Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9983

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-10-2013
Datum publicatie
28-10-2013
Zaaknummer
AWB-12_536
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invorderingsbesluit. Aan eiseres zijn meerdere - onherroepelijke - lasten onder dwangsom opgelegd. In de lasten zijn - onder meer - voorschriften van de aan eiseres verleende milieuvergunning gehandhaafd. Verweerder heeft bij het invorderingsbesluit € 4.250,00 aan verbeurde dwangsommen van eiseres ingevorderd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3208
JAF 2013/379 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 12/536

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 oktober 2013 in de zaak tussen

de besloten vennootschap [naam 1], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigden: mr. M.W. Rijkhold Meesters en mr. A.H. Gaastra),

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2011 (het primaire besluit, bij verweerder geregistreerd onder nummer 2011-28245) heeft verweerder € 4.250,00 aan verbeurde dwangsommen van eiseres ingevorderd.

Bij besluit van 18 januari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar voor zover gericht tegen aan eiseres bij besluiten van 11 mei 2010 en 26 november 2010 opgelegde lasten onder dwangsom niet-ontvankelijk verklaard en voor zover gericht tegen het besluit van 1 juni 2011 gegrond verklaard en het besluit van 1 juni 2011 deels herroepen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2],[naam 3] en haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Speekenbrink,[naam 4] en [naam 5].

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1.1 Eiseres exploiteert een vetveredelingsbedrijf aan[adres] in[plaats].

1.2 Bij besluit van 11 mei 2010 (geregistreerd onder nummer 2010-31638) heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift – voor zover hier nog van belang – 1.4 [lees 1.4.1] van de voor de inrichting op 7 augustus 2009 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning. De last houdt in dat moet worden voldaan aan voorschrift 1.4.1 van de milieuvergunning. Aan de last is een dwangsom verbonden van € 2.000,- per week per geconstateerde overtreding van voorschrift 1.4 [lees 1.4.1], met een maximum van € 20.000,- (€ 250,- per onderdeel (van a t/m h) per week).

1.3 Bij besluit van 26 november 2010 (geregistreerd onder nummer 2010-68871) heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschriften 5.1.3, 5.1.4 en 5.1.1 van de milieuvergunning. De last houdt in dat moet worden voldaan aan voorschriften 5.1.3, 5.1.4 en 5.1.1 van de milieuvergunning. Aan de last is een dwangsom verbonden van € 500,- per week per geconstateerde overtreding van voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van de vergunning met een maximum van € 5.000,- en van € 1.750 per week per geconstateerde overtreding van voorschrift 5.1.1 van de vergunning met een maximum van € 17.500,-.

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten tot invordering van verbeurde dwangsommen. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat tijdens een controlebezoek op 10 mei 2011 door toezichthouders van de unit Handhaving industrie, sector Handhaving, is geconstateerd dat de voorschriften 4.1.1, 5.1.3, 5.1.4 en 5.1.1 van de milieuvergunning werden overtreden.

3.

De rechtbank stelt vast en tussen partijen is niet in geschil dat tegen de lasten onder dwangsom van 11 mei 2010 en 26 november 2010 niet tijdig rechtsmiddelen zijn aangewend. In de onderhavige procedure over de invorderingsbeschikking dient de rechtbank dan ook uit te gaan van de juistheid, naar inhoud en wijze van totstandkoming, van deze handhavingsbesluiten. Uitsluitend het besluit op bezwaar over de invordering kan nog ter discussie staan.

4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen de hiervoor aangehaalde handhavingsbesluiten. Voor zover eiseres betwist dat haar bezwaar tegen deze besluiten was gericht en haar bezwaar in zoverre dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, volgt de rechtbank haar daarin niet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres in de gronden van bezwaar een aantal maal expliciet is opgekomen tegen de lasten onder dwangsom, bijvoorbeeld waar zij stelt dat de opgelegde lasten niet voldoen aan de wettelijke eisen die daaraan worden gesteld. Ook de stelling van eiseres dat artikel 5:32b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet toelaat dat een dwangsom wordt verbeurd per tijdseenheid per overtreding is gericht tegen de handhavingsbesluiten als zodanig. Gelet hierop heeft verweerder het bezwaar, voor zover gericht tegen de handhavingsbesluiten, dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5.1

Eiseres betoogt dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd omdat verweerder voor de motivering van het besluit uitsluitend heeft verwezen naar het advies van de Hoor- en adviescommissie (hierna: Adviescommissie) van 24 november 2011. In dat advies heeft de Adviescommissie verweerder geadviseerd het primaire besluit voor wat betreft de geconstateerde overtreding van voorschrift 5.1.1 van de milieuvergunning, opgenomen in de last onder dwangsom van 26 november 2010, te verduidelijken. Aan het advies is in het bestreden besluit geen uitvoering gegeven.

