Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9981

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
28-10-2013
Zaaknummer
AWB-13_515
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende-begrip. Tegen een zuiver schadebesluit kan alleen ontvankelijk bezwaar worden gemaakt door degene die ook ontvankelijk bezwaar heeft gemaakt of had kunnen maken tegen het ‒ gestelde ‒ schadeveroorzakende besluit.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij het – gestelde – schadeveroorzakende besluit is aan te merken. Vaststaat dat eiseres ten tijde van het gestelde schadeveroorzakende besluit één van de aandeelhouders en geen bestuurder van de besloten vennootschap was. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het belang van de enig aandeelhouder tevens enig bestuurder zo verweven is met en parallel loopt met dat van de besloten vennootschap, dat deze is aan te merken als belanghebbende bij een besluit dat aan die besloten vennootschap is gericht (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1278). Dat ook in dit geval, waarin er naast eiseres nog één of meer andere aandeelhouders waren en eiseres geen bestuurder was, van een zodanige verwevenheid sprake is, is gesteld noch gebleken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/515

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 oktober 2013 in de zaak tussen

de besloten vennootschap [naam 1], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.J. de Boer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon, verweerder (gemachtigde: R.D. Boesveld).

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om schadevergoeding afgewezen op de grond dat zij niet als belanghebbende is aan te merken bij het – gestelde – schadeveroorzakende besluit van 24 december 2010.

Bij besluit van 18 februari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2013. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, vergezeld van [naam 3] Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, vergezeld van[medewerker].

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt bij de beoordeling de volgende, door partijen niet betwiste feiten als vaststaand aan.

Bij besluit van 24 december 2010 heeft verweerder [naam 2] een preventieve last onder bestuursdwang opgelegd in verband met het, zonder omgevingsvergunning, verlagen, afgraven, ophogen en/of egaliseren van gronden aan [straatnaam] te [plaats], kadastraal bekend als [kadastraal nummer]. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 februari 2011 heeft verweerder het besluit van 24 december 2010 ingetrokken.

Bij brief van 9 februari 2011 heeft eiseres verweerder verzocht om vergoeding van schade ten gevolge van het besluit van 24 december 2010.

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen.

2.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk is, omdat zij niet als belanghebbende bij het – gestelde ‒ schadeveroorzakende besluit van 24 december 2010 is aan te merken.

3.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2941) kan tegen een zuiver schadebesluit alleen ontvankelijk bezwaar worden gemaakt door degene die ook ontvankelijk bezwaar heeft gemaakt of had kunnen maken tegen het ‒ gestelde ‒ schadeveroorzakende besluit.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het – gestelde – schadeveroorzakende besluit van 24 december 2010 is aan te merken. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.2

Vaststaat dat eiseres ten tijde van het besluit van 24 december 2010 één van de aandeelhouders en geen bestuurder van [naam 2] was.

4.3

Uit vaste jurisprudentie volgt dat het belang van de enig aandeelhouder tevens enig bestuurder zo verweven is met en parallel loopt met dat van de besloten vennootschap, dat deze is aan te merken als belanghebbende bij een besluit dat aan die besloten vennootschap is gericht (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1278). Dat ook in dit geval, waarin er naast eiseres nog één of meer andere aandeelhouders waren en eiseres geen bestuurder was, van een zodanige verwevenheid sprake is, is gesteld noch gebleken.

4.4

Eiseres betoogt dat zij op een andere grond als belanghebbende bij het besluit van

24 december 2010 is aan te merken. Zij zou rechtstreeks in haar belangen worden geraakt door dat besluit, omdat zij als overtreder is aan te merken. Verweerder had het besluit van 24 december 2010 daarom (ook) aan haar bekend dienen te maken. In navolging van eiseres heeft ook verweerder zich in zijn verweerschrift van 23 mei 2013 alsmede ter zitting op het standpunt gesteld dat eiseres als overtreder is te beschouwen en om die reden als belanghebbende bij het besluit van 24 december 2010 is aan te merken.
De rechtbank volgt partijen hierin niet. De rechtbank neemt hierbij allereerst in aanmerking dat eiseres ten tijde van het besluit van 24 december 2010 niet bij verweerder bekend was, zodat verweerder heeft kunnen volstaan met het bekendmaken van dat besluit aan de wel bij hem bekende rechtspersoon [naam 2] Daarnaast wordt eiseres niet rechtstreeks in haar belangen geraakt door het besluit van 24 december 2010, reeds omdat dat besluit niet aan haar is gericht.

5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

6.

Het beroep is ongegrond.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Auwerda, voorzitter, mr. P.H. Lauryssen en
mr. drs. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.