Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9794

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
202656 / 13-1446
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vervangende toestemming verhuizing buitenland: afgewezen.(202656)

De moeder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar belang bij de verhuizing met de kinderen naar Curaçao zwaarder weegt dan het belang van de kinderen om in hun vertrouwde omgeving te blijven wonen en het belang van de vader, zoals in de beschikking is verwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/21.11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Familie & Jeugd

vervangende toestemming voor verhuizing / omgang

zaak-/rekestnr.: 202656/13-1446

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 25 september 2013

in de zaak van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats moeder],

hierna mede te noemen: de moeder,

advocaat mr. J. Veninga, kantoorhoudende te Velsen - Zuid,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats vader],

hierna mede te noemen: de vader,

advocaat mr. M. Heere–Helmink, kantoorhoudende te Rotterdam.

1 Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 12 juni 2013 en de daarin vermelde stukken;

- de brief van de bijzonder curator, mr. M.J.F.A. Mutsaers, van 22 juli 2013;

- de brief van de advocaat van de moeder van 2 augustus 2013;

- de brief van de bijzonder curator van 7 augustus 2013;

- de brief van 9 september 2013 van de advocaat van de moeder.

en het verhandelde ter terechtzitting op 10 september 2013 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten, en van de bijzonder curator mr. M.J.F.A. Mutsaers.

2 De verdere beoordeling

2.1

Bij beschikking van 12 juni 2013 heeft de rechtbank een bijzonder curator benoemd voor de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum minderjarige]. De rechtbank heeft een aantal vragen voor onderzoek door de bijzondere curator geformuleerd en haar verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek van de moeder in te nemen. De rechtbank heeft de voortzetting van de mondelinge behandeling van de zaak bepaald op 10 september 2013.

2.2

Het verzoek van de moeder strekte aanvankelijk tot verlening van vervangende toestemming om met de drie minderjarige kinderen van partijen, [minderjarigen] naar Curaçao te verhuizen. Na kennisneming van het rapport van de bijzondere curator heeft de moeder haar verzoek om vervangende toestemming voor[minderjarige 1] ingetrokken.

2.3

Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dient de rechtbank in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag over een kind een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, is gebleken dat de standpunten van partijen haaks op elkaar staan en zij niet tot een vergelijk kunnen komen.

2.4

Om een beslissing te kunnen nemen op het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming om met [minderjarige 2] en[minderjarige 3] naar Curaçao te verhuizen, dienen de belangen van de kinderen een eerste overweging van de rechtbank te vormen. Volgens vaste rechtspraak moeten bij de onderhavige beslissing alle omstandigheden in acht worden genomen en alle betrokken belangen worden afgewogen, waaronder:

- het recht en belang van de moeder en de vrijheid om haar leven opnieuw in te richten;

- de noodzaak voor de moeder om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de moeder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de vader te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de vader en de kinderen op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de kinderen en de vader voor en na de verhuizing;

- de leeftijd van de kinderen en de mate waarin zij geworteld zijn in hun omgeving.

2.5

De rechtbank neemt in een verzoek als het onderhavige als uitgangspunt dat het de moeder vrijstaat haar eigen leven te leiden op een door haar te kiezen wijze, en dat de kinderen daarbij in het algemeen de moeder ook volgen omdat zij in hoofdzaak bij haar verblijven. Hoewel de belangen van moeder, vader en kinderen daarbij niet altijd parallel lopen, wordt de moeder geacht -ook bij tegengestelde belangen- een zekere beslissingsvrijheid te hebben om te verhuizen.

Dit uitgangspunt leidt uitzondering in een geval als het onderhavige waarin de moeder van plan is naar het buitenland te verhuizen. Een verhuizing naar Curaçao maakt immers per definitie inbreuk op de plicht en het recht van de vader om [minderjarige 2] en[minderjarige 3] te verzorgen en op te voeden en op het recht van deze kinderen op frequente en fysieke omgang met de vader.

2.7

De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat een ouder in een ander land financieel mogelijk in een betere positie zal kunnen verkeren, nog niet meebrengt dat het in het belang van minderjarige kinderen van de ouder is, om met die ouder te verhuizen.

2.8

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en uit hetgeen is besproken op de zittingen van 6 juni en 10 september 2013 komt naar voren dat de verhuisplannen van moeder zijn ingegeven door haar wens en verwachting dat zij op Curaçao aan de kinderen een acceptabele levensstandaard kan bieden terwijl zij in Nederland is aangewezen op een bijstandsuitkering en haar financiële situatie nijpend is. De moeder heeft evenwel haar stelling dat het voor haar lastig zo niet onmogelijk is om in Nederland aan werk te komen dat past bij haar opleiding niet inhoudelijk onderbouwd. De toelichting op haar belang om zich -mede ten behoeve van de kinderen- op Curaçao een inkomen te verwerven laat immers onverlet de mogelijkheid dat zij hiertoe ook in Nederland in staat zou kunnen zijn. Benutting van die laatste mogelijkheid zou stroken met de belangen van de vader en de kinderen, omdat zij elkaar dan op een regelmatige basis kunnen blijven zien. De enkele wens van de moeder om met haar nieuwe partner en de kinderen op Curaçao een gezin te vormen, dient dan ook te wijken voor het zwaarwegender belang van de vader en de kinderen om de huidige zorgregeling, van drie c.q. twee weekeinden per maand te kunnen voortzetten.

2.9

Daarbij komt dat de rechtbank van oordeel is dat de vraag of na een verhuizing naar Curaçao het contact tussen de vader met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gewaarborgd is, ontkennend moet worden beantwoord. De kinderen zijn nu 5 en 4 jaar. De door de moeder voorgestelde regeling waarbij de kinderen de vakanties grotendeels in Nederland bij de vader zullen doorbrengen, is, gelet op de nog jonge leeftijd van de kinderen, onvoldoende regelmatig om het family life met de vader in stand te houden. Het voorstel van de moeder gaat er bovendien aan voorbij dat de kinderen, gelet op de reisafstand en het tijdverschil, bij de aanvang van iedere vakantieperiode geruime tijd nodig zullen hebben om om te schakelen naar een verblijf in Nederland. Voor deze jonge kinderen is het structureel onderhouden van contact met de vader via Skype of de telefoon (nog) geen optie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het van doorslaggevend belang voor de kinderen is dat de bestaande zorgregeling van drie c.q. twee weekeinden per maand wordt voortgezet om de band tussen vader en de kinderen in stand te houden en verder uit te bouwen.

2.10

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en na afweging van de betrokken belangen, is de rechtbank van oordeel dat de moeder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar belang bij de verhuizing met de kinderen naar Curaçao zwaarder weegt dan het belang van de kinderen om in hun vertrouwde omgeving te blijven wonen en het belang van de vader zoals hiervoor verwoord. Het verzoek van de moeder zal daarom worden afgewezen.

2.11

Omdat het verzoek van de moeder wordt afgewezen, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de (voorwaardelijke) verzoeken tot vaststelling van een zorgregeling.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1

Wijst het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing af.

3.2

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Dubois, voorzitter, mrs. J.F. Miedema en

C. Naarden, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Kroon, griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2013.

“Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden”.