Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:BY9805

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
11/1980 en 11/1961
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De persoonlijke omstandigheden van de werknemer zijn ten onrechte door verweerder betrokken bij de vraag of er reden was voor het aannemen van een verminderde verwijtbaarheid. Deze omstandigheden zijn uitsluiten relevant bij een beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden voor ontslag als bedoeld in artiekl 24, tweede lid, aanhef en onder a, vand e WW. Verwijzing naar LJN: BB9169.

Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank voorziet zelf in de zaak. De rechtbank oordeelt dat aan het ontslag van de werknemer zowel objectief als subjectief een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt. De rechtbank wijst ook op haar uitspraak van dezelfde datum in de ontslagzaak. Van verminderde verwijtbaarheid is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Verweerder had de werknemer een WW-uitkering blijvend en geheel moeten weigeren.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 27
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/86 met annotatie van mr. A.M. Wevers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/1980 en AWB 11/1961

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 januari 2013 in de zaken tussen

[naam eiser 1], te [woonplaats], eiser 1 (hierna: [eiser 1]

(gemachtigden: mr. F.H. Eijmaal en mr. M. Moszkowicz jr.),

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel, eiser 2 (hierna: de werkgever)

(gemachtigden: mr. B.M. Dijkstra en mr. J.M.L.B. Rensen-van Wissen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Alkmaar), verweerder

(gemachtigde: mr. P. Nicolai).

Procesverloop

Bij primair besluit van 5 april 2011 heeft verweerder de aanvraag van [eiser 1] om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) blijvend en geheel geweigerd vanwege verwijtbare werkloosheid.

Bij besluit van 21 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door [eiser 1] tegen het primaire besluit ingediende bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan [eiser 1] is met ingang van 22 februari 2011 een WW-uitkering toegekend waarbij een maatregel van 35% gedurende 26 weken is opgelegd.

Tegen het bestreden besluit hebben [eiser 1] en de werkgever afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De gevoegde behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2012. [eiser 1] is, vergezeld van zijn echtgenote, in persoon verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigden. De werkgever is verschenen bij zijn gemachtigden. Van de zijde van de werkgever zijn tevens verschenen [naam 1], interim directeur van de gemeente Texel, [naam 2], teamleider P&O van de gemeente Texel en [naam 3], juridisch medewerker bij de gemeente Texel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2 [eiser 1] is per 1 oktober 2005 bij de gemeente Texel aangesteld als [naam functie] van de afdeling Gemeentewerken. De afdeling Gemeentewerken bestaat uit drie teams: team Groen & Evenementen, team Reiniging & Materieel en team Infra & Bouw. Deze drie teams worden elk aangestuurd door een teamleider die hiërarchisch onder van het [naam functie] van de afdeling Gemeentewerken staat.

1.3. De werkgever heeft in zijn vergadering van 21 december 2010 geconstateerd dat er, naar aanleiding van een reeks van voorvallen en aanvaringen, een onoverbrugbare breuk is ontstaan tussen een lid van het college en [eiser 1]. De werkgever heeft geconcludeerd dat de opgebouwde spanning inmiddels zodanig is, dat [eiser 1] niet meer handhaafbaar is op de werkvloer en dat een vertrouwensbasis om verder te gaan met [eiser 1] als [naam functie] niet langer aanwezig is. Zijn handelen heeft in meerdere recente gebeurtenissen gezorgd voor politieke spanning. Een goede functie-uitoefening is hierdoor, volgens de werkgever, niet meer mogelijk. De werkgever heeft zich voorgenomen om in goed overleg met [eiser 1] te komen tot een beëindiging van het dienstverband. Omdat [eiser 1] in de met hem gevoerde gesprekken geen blijk heeft gegeven van enig inzicht in zijn eigen aandeel in het ontstaan van de problemen, heeft de werkgever het noodzakelijk geacht direct in te grijpen om herhaling van incidenten te voorkomen. Daartoe heeft de werkgever [eiser 1] bij besluit van 7 januari 2011 in het belang van de dienst met onmiddellijke ingang met behoud van bezoldiging geschorst op basis van 8:15:1, eerste lid, onder d, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), totdat het dienstverband met [eiser 1] zal zijn beëindigd.

1.4 Vervolgens heeft de werkgever naar aanleiding van een mededeling van een medewerker administratie over het bestaan van een informele kas bij de afdeling Gemeentewerken en de daarop volgende vondst van ongeveer € 10.000,- in een kluis bij de afdeling Gemeentewerken, een nader onderzoek ingesteld. De werkgever heeft naar aanleiding van de onderzoeksresultaten, waarbij volgens de werkgever onder meer naar voren is gekomen dat [eiser 1] betrokken is bij het instellen dan wel het in stand houden van de aangetroffen informele kas, [eiser 1] bij besluit van 21 januari 2011 medegedeeld dat de onderhandelingen over een minnelijke beëindigingsregeling met onmiddellijke ingang worden gestaakt, omdat [eiser 1] zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. De werkgever heeft [eiser 1] daarbij tevens meegedeeld dat hij voornemens is [eiser 1] de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag op te leggen en dat gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om [eiser 1] eveneens op grond van artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO te schorsen tot het einde van het dienstverband. De werkgever heeft [eiser 1] daarbij in de gelegenheid gesteld om zich te verantwoorden over de hem verweten gedragingen.

