Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9982

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
28-10-2013
Zaaknummer
AWB 12-1720
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk. Mondelinge zienswijze. Niet in geschil is dat eiser gedurende de zienswijzetermijn telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van verweerder en dat deze eiser tijdens dat gesprek heeft meegedeeld dat niet hij maar een andere medewerker over het peilbesluit gaat. Verweerder bestrijdt dat eiser tegenover de eerste medewerker bezwaren tegen het ontwerp-peilbesluit heeft geuit. Gelet hierop lag het op de weg van eiser om een begin van bewijs over te leggen van zijn stelling dat hetgeen hij in het gesprek met de eerste medewerker van verweerder naar voren heeft gebracht, had moeten worden aangemerkt als een mondelinge zienswijze. Nu eiser hiervoor geen bewijs heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat hij binnen de zienswijzetermijn tegenover de eerste medewerker van verweerder een mondelinge zienswijze naar voren heeft gebracht over het ontwerp-peilbesluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1720

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 oktober 2013 in de zaak tussen

[naam 1], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. Dijkstra),

en

het college van hoofdingelanden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, verweerder (gemachtigden: M. Bregman en J.M. Zijp).

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2012 (het peilbesluit) heeft verweerder de waterpeilen in de Vier Noorder Koggen, deel Sijbekarspel, vastgesteld voor de aangegeven peilgebieden zoals beschreven in de peilentabel en kaart SR10_602 behorende bij dit besluit.

Eiser heeft tegen het peilbesluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2013. Eiser is verschenen. De gemachtigde van eiser is – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover hier van belang, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage.

Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Awb kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren brengen.

Ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken, tenzij bij wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.

Ingevolge artikel 3:16, tweede lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 3:16, derde lid, van de Awb zijn op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen de artikelen 6:9 en 6:10 van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan tegen een besluit geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze over het ontwerp van dit besluit naar voren heeft gebracht.

2.

Vaststaat dat het watergebiedsplan en de ontwerpbesluiten vanaf 14 maart 2011 ter inzage zijn gelegd. In de kennisgeving van het watergebiedsplan en de ontwerpbesluiten staat het volgende vermeld: “Het watergebiedsplan en de ontwerpbesluiten liggen van 14 maart tot en met 24 april 2011 ter inzage. U kunt gedurende deze termijn van terinzagelegging uw zienswijze geven op het watergebiedsplan en de ontwerpbesluiten. De zienswijze moet worden ingediend bij het college van dijkgraaf en hoogheemraden (…) onder vermelding van de naam van het peilbesluit en de behandelend ambtenaar, [naam 2]. U kunt uw zienswijze eventueel ook mondeling toelichten als u dat wenst.”

Gelet op het bepaalde in artikel 3:16, eerste lid, van de Awb in samenhang met de Algemene termijnenwet kon daarover derhalve tot en met 25 april 2011 een zienswijze naar voren worden gebracht.

3.

Verweerder betoogt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, omdat eiser gedurende de zienswijzetermijn geen zienswijze over het ontwerp-peilbesluit naar voren heeft gebracht.

4.1

Eiser betoogt allereerst dat hij tijdens een informatieavond die op 10 maart 2011 – en daarmee voorafgaand aan de zienswijzetermijn – over het ontwerp-peilbesluit werd gehouden mondeling zijn bezwaren tegen het ontwerp-peilbesluit heeft geuit tegenover
[naam 3] en [naam 4], medewerkers van verweerder. Op grond van het bepaalde in artikel 3:16 in samenhang bezien met artikel 6:10, eerste lid, van de Awb dient niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep dan ook achterwege te blijven.

4.2

De rechtbank overweegt dat de artikelen 6:9 en 6:10 van de Awb, gelet op artikel 3:16, derde lid, van de Awb, uitsluitend van overeenkomstige toepassing zijn op schriftelijke zienswijzen die voortijdig naar voren zijn gebracht, zodat eisers betoog reeds hierom faalt.

5.1

Eiser stelt verder dat hij gedurende de zienswijzetermijn telefonisch bezwaren tegen het ontwerp-peilbesluit heeft geuit tegenover [naam 2] en[naam 5], medewerkers van verweerder.

5.2

De rechtbank stelt voorop dat een rechtzoekende een risico neemt als hij ervoor kiest mondeling zienswijzen naar voren te brengen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – zie bijvoorbeeld de uitspraak van

1 februari 2012, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2428 – is het dan aan de rechtzoekende om aan te tonen dat hij daadwerkelijk en tijdig een mondelinge zienswijze naar voren heeft gebracht over het ontwerpbesluit.

5.3

Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat hij gedurende de zienswijzetermijn telefonisch contact heeft gehad met [naam 2] en dat hij tijdens dat contact tegenover haar een mondelinge zienswijze over het ontwerp-peilbesluit naar voren heeft gebracht. De enkele stelling daartoe van eiser, die ter zitting overigens niet meer is ingenomen, acht de rechtbank onvoldoende.

