Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:BY8598

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
11/2025
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit hetzelfde dienstverband recht op wga-uitkering en ww-uitkering. Bezoldiging op grond van CAR/UWO 2 jaar doorbetaald. Voldaan aan nieuwe referteperiode. Toepassing van artikel 19, achtste lid, aanhef en onder c, van de WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2025

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 januari 2013 in de zaak tussen

Gemeente Texel, te Den Burg, eiseres,

(gemachtigde: mr. B.M. Dijkstra),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Alkmaar), verweerder,

(gemachtigde: mr. W.G.M. van Nieuwburg),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam werkneemster], te [woonplaats],

(gemachtigde: mr. R. Muurlink).

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder [naam werkneemster] (hierna: de werkneemster) meegedeeld dat zij per 4 april 2011 recht heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW).

Bij besluit van 29 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 29 april 2011 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Tevens is verschenen [naam 1] werkzaam bij de Afdeling Personeelszaken van de gemeente Texel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De werkneemster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder de werkneemster terecht een WW-uitkering heeft toegekend per 4 april 2011.

2. De rechtbank neemt de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

De werkneemster was werkzaam bij eiseres als [naam functie] gedurende 36 uur per week, verdeeld over vier dagen van 9 uur. Op 29 november 2007 is de werkneemster met psychische klachten uitgevallen voor haar werk als [naam functie].

Bij besluit van 27 april 2010 heeft verweerder aan de werkneemster per 24 januari 2009 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), een uitkering toegekend in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (hierna: WGA-uitkering). De duur van de WGA-uitkering is daarbij bepaald op 32 maanden, dus tot 24 september 2011.

Bij besluit van 16 maart 2011 is de werkneemster per 1 april 2011 ontslag verleend wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.

Eiseres is eigenrisicodrager voor de WIA en de WW. Alleen voor de WIA heeft eiseres het risico verzekerd.

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de werkneemster met ingang van 4 april 2011 recht heeft op een WW-uitkering. Het recht op een WW-uitkering ontstaat indien de werknemer in de 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid ten minste 26 weken als werknemer in de zin van de WW arbeid heeft verricht. Daarbij geldt als voorwaarde dat deze weken niet reeds in aanmerking zijn genomen bij het vaststellen van een recht op een WIA-uitkering. Na de ingangsdatum van de WGA-uitkering, 24 januari 2009, heeft de werkneemster bij eiseres tot 1 april 2011 werkzaamheden verricht en bezoldiging ontvangen. De periode na 24 januari 2009 is niet in aanmerking genomen bij de vaststelling van de WGA-uitkering, zodat de werkneemster aan de referte-eis voor de WW-uitkering voldoet. Bij de vaststelling van de duur van de WW-uitkering is het gehele arbeidsverleden van de werkneemster in aanmerking genomen.

4. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de werkneemster niet op grond van artikel 16 van de WW werkloos is geworden en dat zij daarom niet voor een WW-uitkering in aanmerking komt. De werkneemster is arbeidsongeschikt geworden voor haar functie van [naam functie] WWB en haar is per 24 januari 2009 een WGA-uitkering toegekend. Op die datum is het loonverlies en het arbeidsurenverlies ingetreden. In het kader van de re-integratie heeft de werkneemster weliswaar tijdelijke werkzaamheden verricht, maar dit betrof geen werk naar loonwaarde en de werkzaamheden zijn dan ook niet te beschouwen als arbeidsuren in de zin van artikel 16 van de WW. De werkneemster benutte haar verdienca-paciteit niet omdat eiseres geen passende functie voor haar had. De werkneemster had volgens eiseres ook geen recht op loon voor de uren die ze feitelijk werkte. Haar bezoldiging vloeide enkel voort uit artikel 7:3 van de CAR/UWO. Op 1 april 2011 was wel sprake van urenverlies, maar dit betrof de tijdelijke werkzaamheden. Het ontslag is de oorzaak van het verlies van de loondoorbetaling. Dit verlies wordt echter ‘ondervangen’ door de WGA-uitkering want het verlies is een gevolg van haar arbeidsongeschiktheid. Eiseres verwijst naar de Memorie van Toelichting bij de Regels omtrent de invoering en financiering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen alsmede met betrekking tot de intrekking van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Kamerstukken II 2004/2005, 30 118, nr. 3, bladzijde 57 en 58). Volgens eiseres is het de bedoeling van de wetgever dat de gedeeltelijke arbeidsongeschikte die een WGA-uitkering ontvangt en daarnaast zijn verdiencapaciteit benut, door de benutting van de verdiencapaciteit zijn WW-rechten opbouwt. Een aanwijzing voor de juistheid van haar betoog dat gekeken moet worden naar het soort werkzaamheden is volgens eiseres artikel 17a, tweede lid, van de WW waarin is bepaald dat voor vaststelling van de 26 weken slechts arbeid in aanmerking wordt genomen voor zover deze betrekking heeft op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en voor zover deze niet reeds heeft geleid tot het ontstaan van een WGA-uitkering. Het is niet de bedoeling van de wetgever dat eiseres die, in afwachting is van een ontslag wegens arbeidsongeschiktheid en de toekenning van een WGA-uitkering, een ambtenaar tijdelijk aan het werk houdt, zich geconfronteerd ziet met een te verhalen WW-uitkering. Nu de werkneemster niet werkloos is geworden in de zin van artikel 16 van de WW doet de referte-eis van artikel 17 WW niet ter zake, aldus eiseres.