5.2

Tijdens de controle op 10 mei 2011 is door toezichthouders van de Unit Handhaving industrie, sector Handhaving – onder meer – geconstateerd dat de shredder in de shredderhal niet in proces was en dat de containers met afval en alle troep en viezigheid die daar op de vloer lagen stank veroorzaakten. Verder is geconstateerd dat er geen maatregelen werden getroffen om dit proces in te sluiten en stankoverlast te reduceren. Daarbij is opgemerkt dat de daarvoor aanwezige zeilen open hingen en dat er geen personeel aanwezig was. Verweerder heeft naar aanleiding van deze constatering geconcludeerd dat niet was voldaan aan de last onder dwangsom van 26 november 2010, meer in het bijzonder aan voorschrift 5.1.1 van de milieuvergunning. Naar aanleiding van de bezwaargrond van eiseres dat het niet afsluiten van de zeildoeken rond de shredderhal geen overtreding van voorschrift 5.1.1 van de vergunning behelst, heeft de Adviescommissie verweerder geadviseerd de hiervoor aangehaalde en in het primaire besluit opgenomen constatering te verduidelijken.

5.3

De door de Adviescommissie geadviseerde verduidelijking in het bestreden besluit is niet gegeven. De rechtbank ziet hierin evenwel geen reden het bestreden besluit te vernietigen. De overtreding is namelijk niet gelegen in de omstandigheid dat de aanwezige zeilen niet waren gesloten, maar in de omstandigheid dat (afval)stoffen niet ingesloten of afgedekt werden gehouden, zodanig dat daarmee het vrijkomen van geurhoudende dampen werd voorkomen dan wel, indien voorkomen redelijkerwijs niet mogelijk was, het vrijkomen zoveel mogelijk werd beperkt, zoals verwoord in voorschrift 5.1.1 van de milieuvergunning. De rechtbank overweegt verder dat ook de omstandigheid dat verweerder wegens overtreding van voorschrift 5.1.1 van de milieuvergunning eenmaal € 1750,- heeft ingevorderd, terwijl in het besluit zes constateringen zijn opgenomen van overtreding van dit voorschrift, welke elk op zichzelf tot een invordering van dat bedrag hadden kunnen leiden, geen aanleiding geeft tot vernietiging van het bestreden besluit over te gaan. Daartoe bestaat eerst aanleiding indien geen van de constateringen stand kan houden. Daarvan is, gelet op de overwegingen hierna onder 10.1 en verder, geen sprake.

6.

Voor zover eiseres aanvoert dat verweerder zich met betrekking tot de constateringen slechts bedient van subjectieve waarnemingen en dat zonder nadere omschrijving en eventuele analyses niet kan worden gesteld wat de toezichthouders precies hebben waargenomen, overweegt de rechtbank het volgende. Vaststaat dat de toezichthouders van hun constateringen geen afzonderlijk verslag hebben opgesteld, maar dat zij hun waarnemingen hebben opgetekend in het primaire besluit, waarin ook de conclusies die aan die constateringen zijn verbonden, zijn neergelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de in het besluit neergelegde constateringen afdoende geobjectiveerd. Daartoe is van belang dat de waarnemingen door twee toezichthouders, werkzaam bij de unit Handhaving industrie, sector Handhaving, zijn gedaan en door hen schriftelijk zijn vastgelegd. Uit de beschrijving van de constateringen blijkt waar deze zijn gedaan en verder zijn de waarnemingen veelal met foto’s onderbouwd. Gelet daarop volgt de rechtbank eiseres niet. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank tevens dat ter zitting bij de hoorcommissie, in het verweerschrift en ter zitting bij de rechtbank verdergaand inzicht is gegeven in de werkwijze van de toezichthouders en dat de afzonderlijke constateringen en de daaraan verbonden conclusies daar(in) ook nader zijn toegelicht en verduidelijkt.

