Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9371

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
11-10-2013
Zaaknummer
2113562
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ter voorkoming van een nieuwe gerechtelijke procedure zijn de ouders van eiseres overeengekomen dat de vader maandelijks een extra bijdrage betaalt van € 50,00 per maand. De kantonrechter beoordeelt deze verplichting van de vader als een bijdrage in de verzorging en opvoeding, die door het meerderjarig worden van eiseres is geconverteerd naar een verplichte bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/154 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 2113562 \ CV EXPL 13-6974

datum uitspraak: 25 september 2013

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiseres]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen [de dochter]

gemachtigde mr. E.K.G.M. Martens

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

gedaagde partij

hierna te noemen [de vader]

procederende in persoon

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van14 juni 2013, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het door de kantonrechter tussen partijen gewezen en op 10 juli 2013 uitgesproken tussenvonnis,

- de aantekeningen van de griffier van de ingevolge dat vonnis op 29 augustus 2013 gehouden comparitie van partijen en de met het oog op die zitting door partijen aan de kantonrechter en de wederpartij gezonden producties.

De feiten

  1. Op 4 februari 1997 heeft de rechtbank Haarlem de echtscheiding uitgesproken tussen de ouders van [de dochter].

  2. [De dochter], geboren op [1993] is de oudste van de twee dochters van

[de vader] uit diens huwelijk met [de moeder]

Bij beschikking van 1 oktober 2003 heeft de rechtbank Roermond beslist dat [de vader] met ingang van 6 mei 2003 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn twee dochters dient te voldoen van € 197,00 per maand per kind. Deze bijdrage wordt jaarlijks van rechtswege gewijzigd met de wettelijke indexering (artikel 1:402a BW).

De huidige door [de vader] te betalen bijdrage voor [de dochter] bedraagt € 236,79 per maand.

[De vader] heeft op 31 oktober 2008 het volgende aan de toenmalige gemachtigde van [de dochter] geschreven:

“Naar aanleiding van uw schrijven van 6 oktober jl wil ik u mededelen dat ik vanaf

1 december 2008 een bedrag van € 50,00 per kind zal overmaken op de bankrekeningen van mijn dochters. Ik sta hier nog steeds niet achter maar ik ga akkoord om deze brief wisseling af te ronden.

(…)”

Bij brief van 4 november 2008 heeft de toenmalige gemachtigde van [de dochter] het volgende aan [de vader] geschreven:

“(…

Bij deze bevestig ik dat partijen zijn overeengekomen dat u vanaf 1 december 2008 elke maand € 50,00 per kind per maand stort op de (…) u bekende bankrekeningnummers.”

[De vader] is op het moment dat [de dochter] de 18-jarige leeftijd heeft bereikt, gestopt met de betaling van de overeengekomen € 50,-- per maand en ondanks diverse betalingsverzoeken en aanmaningen heeft hij de betaling niet meer hervat.

De vordering

[De dochter] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de vader] zal veroordelen om aan [de dochter] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 1.483,17, binnen 7 dagen na het vonnis, vermeerderd met € 50,00 per niet betaalde maand van 1 mei 2013 en het geheel vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, dan wel een bedrag dat de rechtbank in goede justitie billijk zal achten, met veroordeling van [de vader] in de proceskosten.

[De dochter] heeft het volgende aan de vordering ten grondslag gelegd:

[De vader] betaalt de kinderalimentatie zonder de bijbehorende indexering.

[De vader] dient thans € 236,79 per maand te voldoen, maar hij betaalt slechts € 230,99 per maand.

Partijen zijn overeengekomen dat [de vader] naast het vastgestelde alimentatiebedrag vanaf 1 december 2008 iedere maand € 50,00 per kind overmaakt tot de kinderen de leeftijd van 21 jaar zullen hebben bereikt.

Vanaf april 2011, het moment waarop [de dochter] 18 jaar werd, is [de vader] gestopt met het voldoen van het overeengekomen bedrag van € 50,00 per maand.

Inmiddels is er een flinke achterstand ontstaan. Ondanks betalingsverzoeken blijft [de vader] in gebreke de extra bijdrage aan [de dochter] te voldoen.

[De dochter] dient gerekend tot en met april 2013 en zonder de wettelijke rente, nog € 1.250,00 van [de vader] te ontvangen (= 25 maanden x € 50,--).

[De dochter] maakt aanspraak op de wettelijke rente vanaf april 2011. Tot en met april 2013 bedraagt die rente € 45,67.

Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft [de vader] [de dochter] genoodzaakt de vordering ter incasso uit handen te geven. [De dochter] heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van € 187,50. [De vader] dient deze kosten ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub c BW aan[de dochter] te voldoen.