1.5 [eiser 1] heeft bij fax en bij brief van 1 februari 2011, ontvangen door de werkgever op 3 februari 2011, zijn zienswijze gegeven over het voornemen tot ontslag.

1.6 De werkgever heeft [eiser 1] bij besluit van 22 februari 2011 met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag als bedoeld in artikel 8:13 van de CAR/UWO opgelegd. [eiser 1] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.7 Dit bezwaarschrift heeft de werkgever bij besluit van 29 juni 2011 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft [eiser 1] beroep ingesteld.

1.8 Bij uitspraak van heden (zaaknummer 11/2035) heeft de rechtbank het beroep van [eiser 1] tegen het besluit van 29 juni 2011 ongegrond verklaard.

1.9 [eiser 1] heeft op 16 maart 2011 een WW-uitkering aangevraagd.

2.1 Verweerder stelt in het bestreden besluit dat in voldoende mate is komen vast te staan dat het handelen, het nalaten en de gedragingen van [eiser 1] de feitelijke aanleiding zijn geweest voor zijn ontslag op staande voet. Daartegenover staat volgens verweerder dat [eiser 1] alle feiten betwist en dat een duidelijke bewijsvoering ontbreekt. Verweerder stelt dat, hoewel [eiser 1] uit hoofde van zijn functie verantwoordelijk is voor genoemde gebeurtenissen en er daarom sprake is van verwijtbaarheid, reden is om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Dit wordt volgens verweerder ondersteund door de leeftijd van [eiser 1], zijn onberispelijke staat van dienst van 35 jaar, waarvan 5 jaar bij de gemeente Texel, en de ernstige gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor [eiser 1].

2.2 [eiser 1] betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Dit maakt volgens [eiser 1] dat verweerder ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat in voldoende mate is komen vast te staan dat zijn gedragingen de feitelijke aanleiding zijn geweest voor het ontslag op staande voet. Verder stelt [eiser 1] dat verweerder handelt in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu blijkt dat verweerder nog vragen heeft met betrekking tot de kwestie van de informele kas. Subsidiair stelt [eiser 1] dat, voor zover er sprake is van een zekere mate van verwijtbaarheid, een korting van minder dan 35% gedurende een termijn korter dan 26 weken reeds een adequate sanctie zou zijn. De door verweerder opgelegde kortingsmaatregel is volgens [eiser 1] zeer ingrijpend voor hem en zijn gezin. Te meer nu verweerder twijfelt aan de geldigheid van de door de werkgever aangevoerde ontslagredenen.

2.3 De werkgever stelt in zijn beroepschrift dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat de werkgever pas is gehoord ná het nemen van het bestreden besluit en dat verweerder ten onrechte geen kennis heeft genomen van alle stukken met betrekking tot het strafontslag. Voorts stelt de werkgever dat verweerder ten onrechte een verminderde verwijtbaarheid heeft aangenomen. Hierop is door [eiser 1] geen beroep gedaan in de ontslagzaak en de genoemde feiten leveren volgens de werkgever geen omstandigheden op als bedoeld in artikel 27 van de WW. Daarbij is er geen sprake van een onberispelijke staat van dienst van [eiser 1] bij de gemeente Texel. De werkgever stelt dat van het ontbreken van bewijs voor een dringende reden geen sprake is. Uit de stukken in de ontslagzaak blijkt volgens de werkgever overduidelijk van het tegendeel.

3.1 De rechtbank oordeelt als volgt.

3.2 Niet in geschil is dat de werkgever heeft aangegeven te willen worden betrokken in de bezwaarprocedure betreffende de aanvraag van [eiser 1] om een WW-uitkering. Evenmin is in geschil dat de werkgever niet door verweerder is gehoord voorafgaande aan het nemen van het bestreden besluit van 21 juni 2011. Dit maakt, nu zich geen omstandigheid als bedoeld in artikel 7:3 van de Awb voordoet, dat verweerder de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb heeft geschonden. De omstandigheid dat de werkgever na het nemen van het bestreden besluit alsnog is gehoord, maakt dat niet anders. De rechtbank concludeert dan ook dat het bestreden besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep van de werkgever (AWB 11/1961) zal daarom gegrond worden verklaard. Nu de werkgever desgevraagd ter zitting heeft aangegeven het niet nodig te vinden een tweede keer gehoord te worden, volstaat naar het oordeel van de rechtbank de constatering dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Verweerder hoeft dit gebrek dus niet te herstellen.