7.

Eiseres stelt dat als gevolg van de gekozen formulering van de lasten onder dwangsom niet kan worden vastgesteld dat dwangsommen zijn verbeurd en dat het besluit om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.

Voor zover eiseres daarmee betoogt dat de lasten niet handhaafbaar zijn omdat daarin vage normen zijn opgenomen, overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel in de handhavingsbesluiten ruim geformuleerde normen zijn opgenomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat op grond daarvan tussen redelijk denkende mensen discussie zou ontstaan over de vraag of de lasten zijn overtreden. Het betoog van eiseres faalt derhalve in zoverre.

Voor zover eiseres verder stelt dat, gelet op de modaliteit van de lasten, niet kan worden vastgesteld dat de lasten zijn overtreden, kan zij daarin evenmin worden gevolgd. Gezien bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ1261), is de formulering van de lasten zoals hier aan de orde, waarbij de hoogte van de dwangsom per constatering gelijk is aan het te verbeuren submaximum per week of per dag, immers gelijk te stellen met een bedrag per tijdseenheid (van een week, dan wel een dag) waarin de last niet is uitgevoerd. Gelet daarop is ook niet pas sprake van verbeurte van de dwangsom als het niet nakomen van de last de gehele week, dan wel de gehele dag heeft voortgeduurd. Bepalend is of de geconstateerde overtredingen op enig moment gedurende de gegeven tijdseenheid hebben plaatsgevonden.

8.1

Bij besluit van 11 mei 2010 (geregistreerd onder nummer 2010-31638) is eiseres gelast om de overtreding van voorschrift 1.4.1 van de milieuvergunning te beëindigen en beëindigd te houden.

In voorschrift 1.4.1 van de milieuvergunning is bepaald dat de inrichting schoon moet worden gehouden en in goede staat van onderhoud moet verkeren.

8.2

Tijdens de controle op 10 mei 2011 is door de toezichthouders waargenomen dat in de vetsmelterij (gebouw 4), direct links van de ingang, vanuit een tankwagen vloeibare olie/vet werd gelost in de verzamelbak, waarbij een aansluitpunt van de tankwagen permanent lekte en geen maatregelen werden genomen dit tegen te gaan of op te vangen.

Verder is waargenomen dat in de shredderhal direct tegenover de vetsmelterij de gehele hal bezaaid lag met uitgestroomde, gelekte natte en stinkende afvalstoffen. Er werden geen maatregelen getroffen om de situatie te herstellen naar een schone en ordelijke situatie.

Op grond van deze waarneming stelt verweerder dat sprake is van een overtreding van voorschrift 1.4.1 van de milieuvergunning en dus van de bij besluit van 11 mei 2010 opgelegde last.

8.3

De rechtbank stelt vast dat eiseres de hiervoor onder 8.2 opgenomen waarnemingen van de toezichthouders niet heeft betwist. Het betoog van eiseres dat verweerder op basis van de waarnemingen ten onrechte heeft geconcludeerd dat voorschrift 1.4.1 van de milieuvergunning is overtreden, faalt. De stelling van eiseres in dit verband dat voorschrift 1.4.1 slechts een vangnetbepaling is en dat dit voorschrift gelet op de formulering daarvan niet handhaafbaar is, houdt geen verband met het invorderingsbesluit, maar richt zich tegen de formulering van de opgelegde last en/of het in de milieuvergunning opgenomen voorschrift, en had tegen die besluiten moeten worden aangevoerd. In deze procedure is voor deze stelling geen plaats.

Rekening houdend met de aard van het bedrijf, gelet op de waarnemingen van de toezichthouders en met inachtneming van de foto’s die ter onderbouwing van de waarnemingen zijn overgelegd, is naar het oordeel van de rechtbank de overtreding van de last onder dwangsom van 11 mei 2010, meer in het bijzonder voorschrift 1.4.1 van de milieuvergunning, voldoende vast komen te staan. Dit betekent ook dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat de waarnemingen enkel zien op het morsen van stoffen, zoals door eiseres in de gronden van haar beroep is gesteld.