5.4

Niet in geschil is dat eiser gedurende de zienswijzetermijn telefonisch contact heeft gehad met[naam 5] en dat laatstgenoemde eiser tijdens dat gesprek heeft meegedeeld dat niet hij maar [naam 3] over het peilbesluit gaat.

Verweerder bestrijdt evenwel dat eiser tegenover[naam 5] bezwaren tegen het ontwerp-peilbesluit heeft geuit.

Gelet hierop lag het op de weg van eiser om een begin van bewijs over te leggen van zijn stelling dat hetgeen hij in het gesprek[naam 5] naar voren heeft gebracht, had moeten worden aangemerkt als een mondelinge zienswijze. Nu eiser hiervoor geen bewijs heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat eiser evenmin heeft aangetoond dat hij binnen de zienswijzetermijn tegenover[naam 5] een mondelinge zienswijze naar voren heeft gebracht over het ontwerp-peilbesluit.

5.5

Ook dit betoog van eiser faalt.

6.1

Eiser voert ten slotte aan dat verweerder hem eind augustus 2011 heeft verzocht om zijn bezwaren schriftelijk kenbaar te maken. Eiser stelt dat zijn zienswijze op
24 augustus 2011 bij verweerder is besproken en dat hij zijn zienswijze in het bijzijn van een medewerker van verweerder diezelfde dag op schrift heeft gesteld.

6.2

Verweerder heeft ter zitting aangegeven niet te kunnen bevestigen dat eiser eind augustus 2011 is verzocht om zijn bezwaren kenbaar te maken. Volgens verweerder heeft eerst naar aanleiding van eisers brief van 24 augustus 2011 een gesprek plaatsgevonden.

6.3

De rechtbank vindt in de gedingstukken steun voor het standpunt van verweerder. De rechtbank stelt vast dat eiser op 24 augustus 2011 schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen het peilbesluit en dat eiser in dit schrijven refereert aan de mondelinge bezwaren die hij tijdens de informatieavond van 10 maart 2011 tegenover [naam 3] en [naam 4] tegen het ontwerp-peilbesluit heeft geuit. In de brief van 24 augustus 2011 staat onder meer vermeld: “Voorts wil ik gehoord worden. (…) Ik heb dit bezwaar gemaakt omdat ik niks hoor van mijn mondelinge bezwaren.”

De rechtbank stelt voorts vast dat eiser vervolgens op 20 oktober 2011 door verweerder is gehoord en zijn zienswijzen tijdens dat gesprek kenbaar heeft gemaakt. Tijdens het gesprek is ook een tekening gemaakt van de door eiser gewenste situatie.

6.4

De rechtbank concludeert dat eiser de brief van 24 augustus 2011 uit eigen beweging bij verweerder heeft ingediend, omdat hij geen reactie meer van verweerder had ontvangen naar aanleiding van de bezwaren die hij op de informatieavond van 10 maart 2011 mondeling tegenover twee medewerkers van verweerder had geuit.

Vaststaat dat eiser de brief van 24 augustus 2011 met daarin zijn zienswijze over het peilbesluit eerst na afloop van de zienswijzetermijn bij verweerder heeft ingediend.

Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser daarvan redelijkerwijs een verwijt worden gemaakt. De rechtbank neemt daarbij het navolgende in aanmerking. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij gedurende de zienswijzetermijn op aangeven van[naam 5] veelvuldig telefonisch contact heeft proberen te leggen met [naam 3], maar dat laatstgenoemde wegens ziekte telefonisch niet bereikbaar was. Gesteld noch gebleken is dat eiser vervolgens telefonisch contact heeft proberen te leggen met een andere medewerker van verweerder. Daarnaast is ter zitting komen vast te staan dat eiser geen kennis heeft genomen van de publicatie van 10 maart 2011 van de terinzagelegging van het ontwerp-peilbesluit met de daarbij behorende informatie inzake de mogelijkheid een zienswijze in te dienen. De omstandigheid dat eiser zijn bezwaren tegen het peilbesluit (daardoor) pas bij brief van
24 augustus 2011 kenbaar heeft gemaakt en ook pas toen bij verweerder is gaan navragen waarom hij niets van zijn mondelinge bezwaren hoorde, betreft een omstandigheid die onder de genoemde omstandigheden voor zijn rekening en risico dient te blijven.

6.5

Ook dit betoog van eiser slaagt niet.

7.

Uit het voorgaande volgt dat eiser geen zienswijze over het ontwerp-peilbesluit naar voren heeft gebracht alvorens beroep in te stellen tegen het peilbesluit. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat dit hem redelijkerwijs niet kan worden verweten.

8.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk.

9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. S.M. Auwerda en
mr. drs. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.