Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9354

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
11-09-2014
Zaaknummer
C14/144417 HA ZA 13-72
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Aanneming van werk. Halve verbouwing particuliere woonboerderij. Redelijke prijs verschuldigd.

Samenvatting: Aanneming van werk. Verbouwing particuliere woonboerderij. Partijen gaan halverwege uit elkaar omdat het te duur wordt. Opdrachtgevers vorderen schadevergoeding/vergoeding positief contractsbelang.

Partijen zijn geen vaste aanneemsom zijn overeengekomen. De prijsindicatie die aannemer gaf ten behoeve van de financiering was geen richtprijs. Aannemer beschikte slechts over een globale tekening van het te bouwen werk, gemaakt door particulieren zelf. Ook blijkt niet welke werkzaamheden precies zijn geoffreerd, welke materialen aannemer zou leveren en of van welk uurloon zou worden uitgegaan.

Een en ander betekent dat tussen partijen afgerekend moet worden conform de systematiek van artikel 7:764 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/437
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

FV/JR

zaaknummer / rolnummer: C/14/144417 / HA ZA 13-72

Vonnis van 9 oktober 2013

in de zaak van

1 [NAAM EISER 1],

2. [NAAM EISER 2],

beiden wonende te Hoorn,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.J. de Boer te Hoorn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SAMENWERKENDE REPARATIEBEDRIJVEN B.V.,

gevestigd te Berkhout, gemeente Hoorn,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.W. Huijbers te Woerden.

Partijen zullen hierna ook genoemd worden “[naam eiser 1] en [naam eiser 2]” respectievelijk SRB.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 januari 2013

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie

  • -

    het tussenvonnis van 8 mei 2013

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 juni 2013 en de daarin genoemde stukken

  • -

    de akte van 26 juni 2013 van SRB.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie en in reconventie

2.1.

SRB heeft in opdracht van [naam eiser 1] en [naam eiser 2] in de periode van mei 2012 tot en met oktober 2012 bouwwerkzaamheden verricht aan hun boerderij aan de [straatnaam] te [plaatsnaam].

2.2.

In een stuk met het opschrift "Renovatievoorstel" op briefpapier van SRB van 20 maart 2012 is voor de verbouwing onder de noemer “Globale kostenindicatie” een totaalbedrag van tussen de € 183.000,- en € 215.000,- inclusief BTW opgenomen.


De inhoud van dit stuk luidt voorts – voor zover in de procedure van belang – als volgt:
“Hierbij doe ik jullie toekomen ons renovatievoorstel voor bovengenoemde stolpboerderij.

(…)

Om jullie een beeld van de benodigde werkzaamheden en bijbehorende kosten te verstrekken doe ik jullie toekomen een korte omschrijving van de werkzaamheden.

Vanzelfsprekend is er na het lezen van deze nog veel nader te bepalen echter met deze opstelling meen ik op dit moment m.bt. het verkrijgen van de benodigde financiën een goede start te hebben gepresenteerd.

(…) Tot slot een globale prijsindicatie

(…).”

2.3.

Voor de door SRB verrichte werkzaamheden hebben [naam eiser 1] en [naam eiser 2] aan haar een bedrag van € 125.000,- betaald.

2.4.

In de periode van oktober 2012 tot en met december 2012 hebben partijen met elkaar gesproken en gecorrespondeerd over het project, onder meer over de voortgang van de werkzaamheden, de tot dan toe door SRB gemaakte kosten en de nog te verwachten kosten.

2.5.

Bij brief van 15 januari 2013 hebben [naam eiser 1] en [naam eiser 2] via hun advocaat aan SRB bericht de overeenkomst te ontbinden dan wel op te zeggen. Daarbij hebben zij aanspraak gemaakt op een bedrag van € 80.445,07 uit hoofde van voorlopige schade en hebben zij om terugbetaling van een bedrag van € 32.180,14 verzocht.

2.6. [

naam eiser 1] en [naam eiser 2] hebben conservatoir beslag gelegd op een aan SRB in eigendom toebehorende onroerende zaak.

2.7.

In 2012 heeft SRB tevens in opdracht van [naam eiser 1] werkzaamheden verricht ten behoeve van de tandartspraktijk van [naam eiser 1]. In dit kader heeft SRB op 7 februari 2013 aan [naam eiser 1] een factuur verzonden ten bedrage van € 7.731,81. Deze factuur is onbetaald gebleven.

3 Het geschil

in conventie en in reconventie

3.1. [

naam eiser 1] en [naam eiser 2] vorderen in conventie samengevat - veroordeling van SRB tot betaling van € 112.625,21 + PM, vermeerderd met rente en kosten, waaronder de beslagkosten.

