Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9072

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
15/800795-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen (cocaïne) te Schiphol; ontkennende verdachte; verweren met betrekking tot vrijspraak verworpen; bewezenverklaring; LOVS richtlijnen; strafoplegging; deels voorwaardelijke gevangenisstraf onder oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800795-13

Uitspraakdatum: 1 oktober 2013

Tegenspraak

Strafvonnis (Promis)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 september 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

thans gedetineerd in De Penitentiaire Inrichting Haarlem te Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J. Maarleveld en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 03 juli 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een

(ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde op grond van het volgende.

Op 3 juli 2013 wordt er op Luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een verscherpte controle uitgevoerd op vlucht KL714 vanuit Paramaribo in verband met de toevoer van verdovende middelen uit diverse risicolanden, waaronder Suriname. Na een eerste selectiegesprek wordt verdachte naar de visitatieruimte overgebracht, waar zijn handbagage, te weten een zwarte rolkoffer, wordt geopend en gecontroleerd. Verdachte verklaart, terwijl zijn bagage wordt gecontroleerd, onder andere dat hij de etenswaren in zijn koffer, op de luchthaven heeft gekocht. In de zwarte rolkoffer wordt vervolgens een blauwe plastic tas aangetroffen met daarin vijf potten limonadepoeder van het merk Kool-Aid. Bij het openen van één van de potten wordt een sterke chemische lucht geroken en wordt vastgesteld dat de inhoud van de geopende pot bestaat uit witte brokken. Bij de doorboring met een fretboortje van één van die brokjes, blijft er een witte stof aan het boortje kleven, die qua kleur en samenstelling lijkt op cocaïne. Een MMC-test kleurt positief op cocaïne als deze op de stof wordt uitgetest. Daarop wordt verdachte aangehouden.

Na aanhouding van verdachte wordt een witte plastic tas in de zwarte rolkoffer aangetroffen met het opschrift STEPS, waarin drie dubbelgesealde pakketten pindasambal zitten. Eén van de pakketten wordt ter hand genomen en voelt abnormaal zwaar aan. Bij de scan in een X-ray apparaat vertoont het pakket afwijkende contouren en bij doorboring van het pakket blijft er een witte stof aan het fretboortje kleven, die ook een positieve kleurreactie vertoont bij een MMC-test.2

Bij nader onderzoek blijkt dat zich in elk van de vijf potten limonadepoeder een chemisch ruikende witte/lichtroze of witte/oranje poedersubstantie bevindt. Van elk van de potten wordt de inhoud gewogen. In de drie pakketten pindasambal blijken grijskleurige pakketten verstopt te zitten met daarin telkens een witte stof. De inhoud van de pakketten wordt gewogen. Het totale nettogewicht van de in de potten limonadepoeder aangetroffen substanties en de in de pakketten pindasambal aangetroffen stof bedraagt 4.223,7 gram. Acht representatieve monsters worden naar het Douane Laboratorium verstuurd.3 Uit onderzoek aldaar komt naar voren dat alle monsters cocaïne bevatten.4

Verdachte zegt de vijf potten limonadepoeder en drie dubbelgesealde pakketten pindasambal in een winkel op luchthaven Zanderij te hebben gekocht. Hij heeft deze vervolgens in zijn zwarte rolkoffer gedaan en deze rolkoffer te allen tijde bij zich gehad en in de gaten gehouden.5

3.3. Bewijsoverweging

Door en namens verdachte is vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van cocaïne in de potten limonadepoeder en pakketten pindasambal. Verdachte heeft verklaard dat hij deze levensmiddelen bij een winkel op de luchthaven Zanderij heeft gekocht en in zijn handbagage heeft gestopt. Hierbij zijn de alternatieve scenario’s aangevoerd dat het winkelpersoneel deze van tevoren geprepareerde levensmiddelen heeft meegegeven aan verdachte of dat er bij de controle in Nederland een verwisseling buiten medeweten van verdachte heeft plaatsgevonden van een deel van de inhoud van de zwarte rolkoffer van verdachte met de inhoud van de bagage van een andere passagier, die op hetzelfde moment als verdachte werd gecontroleerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