Het verweer

[De vader] betwist de vordering en voert daartoe het volgende -voor zover relevant- aan:

[De vader] is van mening dat [de dochter] geen recht meer heeft op het bedrag van € 50,00 per maand. In de brief van 4 november 2008 staat nergens dat [de vader] € 50,00 moet betalen tot de leeftijd van 21 jaar van [de dochter]. Het bedrag is bedoeld als sportgeld/zakgeld. Vanaf de 18e verjaardag van [de dochter] stort [de vader] de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie rechtstreeks aan [de dochter] en niet meer aan haar moeder. [De vader] vindt het daarom niet noodzakelijk om nog zakgeld/sportgeld te geven. [De vader] is ervan uitgegaan dat het zakgeld niet meer overgemaakt hoefde te worden. Op 3 november 2012 heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hem een brief gezonden waaruit blijkt dat het Ministerie de ouderbijdrage 2013 voor K. van Duijn heeft vastgesteld op € 229,94 per maand. Ook uit deze brief heeft [de vader] opgemaakt dat [de dochter] met de door hem betaalde bijdrage in haar behoeften moet kunnen voorzien.

[De vader] zou ook niet weten waarom hij rente zou moeten betalen mocht het vonnis voor hem negatief uitvallen. Het gaat immers om zakgeld/sportgeld, waarover men bij de banken gewoonlijk geen rente ontvangt.

De beoordeling

1.

Uit de door partijen in het geding gebrachte producties blijkt dat [de vader] en [de moeder] in het verleden diverse procedures bij de rechtbanken Haarlem en Roermond en de Gerechtshoven Amsterdam en Roermond hebben gevoerd over de door [de vader] te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] en haar zus.

2.

Vast is komen te staan dat [de vader] en [de moeder] in 2008 in onderling overleg zijn overeengekomen dat [de vader] met ingang van 1 december 2008 naast de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn twee dochters een bijdrage zou voldoen van € 50,-- per maand per kind. Tevens is komen vast te staan dat [de vader] en [de moeder] deze overeenkomst hebben gesloten om een nieuwe gang naar de rechter met een verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten en verzorging van hun twee dochters te vermijden.

3.

Een door de rechter vastgesteld bedrag dat de onderhoudsplichtige voor de opvoeding en verzorging van een minderjarig kind moet betalen, wordt bij het bereiken van de meer-derjarigheid van het kind van rechtswege geconverteerd in een bedrag ter zake van levensonderhoud en studie van het meerderjarige kind. Op grond van de wet zijn ouders verplicht in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen te voorzien tot het 21ste jaar.

4.

Gelet op de aanleiding van de door [de vader] en [de moeder] gesloten overeenkomst is de kantonrechter van oordeel dat ook de overeengekomen € 50,-- per maand per kind dient te worden aangemerkt als een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochters, welke bijdrage voor [de dochter] met ingang van 31 maart 2011 is geconverteerd naar een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie en welke bijdrage [de vader] is verschuldigd tot aan de datum waarop [de dochter] 21 jaar wordt, tenzij zij op een eerdere datum in staat is om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

5.

Gelet op het bovenstaande zal de gevorderde hoofdsom van € 1.250,-- en € 50,-- per maand met ingang van 1 mei 2013 worden toegewezen.

6.

De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, nu [de vader] deze rente verschuldigd is geworden door niet tijdig aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.

7.

De kosten verbonden aan de door [de dochter] gestelde - en door [de vader] niet betwiste - buitengerechtelijke werkzaamheden zijn aan te merken als redelijke kosten die voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. Het gevorderde bedrag oordeelt de kantonrechter redelijk en zal daarom worden toegewezen.

8.

[De vader] zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat aan [de dochter] een toevoeging is verleend heeft de griffier verschotten voor het exploot voldaan. [De vader], die in het ongelijk wordt gesteld, dient deze verschotten op grond van artikel 27 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken aan de griffier te betalen.

Beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt [de vader] om binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [de dochter] te betalen € 1.483,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt [de vader] om vanaf 1 mei 2013 € 50,-- per maand aan [de dochter] te betalen.

Veroordeelt [de vader] in de proceskosten, aan de zijde van [de dochter] tot op heden vastgesteld op de volgende bedragen:

dagvaarding € 94,45

griffierecht € 213,00

salaris gemachtigde € 300,--.

bepaalt dat [de vader] de verschotten voor het exploot die de griffier heeft betaald, voldoet aan de griffier door overmaking op rekeningnummer RBS  56.99.90.629 ten name van MvJ arrondissement Noord-Holland onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde uitspraakdatum.

Coll.