Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9090

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-09-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
15/800678-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; medeplegen invoer verdovende middelen (cocaïne) te Schiphol; bekennende verklaring verdachte; verweer met betrekking tot psychische overmacht verworpen; strafmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800678-13

Uitspraakdatum: 6 september 2013

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 augustus 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Kubbinga en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.A. Korfker, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 juni 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2 Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 2 juni 2013;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van uitkijken camerabeelden van 25 mei 2013 d.d. 8 juni 2013;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van uitkijken camerabeelden van 2 juni 2013 d.d. 9 juni 2013;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van analyse historische gegevens telecom d.d. 19 juni 2013;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 7 juni 2013, los opgenomen in het strafdossier;

- een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Douane Laboratorium d.d. 13 juni 2013, kenmerk 6530 X 13, los opgenomen in het strafdossier.

3.3 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 2 juni 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op psychische overmacht en heeft geconcludeerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij wilde terugkomen op zijn besluit om de bollen met cocaïne te vervoeren naar Nederland, maar hij dat naar zijn gevoel niet meer kon omdat hij bang was voor de opdrachtgever. De opdrachtgever had voor vertrek namelijk tegen hem gezegd dat het slecht met hem zou aflopen als de politie verdachte zou pakken. Verder heeft de handlanger van de opdrachtgever op Curaçao - nadat verdachte niet in staat bleek te zijn de afgesproken aantal bollen te slikken - tegen verdachte gezegd dat hij wel zou zien wat er hem zou gebeuren. Ook nu verdachte in detentie zit, vreest hij voor wat er gaat gebeuren als hij vrijkomt.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met voornoemde verklaring onvoldoende heeft onderbouwd en daardoor onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er op het moment van het begaan van het feit sprake is geweest van een zodanige druk dat verdachte hier redelijkerwijs geen weerstand tegen kon en hoefde te bieden. Het beroep op psychische overmacht wordt dan ook verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank gaat er gelet op de verklaring van verdachte dat hij geen 42, maar 41 bollen met cocaïne heeft geslikt en al deze bollen dezelfde kleur hadden en de stukken in het dossier, in het bijzonder het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 7 juni 2013 waaruit blijkt dat van de 42 bollen die verdachte heeft geproduceerd één bol afwijkt qua kleur, van uit dat verdachte 41 bollen heeft geslikt met in ieder van die bollen een nettogewicht cocaïne van 10 gram. Verdachte heeft zich daarmee samen met een ander schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 410 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De eis van de officier van justitie is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding om de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht,

artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

12. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Ok, voorzitter,

mr. S.M. Christiaan en mr. H.M. Molenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.W. van der Hoek,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 september 2013.

Mr. S. Ok en mr. H.M. Molenaar zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.