Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9093

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
15/740431-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; vrijspraak medeplegen overval tankstation; bewezenverklaring medeplichtigheid overval tankstation; verwerping verweer ten aanzien van psychische overmacht; strafmaatverweer.

Verdachte heeft zich op 9 februari 2013 schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een overval op een tankstation te Haarlem. De medeverdachte is gewapend met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en met bedekt gezicht de tankshop binnengegaan en heeft de kassamedewerker onder dreiging van dat wapen tot afgifte van het geld uit de kassa gedwongen. Verdachte is hierbij behulpzaam geweest door de medeverdachte naar de plek van de overval te brengen, op hem te wachten en hem weer terug te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740431-13

Uitspraakdatum: 12 september 2013

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 augustus 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. van Hulsel en van wat verdachte en zijn raadsman mr. D.J.P. van Omme, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 09 februari 2013 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een geldbedrag (ongeveer 600 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [slachtoffer/tankstation], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 600,- euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [slachtoffer/tankstation], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op die [slachtoffer 2], daarbij dreigend de woorden toevoegend "kassa" en/of "geld" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Subsidiair

[medeverdachte 1] op of omstreeks 09 februari 2013 te Haarlem, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 600 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [slachtoffer/tankstation], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen tot afgifte van van een geldbedrag (ongeveer 600 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [slachtoffer/tankstation], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s),

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op die [slachtoffer 2], daarbij dreigend de woorden "Kassa"en/of "Geld" heeft/hebben toegevoegd, althans woorden van gelijke dreigend aard en/of strekking

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 09 februari 2013 te Haarlem en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte 1] in het voertuig (gekentekend [0ABC00], merk Volkswagen type Caddy) naar/in de directe omgeving van De [slachtoffer/tankstation] te brengen en/of af te zetten om (vervolgens) bij terugkeer van die [medeverdachte 1], tezamen in het voertuig weg te rijden/te vluchten uit de omgeving van De [slachtoffer/tankstation].

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2. Vrijspraak feit 1 primair
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rol van verdachte was, dat hij de overvaller jn een auto naar de plek van de overval heeft gereden, daar in de auto is blijven wachten en vervolgens met de overvaller is weggereden. Verdachte wist dat er door medeverdachte [medeverdachte 1] een overval gepleegd zou worden. Het brengen van zijn medeverdachte naar de plaats delict en het vervolgens vervoeren van de plaats delict naar elders vormen echter onvoldoende feitelijke handelingen om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking met de daadwerkelijke overvaller, gericht op het plegen van die overval. De rechtbank ziet in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat verdachte van tevoren afspraken of plannen met de medeverdachte heeft gemaakt.

Verdachte kan derhalve niet als medepleger van de ten laste gelegde overval worden beschouwd.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 9 februari 2013 omstreeks 05.00 uur bevindt verdachte zich samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in een Volkswagen Caddy met kenteken [0ABC00] te Amsterdam. Verdachte waarschuwt op enig moment de politie, omdat [medeverdachte 2] dronken is en wil gaan rijden.2 Nadat verdachte en [medeverdachte 1] de sleutel van de Volkwagen Caddy van [medeverdachte 2] hebben afgepakt, rijden verdachte en [medeverdachte 1] wat rondjes en vertrekken uiteindelijk richting Haarlem. Verdachte zit achter het stuur.3 De telefoon van verdachte straalt op 9 februari 2013 omstreeks 09.25 uur een zendmast in Haarlem aan.4 Zij stoppen tegenover tankstation [slachtoffer/tankstation] aan de [adres 2] te Haarlem. [medeverdachte 1] stapt uit de auto en kijkt of er klanten in de winkel van het tankstation aanwezig zijn.5 Als hij de auto weer instapt, wikkelt hij een sjaal over zijn hoofd en zet hij een pet op. Hij blijft nog even in de auto wachten totdat alle klanten bij het tankstation weg zijn. Vervolgens rent hij met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand naar het benzinestation toe.6 Verdachte wacht met de auto onder het viaduct op [medeverdachte 1]. Omstreeks 10.33 uur loopt [medeverdachte 1] de winkel van [slachtoffer/tankstation] binnen, alwaar medewerker [slachtoffer 2] op dat moment achter de balie staat.7 [medeverdachte 1] richt het op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de kassa en op [slachtoffer 2] en zegt daarbij de woorden: "Kassa" en "geld". Op het moment dat [slachtoffer 2] de overvalknop indrukt, loopt [medeverdachte 1] naar de zijkant van de balie. Hij houdt het wapen ondertussen op [slachtoffer 2] gericht. [slachtoffer 2] opent de kassa en pakt de kassalade eruit. Als [medeverdachte 1] de kassalade aanpakt, geeft [slachtoffer 2] nog een duw aan de lade, waardoor er geld op de grond valt. Vervolgens rent [medeverdachte 1] met de lade de winkel uit.8 Verdachte staat klaar met de Volkwagen Caddy met het portier open. [medeverdachte 1] stapt in en vervolgens rijden zij rustig weg in de richting van de Waarderpolder.9 In de auto haalt [medeverdachte 1] het geld uit de kassalade en gooit de lege kassalade uit het raam. Om 11.50 uur straalt de telefoon van verdachte weer een mast in Amsterdam aan.10 Later blijkt dat er een geldbedrag van ongeveer 600 euro is buitgemaakt.11

3.4. Bewijsoverweging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu het voor de deelnemingsvorm medeplichtigheid vereiste “dubbele opzet” bij verdachte ontbrak.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent het volgende.

Uit bovengenoemde redengevende feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte op de hoogte was van het feit dat [medeverdachte 1] een overval ging plegen. Verdachte is hier opzettelijk behulpzaam bij geweest door met [medeverdachte 1] naar de plek van de overval te rijden,, hem op te wachten en samen met hem weg te rijden. Terwijl [medeverdachte 1] de overval pleegde, had verdachte bovendien de mogelijkheid om zich uit de voeten te maken. Dat heeft hij niet gedaan, hij heeft ervoor gekozen op [medeverdachte 1] te blijven wachten en hij heeft zich niet van de overval gedistantieerd. De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan de overval.

3.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

[medeverdachte 1] op 9 februari 2013 te Haarlem, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot

afgifte van een geldbedrag (ongeveer 600 euro), toebehorende aan de [slachtoffer/tankstation], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat die

[medeverdachte 1],

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op die [slachtoffer 2], daarbij dreigend de woorden "Kassa"en "Geld" heeft toegevoegd,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 9 februari 2013 te Haarlem opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte 1] in het voertuig (gekentekend [0ABC00], merk Volkswagen type Caddy) naar/in de directe omgeving van de [slachtoffer/tankstation] te brengen en af te zetten om (vervolgens) bij terugkeer van die [medeverdachte 1], tezamen in het voertuig weg te rijden/te vluchten uit de omgeving van de [slachtoffer/tankstation].

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan afpersing.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte


Beroep op overmacht

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld, dat verdachte een geslaagd beroep op overmacht toekomt, nu verdachte de overval slechts heeft gepleegd omdat hij door mededader [medeverdachte 1] was bedreigd met een vuurwapen. Volgens de raadsman kon verdachte, mede wegens zijn beïnvloedbaarheid en lage intelligentieniveau zoals daarvan ook blijkt uit het omtrent verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport, in redelijkheid geen weerstand bieden aan deze dreiging. De raadsman heeft dan ook geconcludeerd tot ontslag van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet aannemelijk zijn dat verdachte zich ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit in zodanige bedreigende omstandigheden bevond, dat van hem in redelijkheid niet gevergd kon of mocht worden dat hij anders handelde dan hij heeft gedaan. Van zodanige omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet gebleken en ook overigens zijn deze niet aannemelijk geworden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte al de gehele avond en nacht met [medeverdachte 1] op pad was en dat zij samen naar muziek aan het luisteren waren en aan het roken waren. Dit valt niet te rijmen met de verklaring van verdachte dat hij bang was voor [medeverdachte 1]. Bovendien heeft verdachte eerder verklaard dat [medeverdachte 1] altijd met een wapen liep en dat dit wapen nep was. Mocht er al sprake zijn geweest van enige druk, dan had verdachte anders kunnen handelen dan dat hij nu heeft gedaan. Zo had verdachte zich van de overval kunnen distantiëren door weg te rijden of had hij de politie kunnen waarschuwen. Uit de gedragingen van verdachte eerder die avond, zoals het halen van de politie op het moment dat [medeverdachte 2] dronken is en het afpakken van de sleutels van de auto van [medeverdachte 2], volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte in staat is om hulp in te roepen als dat nodig is. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet onder zodanige externe druk stond dat hij daar redelijkerwijs geen weerstand aan kon bieden, zoals is vereist voor een geslaagd beroep op psychische overmacht. Het verweer wordt dan ook verworpen.


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot aanhouden van de zaak voor het benoemen van een deskundige voor het laten opstellen van een psychologische rapportage over verdachte.

De rechtbank wijst dit verzoek af en overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank neemt bij haar beslissing in aanmerking dat verdachte een laag IQ heeft en beïnvloedbaar is. Dit leidt echter niet tot de slotsom dat verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het plegen van dit feit. Daartoe zijn ook geen omstandigheden aangevoerd of gebleken.Wel zal bij het bepalen van de strafmaat – in het voordeel van de verdachte - rekening met deze, in de persoon van de verdachte gelegen, omstandigheden worden gehouden.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan tien (10) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren onder de bijzondere voorwaarden, zoals deze zijn verwoord in het advies van Reclassering Nederland van 27 juni 2013.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 9 februari 2013 schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een overval op het tankstation [slachtoffer/tankstation] te Haarlem. Medeverdachte [medeverdachte 1] is gewapend met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en met bedekt gezicht de tankshop binnengegaan en heeft de kassamedewerker onder dreiging van dat wapen tot afgifte van het geld uit de kassa gedwongen. Verdachte is hierbij behulpzaam geweest door [medeverdachte 1] naar de plek van de overval te brengen, op hem te wachten en hem weer terug te brengen. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Dit soort delicten behoort tot een categorie van strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en die gevoelens van grote onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken, meer in het bijzonder bij het slachtoffer. Slachtoffers van dit soort strafbare feiten ondervinden nog gedurende langere tijd de psychisch nadelige gevolgen van een dergelijke traumatische gebeurtenis. Bovendien is er financiële schade toegebracht aan de eigenaar van het tankstation.

