Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:BY9823

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
14.810401-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal met geweld.

Het betreft een ‘mislukte’ ripdeal. Verdachte heeft alle betrokkenheid bij dit feit ontkend. De rechtbank komt, onder meer op basis van meervoudig zeer sterk technisch bewijs (DNA-onderzoek) in combinatie met een hoge a-priori kans dat verdachte bij het feit betrokken is, tot een bewezenverklaring.

De officier van justitie heeft 4 jaren gevangenisstraf geëist. De rechtbank heeft deze straf gematigd tot 30 maanden, omdat geen sprake is van een voltooid delict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sector Strafrecht

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 14/810401-12

Uitspraakdatum: 29 januari 2013

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 december 2012 en 15 januari 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1993 te Hoorn,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M. van der Plas, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.J. Woud, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 20 februari 2012 in de gemeente Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een vuurwapen heeft gericht op het lichaam van die [slachtoffer] en/of dat vuurwapen heeft afgevuurd in de richting van het lichaam van die [slachtoffer], althans in de nabijheid van het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 20 februari 2012 in de gemeente Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen (ongeveer) 1 kg hennep, althans een of meer goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke poging tot diefstal werd

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- een vuurwapen heeft gericht op het lichaam van die [slachtoffer] en/of dat vuurwapen heeft afgevuurd in de richting van het lichaam van die [slachtoffer], althans in de nabijheid van het lichaam van die [slachtoffer], en/of

- met dat vuurwapen met kracht die [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geslagen, en/of

- meermalen op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Inleiding

Op 20 februari 2012, omstreeks 21.42 uur is op de parkeerplaats aan [naam] in Hoorn geprobeerd hennep te stelen uit de auto van [slachtoffer]. Daarbij is geschoten en is [slachtoffer] met een wapen op zijn hoofd geslagen.

De rechtbank heeft de vraag te beantwoorden of verdachte zich hieraan heeft schuldig gemaakt en zo ja, of dit een poging tot doodslag oplevert dan wel een poging tot diefstal met geweld.

4. Bewijs

4.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.

4.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit. Primair heeft hij aangevoerd dat het primair ten laste gelegde een relatief ondeugdelijke poging betreft. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat voor het primair en subsidiair ten laste gelegde onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. De verklaring van [slachtoffer] acht hij onbetrouwbaar en om die reden niet bruikbaar voor het bewijs. Het aangetroffen DNA acht de raadsman, gelet op mogelijke contaminatie, evenmin bruikbaar voor het bewijs.

4.3. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

[slachtoffer] had met [betrokkene] de afspraak dat [slachtoffer] hennep voor [betrokkene] zou bewaren en [betrokkene] voor kopers zou zorgen. Op 20 februari 2012, omstreeks 21.00 uur, wordt [slachtoffer] door [betrokkene] gepingd met de mededeling dat hij met alle hennep naar het huis van [betrokkene] moet komen. [slachtoffer] loopt die avond rond 21.35 uur naar zijn auto op de parkeerplaats aan [naam] in Hoorn. Daar plaatst hij twee zakken hennep, tezamen ongeveer 1 kilo, in zijn kofferbak. Op het moment dat hij de kofferbak dicht wil doen, komt een hem onbekende man met een lichtblauwe muts naar hem toe. Deze man pakt de tassen met hennep. Hierop pakt [slachtoffer] de man vast waarna deze de tassen met hennep laat vallen. Vervolgens trekt de man een wapen, richt het langs [slachtoffer] en schiet. Er is een knal hoorbaar, aldus de buurtbewoners. Hierna slaat de dader [slachtoffer] met het wapen op zijn hoofd. Ook krijgt [slachtoffer] klappen op zijn hoofd. De dader is een Marokkaanse jongen tussen 1.85 en 1.90 meter lang met opgeschoren en bovenop het hoofd kort haar.

Er ontstaat een worsteling tussen [slachtoffer] en de man. Hierbij trekt [slachtoffer] de lichtblauwe muts van de man af. De man rent weg. [slachtoffer] ziet dat de man (hierna: de dader) het wapen heeft achtergelaten. Om vingerafdrukken veilig te stellen, pakt [slachtoffer] het wapen voorzichtig op. Hij neemt het mee naar zijn woning en legt het in de hal neer.

