Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:BY9995

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
106354 - FA RK 08-1022
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling wordt afgewezen. Het verzoek van de moeder om de vader het recht op omgang te ontzeggen wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

BB

zaak- en rekestnummer: 106354 / FA RK 08-1022

datum: 16 januari 2013

Beschikking van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[naam vader],

aanvankelijk wonende te Alkmaar, thans wonende te Schoorl, gemeente Bergen,

verzoekende partij,

advocaat aanvankelijk: mr. S.H.M. Branger, thans mr. B. Blom,

tegen:

[naam moeder],

verblijvende op een geheim adres,

gerekwestreerde, tevens verzoekende partij,

advocaat: mr. M. Nurdogan-Ferwerda.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de vader en de moeder.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank te Alkmaar heeft in deze zaak een eerdere beschikking gegeven op 19 januari 2011. Daarbij is iedere verdere beslissing pro forma aangehouden tot een nader te bepalen datum in januari 2012, teneinde de vader in de gelegenheid te stellen om de personen die hij als getuige wil doen horen schriftelijke verklaringen te laten opstellen.

Bij berichten van 27 december 2011 en 28 december 2011 heeft de vader schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd.

Blijkens proces-verbaal van 2 januari 2012 is de behandeling pro forma aangehouden tot 21 februari 2012 in afwachting van berichten van partijen omtrent een geactualiseerde risicoanalyse van het Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld (verder: ECEG), waarna de rechtbank zal beoordelen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet.

Uit het proces-verbaal van 21 februari 2012 (opgemaakt op 19 maart 2012) blijkt de rechtbank uit alle sinds de beschikking van 19 januari 2011 ingekomen stukken voorshands opmaakt dat, ondanks een door de advocaten van beide partijen daartoe gedaan gezamenlijk verzoek, door de politie Noord Holland Noord geen geactualiseerde risicoanalyse van het ECEG is verstrekt. Voorts heeft de rechtbank aanleiding gezien de stukken (opnieuw) in handen van de Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar (verder: de Raad) te stellen teneinde te rapporteren en adviseren omtrent de volgende vragen:

a. of het opstarten van een traject richting hervatting van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen[kind 1], geboren in de gemeente Alkmaar op[geboortedatum 1],[kind 2], geboren in de gemeente Alkmaar op[geboortedatum 2] en[kind 3], geboren in de gemeente Alkmaar op[geboortedatum 3], in het belang van de minderjarigen is te achten, waarbij met name acht dient te worden geslagen op de belastbaarheid van de moeder, alsmede welke weerslag een hervatting van de omgangsregeling op de moeder en daarmee op de minderjarigen zal hebben;

b. of de vader op grond van zijn persoonlijke omstandigheden in staat zal zijn op een behoorlijke wijze vorm te geven aan een omgangsregeling met de minderjarigen. In dat kader zal de Raad onder meer informatie kunnen inwinnen bij de Bascule en stichting Palier.

De rechtbank heeft de behandeling pro forma aangehouden tot 19 juni 2012, in afwachting van rapport en advies van de Raad.

Bij de stukken bevindt zich een rapport van de Raad van 3 oktober 2012. Daarin wordt geadviseerd de vader het recht op omgang met de minderjarigen te ontzeggen, omdat omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjarigen.

De minderjarige [kind 1] is opgeroepen voor een gesprek met de rechter, maar is niet verschenen. Bij de stukken bevindt zich een verklaring van deze minderjarige met betrekking tot de verzochte omgangsregeling.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 17 december 2012, alwaar zijn verschenen de vader, bijgestaan door mr. Blom alsmede de heer [naam 1] namens de Raad. Op een later tijdstip die dag is de moeder, bijgestaan door mr. Nurdogan-Ferwerda verschenen, alsmede (opnieuw) mr. Blom namens de vader en de heer [naam 1] namens de Raad.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

De rechtbank neemt hier over hetgeen is opgenomen in de beschikking van 19 januari 2011.

Tussen partijen is nog in geschil de door de vader verzochte omgangsregeling tussen hem en de minderjarigen, alsmede het verzoek van de moeder om de vader het recht op omgang voor onbepaalde tijd te ontzeggen.

De vader volhardt in zijn stelling dat hij recht heeft op omgang en dat omgang tussen hem en de minderjarigen in het belang van laatstgenoemden is. De vader heeft naar voren gebracht dat hij de afgelopen jaren alles op alles heeft gezet om aan zichzelf te werken. Daarbij verwijst hij naar zijn behandeling bij de Forensische Kliniek van de Stichting Parlier te Alkmaar en de informatie van de coördinator eergerelateerd geweld, de heer [naam 2], van de politie Noord-Holland-Noord.

De moeder volhardt eveneens in haar standpunt dat het verzoek van de vader dient te worden afgewezen en dat aan de vader het recht op omgang voor onbepaalde tijd dient te worden ontzegd.