3.2.

SRB voert verweer.

3.3.

In reconventie vordert SRB - verkort weergegeven - hoofdelijke veroordeling van [naam eiser 1] en [naam eiser 2] tot betaling van € 75.642,56, te vermeerderen met rente en kosten, waaronder nakosten.

3.4. [

naam eiser 1] en [naam eiser 2] voeren verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen in conventie en in reconventie wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Bij brief van 5 juni 2013 hebben [naam eiser 1] en [naam eiser 2] aangegeven hun eis te willen veranderen c.q. vermeerderen. Zoals reeds ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is medegedeeld, wordt die wijziging van eis niet toegestaan nu die geacht wordt in strijd te zijn met de goede procesorde. Immers verandert met die wijziging/verandering van eis het geschil wezenlijk en bovendien was het stuk niet tijdig ingediend. Dit betekent dat in het navolgende beslist zal worden op de vordering in conventie zoals bij dagvaarding ingesteld.

in conventie en in reconventie

4.2.

Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar verbonden zijn, komen zij in het navolgende gezamenlijk aan de orde.

4.3.

Partijen hebben een overeenkomst gesloten, waarbij SRB, als aannemer, zich jegens [naam eiser 1] en [naam eiser 2] heeft verbonden om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard - de verbouwing van de stolboerderij - tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door [naam eiser 1] en [naam eiser 2] te betalen prijs in geld. Daarmee is sprake van een overeenkomst van aanneming van werk.

Partijen verschillen op de eerste plaats van mening over de vraag wat zij qua prijs overeen zijn gekomen. [naam eiser 1] en [naam eiser 2] stellen thans dat partijen een richtprijs zijn overeengekomen, in die zin dat zij aan SRB voor de werkzaamheden een bedrag verschuldigd zouden zijn van minimaal € 183.000,- en maximaal € 215.000,-, zoals opgenomen in de brief van SRB van 20 maart 2012, te overschrijden met maximaal 10 %. SRB bestrijdt dit en betoogt dat partijen hebben afgesproken dat zij het werk op basis van regie zou uitvoeren.

4.4.

Gebleken is dat partijen geen vaste aanneemsom zijn overeengekomen voor het totale door SRB te stichten werk.

Indien de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet is bepaald of slechts een richtprijs is bepaald zijn [naam eiser 1] c.s grond van artikel 7:752 lid 1 BW een redelijke prijs verschuldigd voor de door SRB verrichte werkzaamheden. Bij de bepaling van de prijs wordt rekening gehouden met de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. Deze verwachtingen kunnen worden gewekt door bijvoorbeeld het opgeven van een geschatte prijs, richtprijs of het overleggen van een prijsindicatie.

Indien een richtprijs was bepaald zal deze op grond van artikel 7:752 lid 2 BW met niet meer dan 10 % mogen worden overschreden, tenzij de aannemer tijdig waarschuwt.

4.5.

Volgens SRB was het, anders dan [naam eiser 1] en [naam eiser 2] stellen, niet mogelijk om vooraf een richtprijs te geven. SRB voert aan dat zij in maart 2012 alleen maar een globale tekening van [naam eiser 1] en [naam eiser 2] tot haar beschikking had over wat er precies moest gebeuren, zodat zij op dat moment nog geen inschatting kon maken van de door haar te verrichten werkzaamheden en de daaraan gekoppelde prijs. Daarenboven heeft SRB gesteld dat zij slechts een grove inschatting kon maken wegens het ontbreken van uitgewerkte plannen en voldoende duidelijke tekeningen, alsmede vanwege het feit dat hier een oud pand betrof waarbij van te voren slecht is in te schatten welke werkzaamheden uitgevoerd moeten worden en omdat de vorige bewoners nog gewoon in de woning verbleven.

[naam eiser 1] en [naam eiser 2] hebben daarop verklaard dat deze stellingen geen recht doen aan de feitelijke situatie. Partijen wisten namelijk wel in hoofdlijnen welke bouwwerkzaamheden hen voor ogen stonden. Dit kon volgens hen ook niet anders omdat de offerte moest dienen als leidraad voor het verkrijgen van een financiering van de te verrichten bouwwerkzaamheden. Indien het doel alleen zou zijn geweest het verkrijgen van een financiering zou het opmaken van een offerte zinloos zijn geweest, omdat die financiering nu juist nodig was ter bekostiging van de bouwwerkzaamheden.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is genoegzaam gebleken dat SRB op het moment dat het stuk van 20 maart 2012 werd opgemaakt slechts over een globale tekening van het te bouwen werk beschikte. Deze tekening is gemaakt door [naam eiser 1] en [naam eiser 2] zelf.