Inmiddels hebben buurtbewoners melding gemaakt bij de politie van een mogelijk schot. Verbalisanten komen ter plaatse. Zij treffen voor de auto van [slachtoffer] een patroon aan. Ook zien zij druppels bloed en hennepresten op het wegdek liggen. [slachtoffer] treffen zij aan met een bebloed hoofd.

In de hal van de woning van [slachtoffer] vinden verbalisanten het wapen, gewikkeld in een handdoek. Het wapen wordt veiliggesteld door middel van een DNA-kit. Ook treffen verbalisanten een lichtblauwe muts in de woning aan. [slachtoffer] verklaart dat dit de muts van de dader betreft. De muts wordt inbeslaggenomen voor DNA-onderzoek.

Het sporenmateriaal aangetroffen op het wapen en de muts wordt aan het NFI gezonden.

Van [slachtoffer] is op 7 maart 2012 wangslijmvlies afgenomen en gezonden aan het NFI.

Van een referentiemonster wangslijmvlies van verdachte is een DNA-profiel verkregen, dat op 8 oktober 2007 is opgenomen in de DNA-databank van het NFI. Dit DNA-profiel van verdachte wordt sindsdien vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen.

Bij deze vergelijking is een match gevonden met het spoor dat is aangetroffen op de muts van de dader. Op de binnenkant van de rand van de muts is een DNA-hoofdprofiel aangetroffen dat van verdachte kan zijn. Op de buitenkant van de rand van de muts is een DNA-mengprofiel aangetroffen dat van verdachte en [slachtoffer] kan zijn.

De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Dit geldt zowel voor het DNA-hoofdprofiel op de binnenkant van de muts als voor het DNA-mengprofiel op de buitenkant van de muts.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, concludeert de rechtbank dat de persoon wiens DNA-profiel op de binnen- en buitenzijde van de muts is aangetroffen, de reguliere gebruiker van de muts is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de muts kort na het voorval is aangetroffen in de woning van [slachtoffer] en dat [slachtoffer] heeft verklaard dat hij deze muts van het hoofd van de dader heeft getrokken.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, gebruikt de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] voor het bewijs. De verklaring van [slachtoffer] wordt op essentiële onderdelen gesteund door andere bewijsmiddelen, te weten de verklaringen van de buurtbewoners en de bevindingen van de verbalisanten zoals hierboven weergegeven. Bovendien wordt zijn verklaring, dat hij die dag meermalen telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene], ondersteund door de bevindingen van de digitale recherche die de printlijsten heeft onderzocht van de telefoonnummers van [betrokkene] en [slachtoffer].

De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] daarom betrouwbaar.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte deze gebruiker van de muts, en dus de dader is geweest. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank neemt allereerst de conclusie van het NFI over en concludeert dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig ander persoon matcht met het aangetroffen DNA-profiel op de muts (aan zowel de binnen- als buitenzijde) bijna verwaarloosbaar klein is, zodat de bewijswaarde van de DNA-match in zoverre navenant groot is.

Het – overigens niet nader onderbouwde – verweer van de raadsman, dat sprake kan zijn van contaminatie doordat de jas van verdachte in een café over de muts kan hebben gehangen, wordt verworpen. Zoals door de deskundige P.A. Maaskant ter terechtzitting is toegelicht, is zowel sporenmateriaal aan de binnen- als buitenzijde van de muts veiliggesteld om gebruikersmateriaal veilig te stellen. De deskundige heeft voorts verklaard dat niet te verwachten is dat in een geval zoals door de raadsman genoemd een hoofdprofiel wordt aangetroffen. Bovendien zou – als er contaminatie zou hebben plaatsgevonden – daarnaast tevens DNA aangetroffen moeten zijn van de reguliere gebruiker.

Nu uit het DNA-onderzoek volgt dat slechts één DNA-hoofdprofiel is aangetroffen op de binnenzijde van de muts, welk profiel tevens in nevenkenmerken is aangetroffen op de buitenzijde van de muts, acht de rechtbank contaminatie zoals door de raadsman betoogd volstrekt onaannemelijk. De rechtbank zal de DNA-match dan ook gebruiken voor het bewijs.