Ter terechtzitting zijn de persoonlijke omstandigheden van verdachte uitgebreid besproken. De zus van verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat verdachte een zeer beïnvloedbare jongen is die zich gemakkelijk door andere jongens laat manipuleren. Uit het reclasseringsadvies d.d. 27 juni 2013 blijkt dat verdachte laagbegaafd is. Verdachte is in 2010 door Spirit Amsterdam onderzocht en uit dit onderzoek is gebleken dat de talige vaardigheden beter ontwikkeld zijn dan zijn handelende vaardigheden. Mevrouw Goené, werkzaam bij streetcornerwork, kent verdachte als een zeer beïnvloedbare jongen. Verdachte is hierdoor al eerder in de problemen gekomen. Zo zou verdachte onder dwang abonnementen op zijn naam hebben moeten afsluiten en hier zeer hoge schulden aan hebben overgehouden. Verdachte zou een persoon zijn die wordt gebruikt en wordt meegesleept door anderen. De moeder van verdachte onderschrijft dit beeld van verdachte. Zij stelt dat verdachte een jongen is die altijd iedereen direct gelooft en direct denkt dat mensen vrienden van hem zijn. Hierdoor zouden andere personen gemakkelijk misbruik van hem maken. Verdachte zou niet weerbaar zijn en zou niet lang genoeg nadenken over beslissingen en over de gevolgen van zijn handelen.

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat nog aangevoerd dat verdachte slechts een gering aandeel heeft gehad in het geheel en dat verdachte alles in werk wil stellen om te voorkomen dat hij wederom zal worden gebruikt door andere personen.

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals naar voren gekomen uit het strafdossier en in het verhandelde ter terechtzitting, grond in aanzienlijke mate af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd en hetgeen ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd.

In dit verband acht de rechtbank het onder meer van belang dat verdachte een laag IQ heeft en zeer beïnvloedbaar is. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte zich heeft laten meeslepen door [medeverdachte 1] bij het plegen van het delict. Tevens houdt de rechtbank in strafverlagende zin rekening met het feit dat de rechtbank verdachte als medeplichtige ziet en niet als medepleger, zoals de officier van justitie doet.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast vindt de rechtbank verplichte begeleiding door de reclassering noodzakelijk. Een dergelijke verplichting zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in ogenschouw genomen dat verdachte in het kader van de op te leggen bijzondere voorwaarden deel zal moeten nemen aan een CoVa plus training.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer/tankstation] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 750,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit schade aan de kassalade, het weggenomen geldbedrag en bedrijfsschade. De rechtbank acht de schade voldoende onderbouwd, nu deze is vastgesteld door een schade-expert. De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: medeplichtigheid aan afpersing) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 48, 49, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem primair ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert.

Verklaart dit feit strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot drie (3) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich na zijn detentie meldt op de door de Reclassering Nederland aangegeven datum, tijdstip en locatie en zich hierna zal blijven melden zo frequent en zolang als de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

- moet deelnemen aan de gedragsinterventie GI-LdH CoVaplus (IQ 70-90).

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer/tankstation] geleden schade tot een bedrag van € 750,- bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer/tankstation] voornoemd, rekeningnummer [0000000], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer/tankstation] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 750, -, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.P.J. Ruijpers, voorzitter,

mr. E.C. Smits en mr. C.A.M. van der Heijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Keulers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 september 2013.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 15 mei 2013, dossierpagina’s 71-73 en het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 15 mei 2013, dossierpagina’s 90-92 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2013, dossierpagina’s 134-135.

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 15 mei 2013, dossierpagina 72.

4 Het proces-verbaal van analyse van zendmastpaalgegevens d.d. 10 mei 2013, dossierpagina 146 e.v.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 9 februari 2013, dossierpagina 98 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 15 mei 2013, dossierpagina 73.

6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 15 mei 2013, dossierpagina 73.

7 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] namens [slachtoffer/tankstation] d.d. 9 februari 2013, dossierpagina 94 e.v., het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 9 februari 2013, dossierpagina 97-98 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2013, dossierpagina 113 e.v.

8 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 9 februari 2013, dossierpagina 97-98 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2013, dossierpagina 113 e.v.

9 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 9 februari 2013, dossierpagina 172..

10 Het proces-verbaal van analyse van zendmastpaalgegevens d.d. 10 mei 2013, dossierpagina 146 e.v.

11 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] namens [slachtoffer/tankstation] d.d. 9 februari 2013, dossierpagina 94 e.v.