8.4

Ten aanzien van het betoog van eiseres dat de in de last onder dwangsom van 11 mei 2010 genoemde overtreding onder A, bij e, enkel ziet op de situatie in en om de vetsmelterij en dus niet bij de shredderhal, zodat geen dwangsom is verbeurd, overweegt de rechtbank het volgende. In de last onder dwangsom van 11 mei 2010 is onder A, bij e, weliswaar specifiek aangegeven dat in en om de vetsmelterijen er netter en ordelijker dient te worden gewerkt en dat troep en rotzooi gelijk dienen te worden opgeruimd, maar nog daargelaten dat verweerder afdoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de shredderruimte zo dichtbij de oude smelterij staat dat met de term “in en om de vetsmelterijen” ook wordt gedoeld op de shredderruimte, is eiseres bij het besluit gelast de overtreding van voorschrift 1.4.1 van de milieuvergunning te beëindigen en beëindigd te houden. En dit voorschrift ziet op de hele inrichting. Het betoog van eiseres faalt derhalve.

9.1

Bij besluit van 26 november 2010 (geregistreerd onder nummer 2010-68871) is eiseres gelast om de overtredingen van voorschriften 5.1.3 en 5.1.4 van de milieuvergunning te beëindigen en beëindigd te houden.

Op grond van voorschrift 5.1.3 van de milieuvergunning dienen, onverlet het bepaalde in de voorgaande twee voorschriften, de deuren en ramen van de vetsmelterij op de onderstaande tijden gesloten te zijn; deuren mogen dan uitsluitend kortstondig geopend zijn voor het doorlaten van personen en goederen:

˗ bij aanvang van het smelten;

˗ gedurende het smelten;

˗ één uur na beëindiging van het smelten.

Op grond van voorschrift 5.1.4 van de milieuvergunning dient er een toereikende registratie te worden bijgehouden waarin het in het voorgaande voorschrift vermelde is opgenomen.

9.2

Tijdens de controle op 10 mei 2011 is geconstateerd dat na het lossen uit de tankwagen de deuren van de vetsmelterij (gebouw 4) niet kortstondig open stonden voor het onmiddellijk doorlaten van mensen of goederen, maar langdurig en schijnbaar nodeloos. In de smeltbak werd vloeibaar borrelend vet gezien, wat aangeeft dat het smeltproces gaande was.

Op grond van deze constatering stelt verweerder dat sprake is van een overtreding van voorschriften 5.1.3 en 5.1.4 van de milieuvergunning en dus van de bij besluit van
26 november 2010 opgelegde last.

9.3

De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft betwist dat de deuren van de vetsmelterij langer dan slechts kortstondig voor het doorlaten van goederen en personen openstonden. Evenmin is betwist dat sprake was van borrelend vet. De stelling van eiseres dat binnen haar inrichting niet (meer) wordt gesproken over het smelten van vetten omdat veel van de aangeleverde vetten reeds vloeibaar zijn, doet aan de hiervoor onder 9.2 opgenomen constatering niet af. Immers, de op aanvraag vergunde situatie betreft die van (een) vetsmelterij(en), waar dierlijke- en plantaardige vetten en oliën worden gesmolten. Dit omvat mede het lichtelijk en substantief verwarmen van vetten die reeds vloeibaar zijn om de verpompbaarheid te verbeteren.

Rekening houdend met de aard van het bedrijf, gelet op de waarnemingen van de toezichthouders en met inachtneming van de foto’s die ter onderbouwing van de waarnemingen zijn overgelegd, is naar het oordeel van de rechtbank de overtreding van de last onder dwangsom van 11 mei 2010, meer in het bijzonder de voorschriften 5.1.3 en 5.1.4 van de milieuvergunning, voldoende vast komen te staan. Bij haar oordeel heeft de rechtbank tevens betrokken de nadere toelichting van de toezichthouders, neergelegd in het verweerschrift, dat het smeltproces onmiskenbaar aan de gang was op het moment van deze constatering. Ter zitting is verduidelijkt dat het smeltproces werd geconstateerd aan de hand van de aanwezigheid van vloeibare vetten in de smeltbak, de uitstraling van warmte vanuit de bak en bellenbanen in de aanwezige vloeistoffen.

