Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ0114

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
12/5932
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat de door verweerder gevolgde onderzoeksmethode, te weten: proberen om inzicht te verkrijgen in de mate van handel drijven door verzoeker en in de verdiensten die verzoeker met zijn illegale handelsactiviteiten heeft verworven, alleen al door het tijdsverloop niet kan leiden tot het door verweerder beoogde doel, te weten: inzicht krijgen in de huidige financiële situatie van verzoeker. Het niet verschaffen van deze informatie kan derhalve geen grond zijn om de aanvraag buiten behandeling te stellen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 12 - 5932

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

15 januari 2013 in de zaak tussen

[verzoeker], te Haarlem, verzoeker

(gemachtigde: mr. J.H. Kruseman),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Dijkman Dulkes-Wan).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekers aanvraag om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) buiten behandeling gesteld.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. J. Klaas, namens zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het primaire besluit met ingang van 27 december 2012 tot de datum van bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar, tenzij verweerder eerder een besluit heeft genomen op de door verzoeker op 7 januari 2013 ingediende nieuwe Wwb-aanvraag;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 944,--, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- gelast verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 42,-- aan hem te vergoeden.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Verweerder wil verifiëren of verzoeker daadwerkelijk in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert. Daartoe beschikt verweerder inmiddels over verzoekers bankafschriften vanaf 3 augustus 2009. Op die datum beschikt verzoeker over een positief saldo van € 27.531,--. Dit saldo loopt geleidelijk aan op. Op 4 januari 2010 bedraagt het € 29.779,--. Op 6 april 2010 bedraagt het saldo € 28.867,--. Nadien is het saldo op verzoekers bankrekening gestaag gedaald. Op 23 oktober 2012 resteert nog een bedrag van € 1.873,--. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat nadien het saldo nog verder is gedaald.

3. Verweerder heeft verzoeker gevraagd naar de herkomst van het vermogen. Hierop heeft verzoeker geantwoord dat hij heeft gespaard van verdiensten bij Randstad. Ook heeft verzoeker naar hij heeft verklaard enkele keren wat opbrengsten gehad uit bij wet verboden handelsactiviteiten.

4. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij brief van 10 december 2012 aan verzoeker gevraagd de volgende stukken in te leveren:

- bewijsstukken van hoe verzoekers vermogen tot stand is gekomen, dus boekhouding, stortingen waaruit blijkt hoeveel verzoeker met de handel heeft verdiend, bewijsstukken van aan verzoeker overgemaakte bedragen, ook uit het buitenland, eventueel inkoopnota’s;

- bankafschriften vanaf het moment waarop verzoeker startte met de handel tot en met 31 mei 2010;

- een schriftelijke verklaring over wie verzoekers klanten waren; bewijsstukken van verzendingen van de goederen, zoals vrachtpapieren, etc.

5. Verzoeker heeft vervolgens de onder 2 genoemde bankafschriften ingeleverd. Daarnaast heeft de gemachtigde bij brief van 12 december 2012 gereageerd op voormeld verzoek van verweerder. Hij stelt dat informatie over de illegale handel die enkele jaren geleden plaatsvond, niet van belang is voor de vaststelling van verzoekers recht op bijstand. Voorts vraagt verweerder van verzoeker gegevens die hij niet kan leveren. Hierna is verweerder overgegaan tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag. Verweerder heeft ook aangegeven dat verzoeker niet heeft gevraagd om uitstel.

6. De door verzoeker overgelegde bankafschriften hebben bij verweerder niet geleid tot nadere vragen in het kader van deze procedure. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat de door verweerder gevolgde onderzoeksmethode, te weten: proberen om inzicht te verkrijgen in de mate van handel drijven door verzoeker en in de verdiensten die verzoeker met zijn illegale handelsactiviteiten heeft verworven, alleen al door het tijdsverloop niet kan leiden tot het door verweerder beoogde doel, te weten: inzicht krijgen in de huidige financiële situatie van verzoeker. Het niet verschaffen van deze informatie kan derhalve geen grond zijn om de aanvraag buiten behandeling te stellen.

7. Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel, dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot buitenbehandelingstelling van verzoekers aanvraag.

8. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om het primaire besluit van 19 december 2012 te schorsen met ingang van 27 december 2012 tot de datum van bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar, tenzij verweerder eerder een besluit heeft genomen op de door verzoeker op 7 januari 2013 ingediende nieuwe Wwb-aanvraag.

9. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1. Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier van de rechtbank.

10. Tot slot gelast de voorzieningenrechter verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 42,-- aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier, op 15 januari 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.