Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9534

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
15/800846-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen (cocaïne) in Nederland; verwerping verweer ontbreken opzet; bewezenverklaring (vol opzet); straftoemeting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800846-13

Uitspraakdatum: 11 oktober 2013

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 september 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A.C. Kooper-Gerritsen en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. I.E. van der Bijl, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 14 juli 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een

(ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2 Redengevende feiten en omstandigheden1

Op 14 juli 2013 komt verdachte met vlucht KL 714 vanuit Paramaribo op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, aan. Bij de verscherpte controle wordt de handbagage van verdachte, onder meer bestaande uit een rolkoffer, aan een onderzoek onderworpen. Voordat de rolkoffer wordt opengemaakt verklaart verdachte tegenover een verbalisant van de Douane dat de rolkoffer haar koffer is. De verbalisant ziet vervolgens in de rolkoffer diverse etenswaren en vier in krantenpapier gewikkelde pakketten. Hij treft daarin transparante pakketten met een donkerkleurige substantie aan. Desgevraagd verklaart verdachte dat het zuurgoed is en dat ze deze pakketten van iemand heeft gekregen. De MMC cocaïnetest geeft een positieve reactie op deze substantie waardoor het vermoeden ontstaat dat de substantie cocaïne bevat. Verdachte wordt daarop aangehouden.2 In totaal worden er vier pakketten in de rolkoffer gevonden, gevuld met een pastavormige substantie. Deze pakketten worden vervolgens naar het Nederlands Forensisch Instituut gezonden.3 Aldaar wordt vastgesteld dat het daadwerkelijk cocaïne betreft, en dat het totaalgewicht aan cocaïne in die pakketten circa 2,8 kilogram bedraagt.4

Op grond van het voorgaande staat vast dat verdachte een hoeveelheid van ongeveer 2,8 kilogram cocaïne in haar koffer het grondgebied van Nederland heeft binnengebracht.

3.3 Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft bepleit dat vrijspraak de uitkomst in deze zaak zou moeten zijn nu verdachte niet opzettelijk de cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Verdachte heeft in het vliegtuig een andere plaats gekregen en haar handbagage is bij haar oorspronkelijke stoel blijven liggen. Toen verdachte het vliegtuig verliet heeft ze de verkeerde koffer gepakt en meegenomen. Uit deze omstandigheden blijkt niet dat verdachte opzet heeft gehad om cocaïne binnen het Nederlandse grondgebied te brengen, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar betoog en overweegt hieromtrent als volgt.

In zaken als deze, waar bij de inreis in Nederland in hand- of ruimbagage verdovende middelen worden aangetroffen, heeft als uitgangspunt te gelden dat een passagier met de inhoud van zijn bagage bekend is en voor die inhoud verantwoordelijk is, tenzij op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk wordt dat die passagier niet met de inhoud van de bagage bekend was en daarmee ook niet bekend had behoren te zijn. Van dergelijke feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

Verdachte heeft voorts wisselende verklaringen afgelegd over de koffer en de in kranten gewikkelde pakketten. Bij de douanecontrole heeft verdachte aangegeven, dat dit haar koffer was en dat zij de pakketten van iemand heeft gekregen. Pas nadat de MMC-test een positieve kleurreactie gaf, heeft, zo verklaart verdachte ter terechtzitting, verdachte gezegd dat dit niet haar koffer was en dat zij zich niet herinnerde wat zij over de pakketten had gezegd maar dat zij geen cocaïne heeft meegenomen.

Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat de ingevoerde hoeveelheid cocaïne, een grote geldwaarde vertegenwoordigt in Europa en het niet waarschijnlijk is dat een organisatie een dergelijke hoeveelheid cocaïne in een willekeurige koffer van een onwetende koerier zou doen, aangezien dit voor de organisatie aanzienlijke risico’s met zich brengt. Hierbij dient ondermeer te worden gedacht aan het verlies van de zending omdat de koerier uit het zicht verdwijnt of zelf de verdovende middelen ontdekt.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de wisselende verklaringen van verdachte acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat zij niet wist dat zij met die koffer vanuit Suriname cocaïne in Nederland zou invoeren ongeloofwaardig. Ook zijn er overigens geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat het ten laste gelegde opzet zou ontbreken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte wist dat er cocaïne in de koffer zat en dat zij derhalve opzettelijk die cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

3.4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 14 juli 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 29 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 2,8 kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank heeft in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, te weten haar gevorderde leeftijd en de omstandigheid dat zij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, aanleiding gezien om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter – anders dan door de officier van justitie is gevorderd - bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht.

artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negenentwintig (29) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 12 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.S. de Vries, voorzitter,

mr. W.J. van Andel en mr. D.G.M. van den Hoogen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.W. van der Hoek,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2013.

Mr. D.G.M. van den Hoogen en mr. M.S. de Vries zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 14 juli 2013, dossierparagraaf 1.1.

3 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 15 juli 2013, dossierparagraaf 1.1.4.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 6 augustus 2013 (zaaknummer 2013.07.22.018 (aanvraag 001), los opgenomen in het strafdossier.