10.1

Bij besluit van 26 november 2010 (geregistreerd onder nummer 2010-68871) is eiseres gelast om de overtredingen van voorschrift 5.1.1 van de milieuvergunning te beëindigen en beëindigd te houden.

Op grond van artikel 5.1.1 moeten de binnen de inrichting aanwezige (afval-)stoffen bij opslag, transport, bewerking en verwerking zodanig worden ingesloten en/of afgedekt dat daarmee het vrijkomen van geurhoudende dampen, eventueel na reiniging, wordt voorkomen dan wel indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is zoveel als mogelijk wordt beperkt.

10.2

Tijdens de controle op 10 mei 2011 is geconstateerd dat:

- de shredder in de shredderhal niet in proces was. De troep en viezigheid die daar op de vloer lagen en de containers met afval veroorzaakten stank. Er werden geen maatregelen getroffen om deze ruimte in te sluiten en stankoverlast te reduceren. De daarvoor aanwezige zeilen hingen open. Hier was geen personeel aanwezig.

- bij de oude vetsmelterij er twee grote blauwe containers stonden, waarvan een niet was afgedekt en waar er stank bij vrijkwam.

- de deur van de ruimte waarin de DAF-unit staat opgesteld en waar enorme stank vanaf kwam nodeloos en langdurig openstond.

- de deksel van een van de slibputten niet op de put lag om deze af te dekken en te voorkomen dat er stank vrij komt maar er, kennelijk zonder directe noodzaak, naast lag.

- de swillverwerkingshal een technische storing had, waardoor het product overstroomde en er heel veel stank vrij kwam omdat alle deuren van deze hal onnodig openstonden. Er werd geen maatregel getroffen om deze hal in te sluiten om stankoverlast te reduceren.

- het grote open bassin, bedoeld voor regenwater, maar waar ook stank bij vrijkwam, niet was afgedekt en/of leeggehaald.

Op grond van deze waarnemingen stelt verweerder dat sprake is van een overtreding van voorschrift 5.1.1 van de milieuvergunning en dus van de bij besluit van 26 november 2010 opgelegde last. De rechtbank stelt vast dat verweerder naar aanleiding van de hier aangehaalde constateringen eenmaal een dwangsom van € 1.750,- heeft ingevorderd. Dit betekent dat de invordering in zoverre alleen geen stand kan houden indien geen van de constateringen houdbaar blijkt.

10.4

De rechtbank stelt vast dat eiseres de waarneming met betrekking tot de shredder(hal) niet heeft betwist en overweegt dat op grond van deze waarneming en met inachtneming van de foto die ter onderbouwing van de waarneming is overgelegd de overtreding van de last onder dwangsom van 26 november 2010, meer in het bijzonder voorschrift 5.1.1. van de milieuvergunning, voldoende is vast komen te staan. De stelling van eiseres ter zitting dat de shredderhal is voorzien van een vloeistofkerende vloer en dat de shredder zelf een afgesloten systeem betreft, houdt geen verband met de geconstateerde overtreding en kan daaraan dan ook niet afdoen. Ook de stelling van eiseres dat de omstandigheid dat toezichthouders hebben geconstateerd dat materialen in de shredderhal stank veroorzaken, nog niet maakt dat er sprake is van stankoverlast, kan aan het voorgaande niet afdoen. De last ziet immers niet op het voorkomen van (een bepaalde mate van) stankoverlast, maar op het ingesloten of afgedekt houden van stoffen om het vrijkomen van geurhoudende dampen te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken.

10.5

Eiseres heeft evenmin betwist dat een van de blauwe containers niet was afgedekt en dat daaruit stank vrijkwam. De rechtbank overweegt dat op grond van deze waarneming en met inachtneming van de foto die ter onderbouwing van deze waarneming is overgelegd de overtreding van de last onder dwangsom van 26 november 2010, meer in het bijzonder voorschrift 5.1.1. van de milieuvergunning, voldoende is vast komen te staan. De stelling van eiseres dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het vrijkomen van geurhoudende dampen te beperken en dat derhalve geen sprake is van een overtreding, volgt de rechtbank niet, nu uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd niet volgt dat de blauwe container in afwachting van verwerking redelijkerwijs niet kon worden afgedekt.

