eiser ter zitting verklaard dat hij een enkele keer bij [naam] geld heeft geleend voor het opladen van zijn ov-chipkaart. Eiser heeft deze bedragen telkens terugbetaald. Van een financiële verstrengeling is dan ook geen sprake.

7. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat tussen [naam] en eiser geen sprake was van wederzijdse zorg. Aannemelijk is dat eiser voor en kort na zijn openhartoperatie fysiek niet al te sterk was, zodat het niet in de rede ligt dat eiser in die periode veel zwaar huishoudelijk deed. Voorts staat vast dat [naam] vaak langdurig afwezig was wegens verblijf in het buitenland. Voorzover sprake is geweest van zorg, verleende [naam] zorg aan eiser, maar was geen sprake van wederzijdse zorg.

8. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot een oordeel gelijkluidend aan dat van de voorzieningenrechter in de hiervoor onder 3. vermelde uitspraak. Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat tussen [naam] en eiser sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, Wwb.

9. Het beroep is, gelet op het hiervoor overwogene, gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit van 26 september 2012. De voorzieningenrechter ziet bovendien aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit van 13 april 2012 wordt herroepen waarbij wordt bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Dit betekent dat eiser vanaf 27 maart 2012 onveranderd recht heeft op bijstand. Ter zitting is naar voren gekomen dat eiser inmiddels is verhuisd per 18 december 2012 naar een woning in Nieuw-Vennep. Hij heeft een nieuwe Wwb-aanvraag ingediend op 8 oktober 2012. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 12 december 2012. Hiertegen is nog geen bezwaar gemaakt. Dit zal binnenkort gebeuren.

10. Het voorgaande betekent dat verweerder gehouden is om over de periode 27 maart 2012 tot 8 oktober 2012 aan eiser een Wwb-uitkering te verstrekken naar de norm alleenstaande.

11. Omdat het beroep gegrond is, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

12. Nu het beroep gegrond is, veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.652,-- (1 punt voor het indienen van het beroep, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1½ punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier van de rechtbank.

13. Tot slot gelast de voorzieningenrechter verweerder het door eiser betaalde griffierecht van in totaal € 84,-- aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier, op 11 januari 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.