Ter onderbouwing van voormeld advies heeft de Raad het volgende aangevoerd. Omgang zal spanningen en onrust bij moeder teweegbrengen, hetgeen zijn weerslag zal hebben op de minderjarigen en dat is onwenselijk. Die spanningen kunnen de moeder uit haar evenwicht halen, welk evenwicht zij in aanzienlijke mate heeft hervonden sinds zij sinds ongeveer een jaar onder behandeling van een psycholoog staat voor een posttraumatische stressstoornis, welke behandeling zich in de slotfase bevindt. Daar komt bij dat de minderjarigen ernstige onveiligheid hebben ervaren die gekoppeld is aan de persoon van vader en dat zij een negatief beeld hebben van vader. Omgang onder deze omstandigheden zal ernstige spanningen bij de minderjarigen kunnen veroorzaken, hetgeen de nodige begeleiding van de moeder zal vergen. De belastbaarheid van moeder is op dit moment echter zeer beperkt. De grote spanningen die contact met zich zou brengen, de te verwachten loyaliteitsproblemen die daarbij zouden kunnen ontstaan en de gebeurtenissen die de minderjarigen in het verleden hebben meegemaakt (getuige zijn van huiselijk geweld tussen de vader en de moeder, het moeten onderduiken in verband met hun veiligheid) is een te groot risico op een bedreigde ontwikkeling waar zij niet aan blootgesteld mogen worden. Zoals reeds eerder gesteld in de rapportage van 2 juni 2010, is de Raad van mening dat omgang tussen de minderjarigen en vader, terwijl de minderjarigen hun verblijfplaats voor vader geheim moeten houden, waarin veel spanning en stress bij zowel moeder als de minderjarigen een grote rol speelt, een onevenredig groot appel doet op het loyaliteitsgevoel van de minderjarigen, hetgeen de Raad niet in hun belang acht. De Raad acht het in het belang van de minderjarigen dat zij rust ervaren, zodat zij de positieve ontwikkeling die is ingezet, voort kunnen zetten. Uit de informatie van informanten blijkt dat de kans groot is dat moeder in haar oude gedrag (onrustig, chaotisch, ongeconcentreerd, last van stemmingswisselingen en negatief zelfbeeld) zal vervallen indien wordt besloten dat er omgang moet plaatsvinden. De Raad acht het risico heel reëel dat de positieve ontwikkeling die de minderjarigen nu doormaken door contact met vader zal stagneren of teniet gedaan zal worden. De beperkte draagkracht van de moeder is een contra-indicatie voor omgang.

Het negatieve beeld van de minderjarigen over de vader en het gegeven dat zij niet wensen te praten over de gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt, zal bij de minderjarigen kunnen leiden tot veel onrust indien een omgangsregeling wordt vastgesteld. Een contra-indicatie wordt verder gevormd door het gebrek aan inlevingsvermogen vanuit vader in de situatie van de minderjarigen. Vader verwacht dat de minderjarigen niet angstig zullen zijn bij een eventuele omgangsregeling met hem. Daarbij lijkt hij er onvoldoende rekening mee te houden dat de minderjarigen hem lange tijd niet hebben gezien, dat zij in de tussentijd een aantal malen zijn verhuisd en ondergedoken hebben gezeten vanwege angst voor de vader, hetgeen hun angst voor vader verder zal hebben doen toenemen.

Tot slot wordt een contra-indicatie gevormd doordat moeder en de minderjarigen op een geheim adres verblijven. Ook op dit moment is nog onduidelijk in hoeverre omgang veiligheidsrisico's meebrengt indien de verblijfplaats van moeder en de minderjarigen bekend wordt gemaakt bij vader.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank wijst in de eerste plaats op het gegeven dat thans, naast het rapport en advies van de Raad van 5 november 2009, tevens een rapport en advies van de Raad van 3 oktober 2012 voorligt. Dat laatste rapport is tot stand gekomen na zelfstandig onderzoek door de Raad.

Het in het rapport van 5 november 2009 door de Raad geformuleerde advies is goeddeels gebaseerd op conclusies van het ECEG zonder dat de daaraan ten grondslag liggende risicoanalyse bekend is (geworden) bij partijen en bij de rechtbank. Zoals in de beschikking van 19 januari 2011 is aangegeven, heeft de Raad zijn advies in het rapport van 5 november 2009 gebaseerd op informatie van het Centrum Internationale Kinderontvoering en in belangrijke mate op de conclusies van het ECEG, zonder dat de Raad kennis heeft kunnen nemen van de analyse die ten grondslag heeft gelegen aan deze conclusies. De rechtbank is van oordeel dat, indien dit advies zou worden gebruikt bij de beoordeling van deze zaak, zonder dat de man zich hieromtrent inhoudelijk heeft kunnen informeren en vervolgens uitlaten, dit gegeven in strijd zou komen met het recht van de man op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank zal de conclusies en de risicoanalyse van het ECEG dan ook buiten beschouwing laten.

In de beschikking van 19 januari 2011 heeft de rechtbank - ook in verband met het destijds voorliggende rapport en de hiervoor besproken ondeugdelijke grondslag van dat rapport - overwogen dat, indien de eerwraakaspecten in deze zaak worden weggedacht, het beeld overblijft van een vader die zich aan huiselijk geweld tegen de moeder heeft schuldig gemaakt, hetgeen in het algemeen onvoldoende grond is om omgang niet in het belang van de kinderen te achten.