Dit technisch bewijsmiddel als zodanig is echter nog niet voldoende voor de slotsom dat aan het wettig bewijsminimum voor de vaststelling van de betrokkenheid van verdachte bij dit feit is voldaan.

Naar aanleiding van het resultaat van voornoemd DNA-onderzoek, is voorts het sporenmateriaal, aangetroffen op het wapen, aan een vergelijkend DNA-onderzoek onderworpen met onder meer de DNA-profielen van verdachte en het slachtoffer [slachtoffer]. Hierbij is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal drie personen. Het DNA-profiel van het slachtoffer matcht met de prominent aanwezig DNA-kenmerken in dit DNA-mengprofiel. Hoewel in het DNA-mengprofiel niet alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van de verdachte gereproduceerd zijn, kan de verdachte op grond van de resultaten niet worden uitgesloten als donor van een relatief gering deel van het celmateriaal in de bemonstering. Op basis van twee hypotheses wordt vervolgens geconcludeerd dat de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek zeer veel waarschijnlijker (met een factor 10.000-1.000.000) zijn als deze bemonstering celmateriaal bevat van het slachtoffer [slachtoffer], de verdachte en minimaal één, niet aan het slachtoffer of verdachte verwante, willekeurige persoon (hypothese I), dan dat deze bemonstering celmateriaal bevat van het slachtoffer en twee niet aan elkaar en niet aan het slachtoffer of de verdachte verwante willekeurige personen (hypothese II).

De rechtbank zal ook deze conclusie van het NFI gebruiken voor het bewijs. Het verweer van de raadsman, inhoudende dat het wapen mogelijk in contact gebracht is met de muts, wordt verworpen. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij met grote voorzichtigheid – juist om sporen veilig te stellen – het wapen naar binnen heeft gebracht. Verbalisanten hebben het wapen vervolgens in de woning van [slachtoffer], gewikkeld in een handdoek, aangetroffen. Daarna hebben twee andere verbalisanten de muts aangetroffen.

Aldus staat vast dat op twee afzonderlijke voorwerpen die de dader even voor het voorval in zijn bezit heeft gehad, DNA is aangetroffen dat met een bewijswaarde als hierboven weergegeven van verdachte kan zijn.

Blijkens de als eerste pagina in het dossier opgenomen ID staat is verdachte, overeenkomstig de beschrijving van [slachtoffer], een jonge man met onder meer de Marokkaanse nationaliteit en een haardracht overeenkomstig bedoelde beschrijving. Ter zitting van 15 januari 2013 heeft verdachte verklaard dat hij 1.87 meter lang is, eveneens passend in de beschrijving van [slachtoffer]. Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op het feit dat verdachte in Hoorn, waar het voorval heeft plaatsgevonden, woonachtig is, komt de rechtbank tot de slotsom dat de a-priori kans dat verdachte bij het voorval betrokken is, niet gering is.

Deze a-priori kans wordt door de rechtbank sterk naar boven bijgesteld, nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij [betrokkene] kent en uit het dossier blijkt dat [betrokkene] en verdachte op 20 februari 2012 telefonisch contact hebben gehad.

Er is dus sprake van meervoudig zeer sterk technisch bewijs in combinatie met een hoge a-priori kans dat verdachte bij dit strafbare feit is betrokken.

Wat betreft de overtuigingskracht van bovenbedoeld bewijs heeft het volgende te gelden. Verdachte heeft zich bij de politie ten aanzien van dit feit, tijdens de ondervraging geconfronteerd met technisch bewijs dat sterk uitnodigt tot het geven van een verklaring, op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting van 15 januari 2012 heeft verdachte evenmin een ontlastende verklaring gegeven voor de in zijn richting wijzende onderzoeksbevindingen.

Op grond van al deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het DNA dat is aangetroffen op de muts en het wapen van verdachte afkomstig is en dat verdachte de man is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal van hennep vergezeld van geweld en bedreiging met geweld.

