Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9671

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
15/740034-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; diefstal door twee verenigde personen met geweld op een buschauffeur; verwerping verweer onrechtmatige doorzoeking; verwerping bewijsverweer; bewezenverklaring; vorderingen benadeelde partijen toegewezen; straftoemeting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740034-13

Uitspraakdatum: 9 oktober 2013

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 september 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem te Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.J.E.A. Rijssenbeek en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.J. Klock, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1, primair

hij op of omstreeks 28 maart 2013 te Heemskerk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met een inhoud van ongeveer 120 euro, althans enig geldbedrag en een geldbedrag van ongeveer 300 euro, althans enig geldbedrag en een onbekende hoeveelheid buskaarten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [busmaatschappij] en/of [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], in zijn hoedanigheid als buschauffeur, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader die [slachtoffer] verf, althans een vloeistof in het gezicht heeft/hebben gespoten;

feit 1, subsidiair

hij op of omstreeks 28 maart 2013 te Heemskerk tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) verf, althans een vloeistof in het gezicht heeft/hebben gespoten, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2 Bewijsmiddelverweer

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er is sprake van een onrechtmatige doorzoeking van het pand aan de [adres] te Heemskerk. Verbalisanten hebben in verband met de uithuisplaatsing van de zus van verdachte, met toestemming van die zus, het pand doorzocht. Door het overvallenteam van de politie werd deze verbalisanten gevraagd óók te kijken naar de jas van verdachte. De verbalisanten keken gericht uit naar deze jas en hebben ook een foto van de jas van verdachte gemaakt. Dit betekent dat er sprake is geweest van een doorzoeking. Nu verdachte hiervoor geen toestemming heeft gegeven en er ook geen machtiging tot binnentreden was afgegeven, is er sprake van een onrechtmatige doorzoeking. Dat is een onherstelbaar vormverzuim dat dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van alle onderzoeksresultaten, die in direct verband staan tot deze onrechtmatige doorzoeking, aldus nog steeds de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit het proces-verbaal van 29 maart 2013 (dossierpagina 173) blijkt dat verbalisanten op die dag in de woning van verdachte aan de [adres] te Heemskerk waren in verband met een verzoek van Bureau Jeugdzorg aangaande de plaatsing in een pleeggezin van een huisgenote van verdachte. Niet is gebleken dat verbalisanten op dat moment onrechtmatig in de woning aanwezig waren. Uit het proces-verbaal blijkt voorts dat verbalisanten op de begane grond, in de woonkamer, een jas aantroffen welke zij hebben gefotografeerd. Hieruit moet worden opgemaakt dat verbalisanten niet meer hebben gedaan dan slechts ‘zoekend rondkijken’, hetgeen zonder daartoe strekkende bevoegdheid is toegestaan. Nu van ‘doorzoeken’ geen sprake is geweest, wordt het verweer verworpen.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 28 maart 2013 omstreeks 23:30 uur stopt een bus van [busmaatschappij] bij de bushalte aan de [a-straat] in Heemskerk. Buschauffeur [slachtoffer] opent de toegangsdeuren van de bus. Twee jongens stappen in. Één van de jongens vraagt of [slachtoffer] vijftig euro kan wisselen. [slachtoffer] zegt dat dit niet mogelijk is. Hierna wordt [slachtoffer] door de andere jongen in zijn gezicht gespoten met een vloeistof. Vervolgens pakt deze jongen een portemonnee en de geldbak. Hierna renden de jongens weg in de richting van de [adres] in Heemskerk.2 In de weggenomen portemonnee zat een geldbedrag van ongeveer 120 euro. In de weggenomen geldbak zat een geldbedrag van ongeveer 300 euro.3 Ook blijkt een onbekende hoeveelheid buskaarten te zijn weggenomen.4

Getuige [getuige 1] ziet op 28 maart 2013 omstreeks 23:30 uur twee jongens bij de bus vandaan rennen. [getuige 1] loopt naar deze bus. [getuige 1] ziet daar dat de buschauffeur onder de rode verf zit. Er liggen geld en buskaartjes op de grond.5

De camerabeelden, gemaakt aan boord van de bus, worden bekeken door verbalisant [verbalisant 1]. Hij ziet dat een van de twee daders van de overval die op de camerabeelden van de overval in de bus te zien zijn een rode doek voor zijn gezicht draagt en een zwarte halflange jas met capuchon en lichtbruine bontkraag aan heeft.6 Verbalisant herkent deze persoon niet, maar herkent wel medeverdachte [medeverdachte 1] als de andere dader die op de camerabeelden is te zien. In de woning van verdachte is voorts een jas aangetroffen die grote overeenkomsten vertoont met de jas van een van de daders die te zien is op de camerabeelden die van de overval zijn gemaakt. Ook is een rode doek aangetroffen welke overeenkomsten vertoont met de rode doek die dezelfde dader op de camerabeelden voor zijn gezicht draagt.7 Verdachte heeft verklaard dat hij eigenaar is van deze jas en van de rode doek.8 Verbalisant [verbalisant 2] herkent op foto afdrukken van de camerabeelden verdachte de daders met de hiervoor genoemde jas en rode doek. Ook herkent [verbalisant 2] medeverdachte [medeverdachte 1] als zijnde de persoon die de verf heeft gespoten.9

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij samen met verdachte de overval op buschauffeur [slachtoffer] heeft gepleegd. Verdachte heeft het initiatief genomen, waarna verdachte met [medeverdachte 1] de bus in liep. Verdachte vroeg aan [slachtoffer] of hij vijftig euro kon wisselen. [medeverdachte 1] spoot hierna met een rode verf in het gezicht van [slachtoffer], aldus medeverdachte [medeverdachte 1].10

3.4. Bespreking van een bewijsverweer

Verdachte heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd. Verdachte heeft verklaard dat hij op 28 maart 2013 om ongeveer 21:00 uur met [getuige 2] naar [coffeeshop] te Zandvoort is gegaan en daar de avond heeft doorgebracht.