Verder wordt overwogen dat het stuk van 20 maart 2012 niet zodanig gespecificeerd is, dat daaruit voor beide partijen genoegzaam blijkt welke werkzaamheden precies zijn geoffreerd, welke materialen SRB zou leveren en of van welk uurloon zou worden uitgegaan. De daarin omschreven uitgangspunten, te weten het ‘handhaven van de karakteristieke uitstraling, vergroten van woonoppervlakte naar maximaal haalbare en realisatie van energiearm gebouw met een maximaal comfort’ zijn te algemeen geformuleerd om tot een ander oordeel te kunnen leiden.

Daarbij wordt ook acht geslagen op het feit dat [naam eiser 1] en [naam eiser 2] niet hebben weersproken dat sprake was van een globale schatting van de bouwkosten, omdat nog niet alle bouwwerkzaamheden definitief waren gepland. [naam eiser 1] en [naam eiser 2] hebben in het licht daarvan onvoldoende gemotiveerd gesteld dat het stuk van 20 maart 2012, door hen omschreven als ‘de offerte’ reeds alle uiteindelijk door SRB te verrichten werkzaamheden heeft omvat.

De rechtbank acht de offerte dan ook niet zodanig richtinggevend dat [naam eiser 1] en [naam eiser 2] daarin een richtprijs mochten zien, waarvan op grond van artikel 7:752 lid 2 BW in beginsel slechts met 10 % mocht worden afgeweken. Vanwege het ontbreken van een voldoende specifieke omschrijving van de te verrichten werkzaamheden kan evenmin gezegd worden dat SRB via het stuk van 20 maart 2012 ter zake van de vermoedelijke prijs bepaalde verwachtingen heeft gewekt.

SRB betoogt dat partijen hebben afgesproken dat het werk door haar in regie zou worden uitgevoerd. SRB beroept zich er in dit verband op dat er geen afspraken zijn gemaakt over de concrete werkzaamheden en ook niet over de prijs. Daarbij wijst zij erop dat de te verrichten werkzaamheden eerst in het werk concreet zijn gemaakt en dat zij (vrijwel) dagelijks op locatie overleg had met [naam eiser 1] en [naam eiser 2]. Daaruit kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat partijen expliciet zijn overeengekomen dat SRB op basis van regie zou werken.

4.7.

De vraag is dan of, in het licht van het voorgaande, sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door SRB.

[naam eiser 1] en [naam eiser 2] hebben daarover gesteld dat de verbouwing zó veel duurder bleek uit te pakken dan hun gerechtvaardigde verwachtingen ter zake, dat dit moet worden aangemerkt als een tekortkoming als bedoeld in artikel 7:756 BW.

De rechtbank deelt dit standpunt niet, en overweegt daartoe als volgt. Nu vaststaat dat partijen geen vaste prijs hebben afgesproken, niet op basis van regie is gewerkt en geen sprake is van een richtprijs, moet gelden dat SRB recht heeft op een redelijke prijs als bedoeld in rechtsoverweging 4.4. hierboven. De enkele stelling dat de verbouwing veel duurder uitvalt dan verwacht levert in dat licht geen tekortkoming op van de aannemer in de nakoming van verbintenis; laat staan een toerekenbare. Voor ontbinding op basis van die grond bestond dus geen aanleiding.

4.8.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben [naam eiser 1] en [naam eiser 2] naar voren gebracht dat de tekortkoming die aanleiding was voor de ontbinding ook behelsde dat zij herhaaldelijk aan SRB hebben gevraagd om informatie over de kosten en dat SRB die informatie telkens niet verstrekte.

Uitgangspunt is dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

SRB stelt zich op het standpunt dat, als zij inderdaad geen gehoor zou hebben gegeven aan de informatieverzoeken van [naam eiser 1] en [naam eiser 2], dit nog niet de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Volgens SRB ziet dit niet op de essentialia van de overeenkomst.

In artikel 7:750 BW zijn de voornaamste verplichtingen van de aannemer bepaald, te weten het tot stand brengen en opleveren van een werk van stoffelijke aard. Hierin is niet expliciet voorzien in een informatieplicht voor de aannemer. Verder is van belang dat gesteld noch gebleken is dat het verstrekken van informatie aan [naam eiser 1] en [naam eiser 2] over de kosten een verplichting is die uit hoofde van de aannemingsovereenkomst op SRB rustte. Daar komt bij dat, als al aangenomen zou moeten worden dat SRB zich daartoe verbonden had, naar het oordeel van de rechtbank een eventuele tekortkoming van SRB daarin niet dusdanig essentieel moet worden geacht, dat die tekortkoming een ontbinding van de overeenkomst zou hebben rechtvaardigd.