4.4. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder primair ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Uit het door het NFI uitgevoerde ballistisch onderzoek van 20 februari 2012 volgt dat met het gebruikte wapen en de gebruikte munitie, de kans op dodelijk letsel alleen aannemelijk lijkt als de loop van het wapen op de dunne huid boven zeer kwetsbare plaatsen van het lichaam wordt gedrukt. Nu niet is komen vast te staan wat de afstand tussen [slachtoffer] en verdachte is geweest op het moment dat laatstgenoemde schoot en nu verdachte bovendien langs het lichaam van [slachtoffer] heeft gericht, is de rechtbank van oordeel dat de kans op de dood van [slachtoffer] niet aanmerkelijk is geweest.

Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een poging tot doodslag. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het betoog van de raadsman, inhoudende dat sprake zou zijn van een relatief ondeugdelijke poging, welke strafbaar zou zijn.

4.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 20 februari 2012 in de gemeente Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen (ongeveer) 1 kg hennep, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die M.S.

[slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- een vuurwapen heeft afgevuurd in de nabijheid van het lichaam van die [slachtoffer], en

- met dat vuurwapen die [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geslagen, en

- meermalen op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

7.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

7.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ‘mislukte’ ripdeal. Verdachte was voornemens hennep te stelen en is met een vuurwapen naar de plaats – de auto van [slachtoffer], – gegaan waar deze hennep zich zou bevinden. Toen duidelijk werd dat [slachtoffer] de hennep niet makkelijk van zich liet afnemen, heeft verdachte – midden in een woonwijk – zijn vuurwapen ter hand genomen en een schot gelost. Vervolgens heeft hij [slachtoffer], onder meer met dit wapen, op zijn hoofd geslagen. [slachtoffer] heeft hierdoor letsel bekomen, te weten hoofdwonden en een gespleten rechtervoortand.

Een dergelijk feit heeft – alleen al vanwege het letsel – de nodige gevolgen voor het slachtoffer zelf, maar daarnaast veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van angst en onveiligheid binnen de samenleving in het algemeen.

De rechtbank rekent het verdachte met name zwaar aan dat hij kennelijk puur uit materiële overwegingen heeft gehandeld en volstrekt niet heeft stil gestaan bij mogelijke gevolgen voor het slachtoffer en voor de bewoners van de woonwijk waar de ‘mislukte’ ripdeal heeft plaatsgevonden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op

het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 19 september 2012, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van vermogens- en geweldsdelicten tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld en dat verdachte terzake een soortgelijk feit nog in een proeftijd liep. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

In de omstandigheid dat het geen voltooid delict betreft, ziet de rechtbank aanleiding ten aanzien van de duur van de straf af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.142,30 (tweeduizend honderdtweeënveertig euro en dertig cent) ingediend tegen verdachte wegens materië¬le schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit:

- Ambulancekosten € 220,--;

- Tandartskosten € 362,34, waarvan € 40,-- aan incassokosten;

- Aanschaf nieuwe jas € 359,96;

- Aanschaf kroon € 1.000,--;

- Kapotte kleding € 200,00.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 542,34 rechtstreeks voortvloeit uit het subsidiair bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: € 220,-- aan ambulancekosten en

€ 322,34 aan tandartskosten.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank zal de gevorderde incassokosten afwijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de thans bekende gegevens niet komen vast te staan dat de overige gestelde schadeposten (nieuwe jas, kroon en kapotte kleding) het rechtstreeks gevolg zijn van het hiervoor in de rubriek bewezen verklaring onder subsidiair bewezen verklaarde feit. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank ziet als gevolg van het onder subsidiair bewezen verklaarde feit aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen 36f, 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder subsidiair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 542,34 (vijfhonderdtweeënveertig euro en vierendertig cent), voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag.

Veroor¬deelt verdachte in de kosten door de benadeel¬de partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuit¬voerlegging alsnog te maken.

Wijst af het bedrag van € 40,-- (veertig euro) aan incassokosten.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 542,34 (vijfhonderdtweeënveertig euro en vierendertig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. W. Oosterbroek en mr. J. van Beek, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier S.C. Naeije,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 januari 2013.