5. Op grond van artikel 7:3, zesde lid, van de CAR/UWO heeft de ambtenaar recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging over de uren waarop hij:

a. zijn arbeid verricht;

b. passende arbeid verricht;

c. werkzaamheden in het kader van zijn re-integratie verricht;

d. scholing volgt in het kader van zijn re-integratie.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WW is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de WW wordt - voor zover van toepassing - onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.

6. Anders dan eiseres heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat de werkneemster per 1 april 2011 wel op grond van artikel 16 WW werkloos is geworden. Op die datum heeft zij vanwege het verleende ontslag haar arbeidsuren verloren. Zij heeft tot de datum van ontslag 36 uur per week gewerkt. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat op 1 april 2011 geen sprake was van een relevant verlies aan arbeidsuren omdat de werkneemster destijds tijdelijke werkzaamheden verrichtte en niet in haar eigen functie als [naam functie] werkzaam was. De rechtbank ziet voor het standpunt van eiseres geen aanknopingspunten in de wet. Voldoende is dat de werkneemster arbeid verrichtte.

Ook heeft de werkneemster tot aan haar ontslag haar volledige bezoldiging ontvangen. Derhalve is met het ontslag per 1 april 2011 sprake van loonverlies. Dat de bezoldiging voortvloeide uit artikel 7:3 van de CAR/UWO, maakt dit niet anders.

Nu voorts gezien de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werkneemster, zij per april 2011 beschikbaar was om arbeid te aanvaarden, is voor de werkneemster het recht op een WW-uitkering per 4 april 2011 (zijnde de maandag volgend op 1 april 2011) ontstaan.

7. Vervolgens dient beoordeeld te worden of het recht op een WW-uitkering ook geldend gemaakt kan worden. Dit recht kan niet geldend worden gemaakt als een uitsluitingsgrond van toepassing is.

8. Ingevolge artikel 19, eerste lid, onder b, van de WW heeft de werknemer die een arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel een loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten ontvangt op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen geen recht op uitkering.

Ingevolge artikel 19, achtste lid, aanhef en onder c, van de WW is het eerste lid, onderdeel b, niet van toepassing op de werknemer wiens werkloosheid is ontstaan na het ontstaan van het recht op de loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

9.1. De rechtbank stelt vast dat de werkneemster per 24 januari 2009 een WGA-uitkering ontvangt. Vervolgens is zij is per 1 april 2011 ontslagen en per 4 april 2011 is haar een WW-uitkering toegekend.

9.2. De rechtbank oordeelt dat de werkloosheid van de werkneemster is ontstaan na het ontstaan van het recht op de WGA-uitkering, zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 19, achtste lid, aanhef en onder c, van de WW en de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW daarom niet op haar van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank is de tekst van voornoemde bepalingen voldoende duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om eiseres te volgen in haar standpunt dat de wet moet worden uitgelegd naar de bedoeling van de wetgever (wat daar overigens ook van zij).

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Liefting-Voogd, voorzitter, mr. N.O.P. Roché, en mr. W.B. Klaus, leden, in aanwezigheid van D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2013.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.