10.6

Eiseres heeft niet bestreden dat de deur van de ruimte waarin de DAF-unit staat opgesteld langdurig openstond en dat er een enorme stank vanaf kwam. Zij bewist evenmin de constatering dat er uit de swillverwerkingshal heel veel stank vrijkwam omdat alle deuren van de hal openstonden. Rekening houdend met de aard van het bedrijf, gelet op de waarnemingen van de toezichthouders en met inachtneming van de foto’s die ter onderbouwing van de waarnemingen zijn overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de overtreding van de last onder dwangsom van 26 november 2010, meer in het bijzonder voorschrift 5.1.1. van de milieuvergunning, voldoende is vast komen te staan. Bij haar oordeel heeft de rechtbank tevens betrokken de nadere toelichting van de toezichthouders ter zitting dat met name de DAF-unit een grote stankbron is en dat is geconstateerd dat de deur van deze stankbron niet is dichtgehouden.

Het betoog van eiseres ter zitting dat de constateringen niet kunnen worden aangemerkt als overtredingen van het handhavingsbesluit van 26 november 2010, meer in het bijzonder voorschrift 5.1.1 van de milieuvergunning, omdat het voorschrift niet met zoveel woorden het gesloten houden van deuren vereist, faalt, nu die verplichting in de algemene bewoordingen waarin het voorschrift is opgesteld, wel kan worden gelezen.

10.7

Eiseres heeft niet bestreden dat tijdens het controlebezoek een van de deksels zich niet op de slibput bevond, maar ter zitting aangegeven dat hiervoor een reden bestond. De put werd op dat moment leeggezogen. De omstandigheid dat de vrachtwagen die daarvoor werd gebruikt op dat moment niet in het zicht was, wil niet zeggen dat er geen sprake was van werkzaamheden die rechtvaardigen dat de deksel zich niet op de put bevond op het moment dat de toezichthouders binnen de inrichting waren. Eiseres heeft zich concluderend op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake was van een directe noodzaak voor het niet afgesloten zijn van de put. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank echter geen grond voor het oordeel dat, gelet op de waarnemingen van de toezichthouders en met inachtneming van de foto die ter onderbouwing van deze waarnemingen is overgelegd, de overtreding van de last onder dwangsom van 26 november 2010, meer in het bijzonder de overtreding van voorschrift 5.1.1 van de milieuvergunning, niet afdoende is komen vast te staan. Daartoe is van belang dat de rechtbank de zinsnede “kennelijk zonder directe noodzaak” in de waarneming van de toezichthouders aldus begrijpt dat ook ingeval er sprake zou zijn geweest van werkzaamheden aan de put, zoals door eiseres ter zitting is gesteld, niet valt in te zien waarom de putdeksel bij het tijdelijk staken van die werkzaamheden niet tussentijds op de put is gelegd om deze af te sluiten.

10.8

Eiseres heeft ten slotte evenmin betwist dat het regenwaterbassin niet was afgedekt. Voor zover eiseres met haar stelling ter zitting dat de constatering dat er uit dit regenwaterbassin stank vrijkwam subjectief moet worden geacht, de waarneming beoogt te betwisten, kan dit niet slagen. Daartoe wijst de rechtbank allereerst naar hetgeen hiervoor onder 6 is overwogen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de overtreding van de last onder dwangsom van 26 november 2010, meer in het bijzonder voorschrift 5.1.1 van de milieuvergunning, voldoende is vast komen te staan. Daarbij heeft de rechtbank tevens betrokken de stelling van verweerder in het verweerschrift, welke door eiseres onbetwist is gelaten, dat een medewerker van eiseres tegenover de inspecteurs van het Hoogheemraadschap Rijnland heeft verklaard dat het regenwaterbassin wordt gebruikt als opvangbassin voor proceswater.

11.

Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd tot invordering van een totaalbedrag van € 4.250,-. Dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien, is gesteld noch gebleken.

12.

Het beroep is ongegrond.

13.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. M. Kraefft en
mr. drs. B. Veenman, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2013.

griffier voorzitter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.