4.9.

Al met al komt de rechtbank tot het oordeel dat er aan de zijde van SRB geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van haar verbintenissen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst. Dit brengt met zich dat de vordering van [naam eiser 1] en [naam eiser 2], voor zover deze is gestoeld op ontbinding van de overeenkomst en een daaraan gekoppelde gehoudenheid van SRB om door [naam eiser 1] en [naam eiser 2] geleden schade te vergoeden, waaronder begrepen het beroep van [naam eiser 1] en [naam eiser 2] op het positieve contractsbelang zoals neergelegd in 6:277 BW, dient te worden afgewezen.

4.10.

Nu er niet van uit kan worden gegaan dat aan de overeenkomst een einde is gekomen door ontbinding, komt de subsidiaire grondslag van de vordering van [naam eiser 1] en [naam eiser 2] aan de orde, te weten dat de overeenkomst is beëindigd als gevolg van opzegging door [naam eiser 1] en [naam eiser 2], op basis van het bepaalde in artikel 7:764 BW. SRB onderschrijft de stelling van [naam eiser 1] en [naam eiser 2] dat de overeenkomst is geëindigd als gevolg van opzegging. Dit betekent dat tussen partijen afgerekend moet worden conform de systematiek van artikel 7:764 BW.

4.11.

De rechtbank stelt voorop dat op basis van lid 2 van artikel 7:764 BW de opdrachtgever (zijnde [naam eiser 1] en [naam eiser 2]) in beginsel de voor het gehele werk geldende prijs zal moeten betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer (SRB) uit de opzegging voortvloeien, tegen aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk. Nu er geen sprake is van een tussen partijen overeengekomen prijs voor het gehele werk, geldt dat het systeem moet worden gevolgd zoals is geformuleerd in de tweede zin van voormede bepaling, inhoudende dat, indien de prijs afhankelijk was gesteld van de werkelijke door de aannemer te maken kosten, de door de opdrachtgever verschuldigde prijs wordt berekend op grondslag van de gemaakte kosten, de verrichte arbeid en de winst die de aannemer over het gehele werk zou hebben gemaakt.

[naam eiser 1] en [naam eiser 2] stellen dat in dit kader niet alleen acht moet worden geslagen op de waarde van de door SRB verrichte werkzaamheden maar ook op de kosten die [naam eiser 1] en [naam eiser 2] moeten maken om het werk conform de offerte af te maken. In dit laatste kunnen [naam eiser 1] en [naam eiser 2] niet worden gevolgd. Het in artikel 7:764 BW neergelegde systeem heeft - kort gezegd - enkel betrekking op vergoeding van de door SRB verrichte werkzaamheden en in dat stelsel is geen plaats voor vergoeding door SRB aan [naam eiser 1] en [naam eiser 2] van de kosten die de nieuwe door hen ingeschakelde aannemer moet maken.

SRB maakt in dit kader enkel aanspraak op een redelijke vergoeding voor de door haar verrichte werkzaamheden omdat volgens haar ten tijde van de opzegging niet vast stond wat het verdere werk zou inhouden. De rechtbank leidt daaruit af dat SRB geen aanspraak maakt op de winst die zij over het gehele werk zou hebben gemaakt, maar wel op de winst die zij gemaakt heeft op de reeds door haar verrichte werkzaamheden. In het navolgende zal de rechtbank daar ook van uit gaan.

4.12.

Ten aanzien van de waardering van de door SRB gemaakte kosten en verrichte arbeid heeft de rechtbank, gezien de uiteenlopende standpunten van partijen daarover, behoefte aan een deskundigenbericht. De rechtbank zal partijen vooraf in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n), over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen alsmede over het voorschot. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.13.

De rechtbank merkt daarbij op dat zij voornemens is om aan de deskundige(n) te vragen een omschrijving te geven van de door SRB verrichte werkzaamheden en om aan de deskundige te vragen wat een aan die werkzaamheden verbonden redelijke kostprijs zou zijn, indien mogelijk uit te splitsen naar arbeid en materiaal, uitvoering van die werkzaamheden, alsmede naar een in de branche gebruikelijk winstpercentage.

4.14.

Iedere verdere beslissing omtrent de stolpboerderij maar ook over de factuur van

7 februari 2013 wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 november 2013 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2013.