Thans ligt een nieuw rapport van de Raad voor van 3 oktober 2012, gebaseerd op eigen onderzoek van de Raad. De rechtbank zal dat rapport tot uitgangspunt nemen.

Uit de stukken, met name het genoemde rapport en advies van de Raad van 3 oktober 2012, en hetgeen door partijen tijdens de laatste mondelinge behandeling is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat naast het feit dat sprake is geweest van huiselijk geweld van de vader jegens de moeder sprake is van bijkomende omstandigheden. Zo is vast komen te staan dat de minderjarigen getuige zijn geweest van dit huiselijk geweld, dat de vader meerdere strafrechtelijke veroordelingen op zijn naam heeft staan, onder meer wegens mishandeling van een politieagent, en dat door de vader in mei 2011 bedreigingen zijn geuit tegenover derden, die konden worden opgevat als gericht tot de vrouw en (daarmee indirect tot) de kinderen. Daar komt bij dat als gevolg van voormelde bedreigingen van de vader tegenover derden de moeder met de minderjarigen op advies van de politie drie maanden ondergedoken heeft gezeten en dit hen veel angst heeft ingeboezemd.

De thans bij de minderjarigen aanwezige gevoelens ten opzichte van de vader hebben naar het oordeel van de rechtbank niet uitsluitend betrekking op de periode dat zij nog contact hadden met de vader. De minderjarigen hebben immers tevens de gevolgen ondervonden van de handelwijze van de vader in de periode na verbreking van het contact tussen hem en de minderjarigen, waarbij de rechtbank in het bijzonder wijst op het feit dat de moeder met de minderjarigen heeft moeten onderduiken als gevolg van de bedreigingen van de vader tegenover derden.

De rechtbank is van oordeel dat, op grond van voormelde gebeurtenissen in de periode dat de vader nog contact had met de minderjarigen, als ook voormelde gebeurtenissen in de periode daaropvolgend, het belang van de minderjarigen meebrengt dat er geen omgang dient plaats te vinden tussen de vader en de minderjarigen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat voormelde gebeurtenissen van overwegende (negatieve) invloed zijn op (het ontbreken van) de draagkracht bij de moeder, in die zin dat deze kan worden geacht onvoldoende aanwezig te zijn voor het kunnen vaststellen van een regeling.

Gelijk de Raad, door de vader onweersproken, heeft aangegeven, is de rechtbank van oordeel dat naast voormelde beperkte draagkracht van de moeder, ook het negatieve beeld dat de minderjarigen van de vader hebben en het gebrek aan inlevingsvermogen van de vader in de situatie van de minderjarigen in de weg staat aan contact tussen de vader en de minderjarigen. De vader geeft er blijk van onvoldoende rekening te houden met het feit dat de minderjarigen vader lang niet hebben gezien, dat zij in de tussentijd een aantal keren zijn verhuisd en onlangs nog ondergedoken hebben gezeten vanwege de dreigende woorden van vader. Ten slotte speelt nog een rol de omstandigheid dat de moeder met de minderjarigen op een geheim adres verblijft.

Op grond van al het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met de minderjarigen als niet in het belang van de minderjarigen dient te worden afgewezen.

Het verzoek van de moeder om de vader het recht op omgang met de minderjarigen te ontzeggen zal worden toegewezen. Op grond van de hierboven genoemde contra-indicaties, te weten: de beperkte draagkracht van de moeder, het negatieve beeld dat de minderjarigen van de vader hebben, het gebrek aan inlevingsvermogen van de vader in de situatie van de minderjarigen en het feit dat de moeder en de minderjarigen op een geheim adres verblijven, is de rechtbank van oordeel dat omgang tussen de minderjarigen en de vader anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjarigen, een en ander zoals is genoemd in artikel 1:377a lid 3 onder d BW.

De andere in artikel 1:377a lid 3 BW genoemde ontzeggingsgronden behoeven, gelet op het vorenstaande, geen verdere bespreking.

Voor zover de vader nog een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 8 van het EVRM, inhoudende dat de minderjarigen recht hebben op omgang met beide ouders wanneer het kind van een ouder is gescheiden, zal de rechtbank dit standpunt passeren. Het recht op bescherming van het gezinsleven brengt niet mee dat de gescheiden ouder die niet is belast met het gezag over zijn minderjarige kinderen, aanspraak kan maken op contacten met die kinderen, als deze contacten in strijd zijn met de belangen van die kinderen.

Hetgeen de vader tenslotte nog naar voren heeft gebracht omtrent zijn inspanningen om zijn leven weer op orde te krijgen doet aan vorenstaande conclusie niets af.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Wijst af het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en de minderjarigen [kind 1], geboren in de gemeente Alkmaar op [geboortedatum 1], [naam 2], geboren in de gemeente Alkmaar op [geboortedatum 2] en [kind 3], geboren in de gemeente Alkmaar op [geboortedatum 3], vast te stellen.

Ontzegt de vader het recht op omgang met voornoemde minderjarigen.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, voorzitter, tevens kinderrechter, J.L. Roubos en C.A.M. van de Rest-van der Heijden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2013, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier.