Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9417

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-07-2013
Datum publicatie
14-10-2013
Zaaknummer
AWB 12/4251
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vernietiging bestreden besluit en tegemoetkoming in planschade

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/4251

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juli 2013 in de zaak tussen

Sheda B.V. en Kackou Holding B.V., te [plaats], eiseressen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeevang, verweerder,

(gemachtigde: K. Kooijman).

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Kackou Holding B.V. (hierna: Kackou) een tegemoetkoming in planschade toegekend ten bedrage van € 26.400,- te vermeerderen met wettelijke rente, en het verzoek van Sheda B.V. (hierna: Sheda) om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 30 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2013. Eiseressen zijn vertegenwoordigd door mr. J. Engelsma (hierna: Engelsma), vergezeld van mr. G.J. Westra. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. drs. J. van Leeuwen van de Johan van Oldenbarnevelt Stichting (hierna: de Stichting).

Overwegingen

1.

Het verzoek van eiseressen om een tegemoetkoming in planschade houdt verband met het vrijstellingsbesluit van 4 april 2006, dat de oprichting van een bedrijfswoning op het perceel [perceel 1] te [plaats] mogelijk maakt, alsmede met het op 8 mei 2010 in werking getreden bestemmingsplan “Buitengebied 2009”, waarmee aan het perceel [perceel 1] een bestemming ten behoeve van het oprichten van een paardefokkerij/paardenhouderij is toegekend. Kackou is sinds 3 december 2001 eigenaar van het perceel en de daarop gelegen opstallen aan de[perceel 2] in [plaats] (hierna: het perceel). Op 30 november 2009 is de eigendom overgedragen aan Sheda. Eiseressen stellen dat de planologische wijzigingen negatieve gevolgen hebben voor het woon- en leefgenot en de waarde van de onroerende zaken doen verminderen.

2.

Verweerder heeft, in navolging van het adviesrapport van de Stichting van 12 september 2011, aan Kackou een tegemoetkoming in planschade toegekend. Ten aanzien van Sheda is het verzoek om planschade afgewezen, omdat voor haar volgens verweerder ten tijde van de aankoop van het perceel aanleiding bestond rekening te houden met een ongunstige wijziging van het planologische regime.

3.

Eiseressen hebben allereerst aangevoerd dat verweerder ten aanzien van Sheda ten onrechte geen tegemoetkoming in de planschade heeft toegekend. Volgens eiseressen is geen sprake van risicoaanvaarding. Ter onderbouwing hebben eiseressen een organogram en uittreksels uit het register van de Kamer van Koophandel overgelegd. Daaruit blijkt volgens eiseressen dat Sheda en Kackou samen een fiscale eenheid vormen, waarvan de Stichting Administratiekantoor Nannie 100% eigenaar is. Engelsma is directeur van zowel Sheda als Kackou en zit tevens in het bestuur van de Stichting Administratiekantoor Nannie. De overdracht van de eigendom van het perceel van Kackou aan Sheda moet derhalve als een interne reorganisatie worden aangemerkt, waarbij de uiteindelijk gerechtigde (de zogenaamde ultimate beneficiary owner) ongewijzigd is gebleven, aldus eiseressen. Het feit dat nu sprake is van een andere juridische entiteit, is volgens eiseressen niet relevant. Zij wijzen er tevens op dat voor de overdracht van het perceel vrijstelling is verleend voor overdrachtsbelasting. Ook zoeken eiseressen voor hun standpunt steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 september 2011 (LJN: BR6919).

4.

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of het beroep - en ook het bezwaar - voor zover ingediend door Kackou ontvankelijk is. Verweerder heeft gesteld dat zowel het bezwaar als het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de aanvraag om planschade is ingediend door Sheba en Kackou Consultancy B.V., terwijl het bezwaar- en beroepschrift zijn ingediend door Sheba en Kackou Holding B.V.. Volgens verweerder bestaat Kackou Consultancy nog steeds als een zelfstandige rechtspersoon, zodat Kackou Holding B.V. een afgeleid belang heeft en het bezwaar en beroep, voor zover ingesteld door Kackou Holding B.V., niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5.

Ter zitting heeft Engelsma toegelicht dat Kackou in het verleden een naamswijziging heeft doorgemaakt. Kackou Consultancy is hernoemd naar Kackou Holding, waarna een nieuwe B.V. is ontstaan met de naam Kackou Consultancy. Kackou Holding was na de naamswijziging de eigenaar van het pand. Engelsma vermoedt dat de vermelding van Kackou Consultancy in het planschadeverzoek een verschrijving is geweest.

6.

De rechtbank acht het aannemelijk dat sprake is geweest van een kennelijke verschrijving in het planschadeverzoek. Hoewel er sprake is van verschillende vennootschappen met de naam Kackou, moet worden vastgesteld dat voor partijen duidelijk was dat het ging om Kackou als eigenaar van het pand. Gelet hierop acht de rechtbank het bezwaar en beroep, voor zover ingesteld door Kackou Holding B.V., dan ook ontvankelijk.

7.

Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat Sheda risicoaanvaarding kan worden tegengeworpen, oordeelt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat bij eiseressen sprake is geweest van een interne organisatorische herstructurering. Bij deze herstructurering is het pand van Kackou tegen een - zo heeft Engelsma ter zitting gesteld - reële prijs aan Sheda is overgedragen. Engelsma is de ‘ultimate beneficiary owner’ en daarmee de uiteindelijke belanghebbende van deze organisatiestructuur. Hoewel er feitelijk niet langer sprake is van dezelfde juridische entiteit, is de uiteindelijke belanghebbende niet gewijzigd. Door de herstructurering is immers geen verandering gebracht in het gebruik en de uiteindelijke eigenaar van het pand. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie vergelijkbaar is met de situaties in de uitspraken van de Afdeling van 7 september 2011 en 13 juli 2011 (LJN: BR6919 en BR1423), waarin sprake was van een geruisloze inbreng van respectievelijk een eenmanszaak en een V.O.F. in een B.V. Daarin oordeelde de Afdeling dat de geruisloze inbreng betekent dat er feitelijk sprake is van eenzelfde entiteit, waarvan slechts de rechtsvorm is gewijzigd en dat, nu de activiteiten feitelijk ongewijzigd zijn voortgezet, geen actieve risicoaanvaarding dient te worden tegengeworpen. De rechtbank acht deze redenering van toepassing op de onderhavige kwestie. Van belang daarbij is dat het gaat om een niet-commerciële transactie binnen een organisatiestructuur, waarvan de uiteindelijke belanghebbende onveranderd is gebleven. Dat er in het onderhavige geval, anders dan in de genoemde uitspraken van de Afdeling, geen sprake van is dat de oude onderneming ophoudt te bestaan, leidt niet tot een ander oordeel.

8.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder Sheda ten onrechte actieve risicoaanvaarding heeft tegengeworpen. Het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

9.

Voorts hebben eiseressen aangevoerd dat de als gevolg van de planwijziging van 8 mei 2010 berekende schade (€ 71.880,-), alsook de aan Kackou toegekende tegemoetkoming in planschade (26.400,-) te laag is vastgesteld. Eiseressen verwijzen naar de reactie van Langhout & Wiarda van 19 juli 2011 op het conceptrapport van de Stichting. Onder verwijzing daarnaar stellen eiseressen dat sprake is van een verdergaande planologische verslechtering als gevolg van het in werking treden van het bestemmingsplan “Buitengebied 2009”. Een intensiever gebruik van gronden is daarmee mogelijk gemaakt, welk gebruik gepaard gaat met een toename van geluid- en stankhinder. Langhout & Wiarda concludeert dat sprake is van ernstige schade, en niet van lichte planschade, zoals geconcludeerd in het door verweerder gevolgde adviesrapport van de Stichting.

10.

In het advies van de Stichting is ingegaan op de reactie van Langhout & Wiarda op het conceptadvies. De Stichting ziet in deze reactie geen aanleiding om het advies te wijzigen. Wel volgt de Stichting het betoog van Langhout & Wiarda, dat sprake is van intensivering van het grondgebruik. De hoogte van de planschadevergoeding is dan ook in het voordeel van Sheda gewijzigd. Voor een verdergaande verhoging van de tegemoetkoming in planschade bestaat - gelet op het advies van de Stichting - naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

11.

Tot slot wijzen eiseressen er nog op dat aan de bewoner van IJsselmeerdijk 18 een aanzienlijk hogere tegemoetkoming in planschade is uitgekeerd.

12.

Verweerder heeft onweersproken gesteld dat een hogere taxatiewaarde van het perceel met opstallen van [perceel 1] ten grondslag ligt aan het verschil tussen de tegemoetkoming die eiseressen hebben ontvangen en die de bewoner van[perceel 1] toegekend heeft gekregen. In zoverre is er dan ook geen sprake van dat verweerder gelijke gevallen op een andere manier heeft beoordeeld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

13.

Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 8 is het beroep gegrond. Aangezien de door Sheda geleden schade is getaxeerd, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de tegemoetkoming in planschade als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Buitengebied 2009”, onder aftrek van het forfait van 2% wegens normaal maatschappelijk risico, voor Sheda vast te stellen op € 47.920,- (€ 71.880,- minus

€ 23.960,-), te vermeerderen met de wettelijke rente, conform de berekening in het advies van de Stichting.

14.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

15.

Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ook bijstand door een belastingconsulent kan worden aangemerkt als beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De kosten worden aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld op € 472,- (1 punt) voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is geweigerd aan Sheda een tegemoetkoming in planschade toe te kennen;

- herroept het besluit van 2 november 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

- bepaalt de tegemoetkoming in de planschade van Sheda B.V. op een bedrag van € 47.920,- (zegge: zevenenveertigduizendnegenhonderdentwintig euro), te vermeerderen met wettelijke rente;

- veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 472,-, te betalen aan eiseressen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310,- aan eiseressen te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. L. Beijen, voorzitter, en mr. G. Guinau en mr. M.P. de Valk, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2013.

griffier voorzitter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.