Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9529

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
15/800895-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen (cocaïne) in Nederland en opzettelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld reisdocument; verweer ontbreken opzet verworpen; bewezenverklaring; verweer psychische overmacht verworpen; straftoemeting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800895-13

Uitspraakdatum: 11 oktober 2013

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 september 2013 in de zaak tegen:

Gedagvaard als [verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

zich ter terechtzitting noemende [bijnaam 1],

en

[verdachte] (fon.),

geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A.C. Kooper-Gerritsen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.K. de Blieck-Willemsen, advocaat te Beverwijk, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 24 juli 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een

(ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Feit 2:

hij op of omstreeks 24 juli 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een Nederlands paspoort (voorzien van het nummer [paspoortnummer]) (op naam gesteld van [verdachte], geboren op [geboortedatum]), welk gebruik hierin bestond dat hij, verdachte, voornoemd document heeft aangeboden aan een douaneambtenaar, althans aan een persoon belast met de douanecontrole op de Luchthaven Schiphol.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2 Redengevende feiten en omstandigheden1

Op 24 juli 2013 komt verdachte met vlucht PY 994 vanuit Paramaribo op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, aan. Bij de verscherpte controle wordt de bagage van verdachte aan een onderzoek onderworpen. De lege koffer voelt abnormaal zwaar aan en de verbalisant ziet op de X-ray scan afwijkende contouren. In de bodem van de koffer vindt de verbalisant een witte stof waar de MMC cocaïnetest positief op reageert waardoor het vermoeden ontstaat dat de stof cocaïne bevat. Verdachte verklaart dat het zijn koffer is. Verdachte wordt daarop aangehouden.2 In totaal worden er acht pakketten in de bodem van de koffer aangetroffen met een totaal nettogewicht van 1.781,3 gram. Acht monsters van deze pakketten worden vervolgens naar het Douane Laboratorium Amsterdam gezonden.3 Aldaar wordt vastgesteld dat de stof in de pakketten cocaïne bevat.4 Verdachte reist op het paspoort dat op naam gesteld is van [verdachte], geboren op [geboortedatum] met paspoortnummer [paspoortnummer]. Uit onderzoek blijkt dat verdachte geen gelijkenis vertoont met de foto in het paspoort.5 Verdachte bekent dat het niet zijn paspoort is en verklaart dat hij niet [verdachte] is.6

Op grond van het voorgaande staat vast dat verdachte een hoeveelheid van 1.781,3 gram cocaïne in zijn koffer het grondgebied van Nederland heeft binnengebracht. Voorts kan op grond van het bovenstaande bewezen worden verklaard dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een paspoort dat niet op zijn naam is gesteld.

3.3 Bewijsoverweging

Volgens de raadsvrouw is er bij verdachte geen sprake van opzet op de invoer van cocaïne.

De rechtbank deelt het standpunt van de raadsvrouw niet en overweegt hiertoe als volgt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de koffer heeft gekregen van ene mevrouw [bijnaam 2] en dat hij haar kent uit het dorp te Suriname waar hij woont. Verdachte heeft tevens verteld dat deze [bijnaam 2] altijd voor problemen zorgt. Mevrouw [bijnaam 2] heeft alles omtrent de smokkel geregeld, van het ticket tot het paspoort, van de koffer tot het wegbrengen en ophalen van verdachte. In het vliegtuig kreeg verdachte wroeging en zou 'aan de noodrem in het vliegtuig trekken' als dat kon. Toen verdachte op Schiphol aankwam heeft hij bij de Koninklijke Marechaussee een verhaal verteld dat hij van tevoren van mevrouw [bijnaam 2] had meegekregen. Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij van tevoren wist dat het niet klopte en dat het fout zou gaan.

Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte de reis heeft gemaakt en zijn eigen verklaring ter terechtzitting, is de rechtbank van oordeel dat verdachte door onder die omstandigheden aldus te handelen (paspoort gebruiken op naam van een ander, koffer niet controleren en daarover geen vragen stellen) zich willens en wetens blootgesteld heeft aan de aanmerkelijke kans dat de koffer cocaïne zou bevatten hetgeen ook het geval bleek te zijn.

3.4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op 24 juli 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Feit 2:

hij op 24 juli 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een Nederlands paspoort (voorzien van het nummer [paspoortnummer]) (op naam gesteld van [verdachte], geboren op [geboortedatum]), welk gebruik hierin bestond dat hij, verdachte, voornoemd document heeft aangeboden aan een douaneambtenaar op de Luchthaven Schiphol.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 2: opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat ontslag van alle rechtsgevolg zou moeten volgen nu verdachte een geslaagd beroep op psychische overmacht kan doen. Verdachte is gedwongen om de drugs te smokkelen en hij is bang dat hem of zijn kinderen iets werd aangedaan als hij de reis niet zou maken.

De rechtbank is van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte onder zodanige psychische druk heeft gestaan dat redelijkerwijs niet van hem gevergd kon worden dat hij anders zou handelen dan hij thans heeft gedaan. Daarbij hecht de rechtbank met name belang aan het feit dat verdachte zelf helemaal niets heeft verklaard over de vermeende bedreigingen en de op hem uitgeoefende druk in Suriname om drugs te smokkelen. Derhalve wordt het beroep op psychische overmacht dan ook verworpen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts vordert de officier teruggave van het paspoort aan de uitgevende instantie.

6.2 Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de email d.d. 25 september 2013 van mevrouw [getuige 1], de zus van verdachte over het leven en de achtergrond van verdachte. De rechtbank betrekt daarbij wel dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven wie hij nu precies is en welke naam hij heeft.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1.781,3 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Verdachte heeft bij deze smokkel gebruik gemaakt van een paspoort van een ander. In het maatschappelijk verkeer, behoort men erop te kunnen vertrouwen, dat ter identificatie gebruikte ambtelijke stukken, zoals legitimatiebewijzen en reisdocumenten, een juiste weergave bevatten van de daarin vermelde gegevens. In dergelijke documenten voorkomende onjuiste persoonsgegevens kunnen daarnaast ook in het handels- en geldverkeer tot aanzienlijke schade leiden.

Alles afwegende is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een Nederlands paspoort (paspoortnummer: [paspoortnummer]), dient te worden teruggegeven aan de uitgevende instantie.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van:

Het Nederlands paspoort (paspoortnummer: [paspoortnummer]).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.G.M. van den Hoogen, voorzitter,

mr. W.J. van Andel en mr. M.S. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.W. van der Hoek,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2013.

Mr. D.G.M. van den Hoogen en mr. M.S. de Vries zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

2 Proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 24 juli 2013, dossierparagraaf 1.1.

3 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 27 juli 2013, dossierparagraaf 1.1.4.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Douane Laboratorium Amsterdam d.d. 5 augustus 2013 (kenmerk: 8510 X 13), los opgenomen in het strafdossier.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2013, dossierparagraaf 1.1.2 en proces-verbaal d.d. 25 september 2013, los opgenomen in het strafdossier.

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 september 2013.