3.3 Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd omdat de persoonlijke omstandigheden van [eiser 1], zoals zijn leeftijd, zijn lange staat van dienst en de (financiële) gevolgen van het ontslag, ten onrechte zijn betrokken bij de beoordeling van de vraag of er reden was voor het aannemen van een verminderde verwijtbaarheid. Deze omstandigheden zijn uitsluitend relevant bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden voor ontslag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, aldus verweerder

Op grond van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep - zie onder meer de uitspraak van 14 november 2007 met LJN: BB9169 - kunnen omstandigheden zoals hiervoor genoemd, gelet op de tekst van artikel 27 van de WW, bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid geen rol spelen. De rechtbank heeft geen aanleiding hierover in dit geval anders te oordelen en onderschrijft dan ook het standpunt van verweerder dat het bestreden besluit op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit tevens wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Om deze reden zullen de beroepen gegrond worden verklaard.

3.4 De rechtbank zal voorts bezien of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

3.5 Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW - voor zover hier van belang - weigert het UWV de uitkering blijvend geheel, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a opgelegd, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.

3.6 Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 24, tweede lid, van de WW, wordt aangesloten bij het civielrechtelijk begrip dringende reden. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is voor de vaststelling van een arbeidsrechtelijke dringende reden een beoordeling nodig van zowel de objectieve als de subjectieve dringendheid van de ontslagreden (zie de uitspraak van de CRvB van 15 juni 2011 met LJN: BQ8713). Als dringende reden worden beschouwd: zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. De reactie van de werkgever op het gedrag van de werknemer vormt een aanwijzing voor het al dan niet aanwezig zijn van een dringende reden, maar de wijze waarop het dienstverband is beëindigd is voor die beoordeling niet doorslaggevend. Elementen die dienen mee te wegen bij de beoordeling of zich een dringende reden voordeed zijn, zoals de CRvB in de uitspraak van 18 februari 2009 met LJN: BH2387 heeft overwogen: de subjectiviteit van de dringende reden, in onderlinge samenhang bezien met de aard en ernst van de gedraging en de andere relevante aspecten, zoals de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die betrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. Dat betrokkene in dienst was van een overheidswerkgever vormt geen aanleiding om een andere maatstaf aan te leggen.

3.7 De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat [eiser 1] zich, door zijn betrokkenheid bij het in stand houden van de informele kas bij de afdeling Gemeentewerken en het gebruiken van de gelden uit deze informele kas voor doeleinden waardoor deze niet zijn bestemd, schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Voorts onderschrijft de rechtbank het standpunt van verweerder dat deze gedragingen een objectieve dringende reden voor ontslag opleveren. Ook volgt de rechtbank het ter zitting toegelichte en door [eiser 1], noch de werkgever betwiste standpunt van verweerder dat er sprake is van een subjectieve dringende reden voor het ontslag. Van persoonlijke omstandigheden van [eiser 1] die meebrengen dat van een arbeidsrechtelijke dringende reden geen sprake is, is de rechtbank niet gebleken. Afgezet tegen de ernst van de [eiser 1] gemaakte verwijten, zijn zijn leeftijd, zijn lange staat van dienst en de (financiële) gevolgen van het ontslag geen omstandigheden die de dringendheid van de ontslagreden wegnemen. Geconcludeerd moet dan ook worden dat aan het ontslag van [eiser 1] zowel objectief als subjectief een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt. De rechtbank wijst in dit verband ook op haar uitspraak van heden in de ontslagzaak van [eiser 1] (zaaknummer: AWB 11/2035).

3.8 Vervolgens dient te worden getoetst of er sprake is van een situatie waarin moet gezegd dat het niet nakomen van de verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van de WW opgelegd, [eiser 1] niet in overwegende mate kan worden verweten.

3.9 Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de werkloosheid [eiser 1] in een verminderde mate kan worden verweten, omdat geen sprake is geweest van zelfverrijking door [eiser 1]. De rechtbank acht dit enkele gegeven, gelet op de ernst van het plichtsverzuim, onvoldoende om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden die maken dat de gedragingen van [eiser 1], die hebben geleid tot de dringende reden voor ontslag, hem niet in overwegende mate kunnen worden verweten. Hetgeen [eiser 1] heeft aangevoerd brengt de rechtbank dan ook niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat van verminderde verwijtbaarheid geen sprake is en dat verweerder [eiser 1] een WW-uitkering blijvend en geheel had moeten weigeren conform de hoofdregel als neergelegd in artikel 27, eerste lid, van de WW. Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen andere beslissing mogelijk is, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal daarbij, onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde (gedeelte van het) bestreden besluit. Verweerder hoeft derhalve geen nieuw besluit te nemen.

4. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die [eiser 1] en de werkgever voor de behandeling van hun beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft de rechtbank de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor zowel [eiser 1] als de werkgever vastgesteld op € 944,00. Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld. De door [eiser 1] verzochte reiskosten heeft de rechtbank berekend op basis van de kosten van openbaar vervoer, tweede klasse, en vastgesteld op € 23,68. Voorts dient verweerder de door [eiser 1] en de werkgever betaalde griffierechten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 967,68 te betalen aan [eiser 1];

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,- te betalen aan de werkgever;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41,- aan [eiser 1] te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 302,- aan de werkgever te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, voorzitter, mr. M. Zijp en mr. L.N. Nijhuis, leden, in aanwezigheid van mr. S.C. Jacobs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2013.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.