De rechtbank overweegt als volgt. Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij omstreeks 21:00 uur naar de [coffeeshop] in Zandvoort is gereden en dat verdachte hier niet bij was. [getuige 2] zag verdachte pas omstreeks 24:00 uur in [coffeeshop] (dossierpagina 211). Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij en verdachte nadat zij de overval hadden gepleegd, naar [coffeeshop] zijn gereden (dossierpagina 271). Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij vanaf ongeveer 21.00 uur in [coffeeshop] was, dan ook ongeloofwaardig en slechts bedoeld om de waarheid te bemantelen, namelijk dat hij zich samen met [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem primair ten laste is gelegd.

3.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1, primair

hij op 28 maart 2013 te Heemskerk tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met een inhoud van ongeveer 120 euro en een geldbedrag van ongeveer 300 euro en een onbekende hoeveelheid buskaarten, toebehorende aan [busmaatschappij] en/of [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen [slachtoffer], in zijn hoedanigheid als buschauffeur, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat zijn mededader die [slachtoffer] verf, althans een vloeistof, in het gezicht heeft gespoten.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1, primair

diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en de hieronder opgesomde rapporten is gebleken:

- het psychologisch onderzoek Pro Justitia betreffende verdachte, opgesteld door H.E.W. Koornstra, psycholoog, en gedateerd 10 september 2013;

- het reclasseringsadvies (beknopt) betreffende verdachte, opgesteld door F. Hansen, als reclasseringswerker verbonden aan het Leger des Heils te Amsterdam, gedateerd 23 september 2013.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, samen met zijn mededader, schuldig gemaakt aan een nachtelijke overval op een buschauffeur. Buschauffeurs bevinden zich tijdens hun werk in een kwetsbare positie: zij zitten achter het stuur in een kleine ruimte en kunnen letterlijk geen kant op wanneer zij zich geconfronteerd zien met agressie. Verdachte heeft hier op grove wijze misbruik van gemaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van gewapende overvallen hier lang last van kunnen blijven houden, in de zin dat het hun leven daadwerkelijk verandert. In dit geval weegt dit nog zwaarder, omdat het slachtoffer s’nachts, tijdens zijn werk, werd overvallen, zodat voor de hand ligt dat als hij weer aan het werk zal zijn, hij bij herhaling aan de overval herinnerd zal worden. Het slachtoffer heeft een schriftelijke slachtofferverklaring opgesteld waaruit dit ook duidelijk naar voren komt.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Het psychologisch onderzoek Pro Justitia houdt onder meer het volgende in:

Betrokkene is een bijna 20-jarige, zwakbegaafde Antilliaanse jongeman met een gemengde antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornis die zijn basis in afweer heeft; betrokkene is in de basis een angstige jongen die zich snel verlaten voelt en middels verharding veiligheid voor zichzelf heeft gecreëerd. De spanning loopt voor hem snel op daar hij het overzicht in meer gecompliceerde situaties vrij snel verliest wat makkelijk tot agressief “uitageren” kan leiden.

Er is sprake van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid, een gemende antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornis, misbruik van cannabis en mogelijk ADHD. Of deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde hebben beïnvloed, kan gelet op de ontkennende proceshouding van betrokkene, niet beantwoord worden.

Het reclasseringsadvies (beknopt) houdt onder meer het volgende in:

Betrokkene heeft twijfels over het al dan niet meewerken aan het reclasseringstoezicht. Betrokkene wil enerzijds hulp bij het starten van een opleiding en het zoeken van huisvesting, maar wil anderzijds geen behandelingen, interventies of andere bemoeienis van de reclassering. De reclassering heeft geadviseerd om geen bijzondere voorwaarden op te leggen.

De rechtbank merkt op dat de thans door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf in overeenstemming is met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en hetgeen in de rapporten is opgenomen geen aanleiding hier ten voordele van verdachte van af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Vorderingen van de benadeelde partijen

7.1. Vordering benadeelde partij [slachtoffer] en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 4. bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld in vereniging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.2. Vordering benadeelde partij [busmaatschappij] en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [busmaatschappij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.149,91 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 4. bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 4. bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld in vereniging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIERENTWINTIG (24) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer 1] (ten name van [rekeninghouder] e/o [slachtoffer]), tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door twintig (20) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [busmaatschappij]geleden schade tot een bedrag van € 2.149,91, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [busmaatschappij], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer 2] (onder vermelding van ‘405104’), tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [busmaatschappij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 2.149,91, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door drieënveertig (43) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. van den Bos, voorzitter,

mr. J.C.M. Swinkels en mr. G. Demmink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 9 oktober 2013.

Mr. G. Demmink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 29 maart 2013 (dossierpagina’s 160-161).

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 29 maart 2013 (dossierpagina’s 161-onder).

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 29 maart 2013 (dossierpagina’s 163).

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 maart 2013 (dossierpagina 166-midden).

6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2013 (dossierpagina 177-boven).

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2013 (dossierpagina 13).

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 31 maart 2013 (dossierpagina 234) en de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 25 september 2013.

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2013 (dossierpagina’s 174 en 175).

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] d.d. 6 april 2013 (dossierpagina 269-270).