Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9085

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-09-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
15/801539-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen (cocaïne) te Schiphol; ontkennende verdachte; verweren met betrekking tot vrijspraak verworpen; bewezenverklaring; verweren met betrekking tot psychische overmacht verworpen; straftoemeting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/801539-12

Uitspraakdatum: 16 september 2013

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 september 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L.B. Haneveld en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.R. Kok, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 december 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3303,2 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2 Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 10 december 2012 is vlucht PY 994 vanuit Paramaribo op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, geland. Tijdens een verscherpte douanecontrole op die vlucht reageerde de rijksspeurhond op de koffer die op naam was gesteld van verdachte. Verdachte en deze koffer zijn onderworpen aan een nader onderzoek. Tijdens dit onderzoek verklaarde verdachte dat deze koffer zijn eigendom is en dat hij deze zelf heeft ingepakt. Desgevraagd opende verdachte de koffer met het cijferslot 597. De verbalisant haalde de reizigersbagage eruit en voelde dat de lege koffer van verdachte abnormaal zwaar aanvoelde. Vervolgens heeft de verbalisant de koffer door de x-rayscan gehaald. Op het beeldscherm van het apparaat zag de verbalisant ongebruikelijke contouren in de bodem van de koffer. De verbalisant heeft een opening gemaakt in de bodem en zag een witte stof. De MMC cocaïnetest gaf een positieve reactie op deze substantie, waardoor het vermoeden is ontstaan dat de substantie cocaïne bevatte. Verdachte is daarop aangehouden.2 Het nettogewicht van de aangetroffen witte stof bedroeg 3303,2 gram. Vervolgens is een representatief monster ingezonden naar het Douane Laboratorium.3 Aldaar is vastgesteld dat het materiaal cocaïne bevatte.4 Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat er in zijn koffer cocaïne zat.5

3.3 Bewijsoverweging

Door de raadsman is vrijspraak bepleit, nu verdachte wel wetens maar niet willens de drugs binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en er dus geen sprake is van opzet.

De rechtbank is een ander oordeel toegedaan en overweegt daartoe het volgende.

De verklaringen van verdachte houden kort gezegd het volgende in. Verdachte is op uitnodiging van een vriend van hem, genaamd [medeverdachte 1], naar Suriname gereisd. Hij heeft [medeverdachte 1] leren kennen in de PI Noordsingel te Rotterdam. Na detentie hebben ze geen contact meer gehouden. Verdachte ging namelijk het ISD-traject in. Hij wilde op het goede pad blijven door onder meer mensen uit zijn detentieperiode uit de weg te gaan, zoals [medeverdachte 1]. Wanneer hij [medeverdachte 1] weer tegen het lijf loopt, neemt hij zijn uitnodiging aan om naar Suriname te gaan. Vervolgens betaalt [medeverdachte 1] het ticket en neemt verdachtes nieuwe paspoort voor zijn rekening. Wanneer de koffer van verdachte in Suriname stuk gaat, wordt er een nieuwe koffer door [medeverdachte 1] geregeld. Door bovengenoemde omstandigheden had er bij verdachte al een belletje moeten gaan rinkelen en had hij de nieuwe koffer uitvoerig moeten controleren. Wanneer hij terugvliegt naar Nederland, krijgt verdachte op het vliegveld te horen dat er drugs in zijn koffer zit. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vanaf dat moment wist dat er cocaïne in zijn koffer zat. Desalniettemin reist hij met de koffer met cocaïne naar Nederland, zonder een en ander te melden aan de crew in het vliegtuig of aanstonds aan de Koninklijke Marechaussee op Schiphol, zelfs niet als zijn koffer nader wordt gecontroleerd.

Verdachte heeft hierdoor minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aldus cocaïne binnen het grondgebied van Nederland bracht. Dat die kans aanmerkelijk was, berust in de onderhavige zaak zowel op de omstandigheid dat verdachte zo al niet eerder dan toch reeds op de luchthaven in Suriname wist van cocaïne in zijn koffer, als ook op het feit van algemene bekendheid dat er veelvuldig per vliegtuig cocaïne wordt gesmokkeld vanuit Suriname naar Europa. De rechtbank acht dan ook het voorwaardelijk opzet van verdachte op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de in zijn koffer aangetroffen hoeveelheid cocaïne bewezen en verwerpt het namens verdachte gevoerde verweer.

3.4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 10 december 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3303,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft een beroep gedaan op psychische overmacht en dat de verdachte daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte dit beroep toekomt, nu voor verdachte een dwangsituatie is ontstaan toen hem op de luchthaven in Suriname werd gezegd dat er anderhalve kilo drugs in zijn koffer zat, dat hij ervoor moest zorgen dat die koffer in Nederland ging komen en dat hij anders in Suriname in de gevangenis terecht zou komen.

Gelet op de hiervoor onder 3.3 weergegeven gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte onder zodanige psychische druk heeft gestaan dat redelijkerwijs niet van hem gevergd kon worden dat hij anders zou handelen dan hij thans heeft gedaan. Daarbij hecht de rechtbank met name belang aan het feit dat verdachte zich bij aankomst op Schiphol niet bij de autoriteiten heeft gemeld, zelfs niet toen zijn koffer door een douaneambtenaar nader werd onderzocht. Dat verdachte zich zo bedreigd zou hebben gevoeld dat dit hem niet kan worden tegengeworpen, is niet gesteld en bovendien uit geen van de stukken aannemelijk geworden.

Derhalve wordt het beroep op psychische overmacht dan ook verworpen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft door gebracht.

6.2 Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ruim 3 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 juni 2013 is de verdachte reeds vele malen eerder strafrechtelijk veroordeeld, doch met name voor andersoortige feiten.

Anders dan de raadsman ziet de rechtbank in de persoon van verdachte en de gestelde omstandigheden waaronder hij het feit heeft begaan geen aanleiding een lagere straf op te leggen dan geëist.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.


Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. van Keken, voorzitter,

mr. E.L. Grosheide en mr. B.A.A. Postma, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.W. van der Hoek,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 september 2013.

Mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 10 december 2012, dossierparagraaf B.1.2.

3 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 7 januari 2013, dossierparagraaf B.1.7.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Douane Laboratorium Amsterdam d.d. 17 januari 2013 (kenmerk 426 X 13), los opgenomen in het strafdossier.

5 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 2 september 2013.