In zaken als deze, waar bij de inreis in hand- of ruimbagage verdovende middelen worden aangetroffen, geldt het uitgangspunt dat een passagier met de inhoud van zijn bagage bekend is en voor die inhoud dan ook verantwoordelijk is. Van dat uitgangspunt moet worden afgeweken indien op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk wordt dat een passagier niet met de inhoud bekend was en daarmee ook niet bekend had behoren te zijn. De rechtbank is van oordeel dat van het laatste in deze zaak niet is gebleken.

De rechtbank acht daarbij allereerst van belang de verklaring van verdachte dat hij de in zijn koffer aangetroffen potten limonadepoeder en pakketten pindasambal zelf heeft gekocht en op de hoogte was van de aanwezigheid van deze levensmiddelen in zijn handbagage. Dit heeft hij, aan de hand van de getoonde foto’s van de voornoemde levensmiddelen ter terechtzitting, bevestigd. Nu verdachte de getoonde levensmiddelen heeft aangewezen als de levensmiddelen die hij zegt te hebben gekocht, zijn handbagage inhoudende die producten op geen enkel moment onbewaakt heeft gelaten en telkens voorhanden heeft gehad, kan - anders dan door de raadsman bepleit - geen sprake zijn geweest van een verwisseling van de levensmiddelen, niet in Suriname en evenmin in Nederland. Dat alternatieve scenario wordt derhalve als onaannemelijk verworpen.

Het alternatieve scenario dat de winkel dan wel het winkelpersoneel de geprepareerde levensmiddelen aan verdachte heeft verkocht, wordt eveneens als onaannemelijk verworpen. Daarbij wordt allereerst in aanmerking genomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat er vanuit Suriname per vliegtuig veel verdovende middelen naar Europa worden gesmokkeld, met name door koeriers die ten behoeve van organisaties handelen en ook weten wat zij doen. Het is onwaarschijnlijk dat een organisatie een hoeveelheid cocaïne van ongeveer 4 kilo, die een aanzienlijke (straat)waarde vertegenwoordigt, laat vervoeren door een onwetende en willekeurige koerier die bij toeval de cocaïne in zijn bezit krijgt door de reeds geprepareerde potten limonadepoeder en pakketten pindasambal met daarin de cocaïne te kopen bij een winkel op de luchthaven in Suriname. Hieraan zijn namelijk aanzienlijke risico’s voor de organisatie verbonden, zoals het risico van verlies van de cocaïne en het risico dat de onwetende koerier de verdovende middelen voortijdig zelf ontdekt. Ook bestaat het risico dat de koerier later niet meer kan worden achterhaald.

Daarbij komt dat - volgens de verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting - afgezien van zijn zoon in Nederland en zijn oma in Suriname, niemand op de hoogte was van zijn heenreis naar Suriname en terugreis naar Nederland.

Daarenboven acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat ten tijde van de beweerde aankoop van de limonadepoeder en pindasambal, achter de kassa en in een ruimte behorende bij de winkel - met cocaïne geprepareerde - potten limonadepoeder en pakketten pindasambal zouden hebben klaargestaan, die er net zo uit zagen als de potten limonadepoeder en pakken pindasambal die verdachte, nadat hij deze in de schappen had zien staan, had willen kopen en aan de winkelier had aangewezen. Daarbij is nog van belang dat verdachte volgens zijn verklaring afgelegd ter terechtzitting, pas in de winkel heeft besloten om deze potten limonadepoeder te kopen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat zich cocaïne bevond in zijn handbagage, als ongeloofwaardig ter zijde moet worden gesteld. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de uit de potten limonadepoeder en pakketten pindasambal afkomstige hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 3 juli 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig (36) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan twaalf (12) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren en naast de algemene voorwaarden, de oplegging van de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en een begeleidingsverplichting.

6.2. Standpunt van de verdachte/de verdediging

De verdediging heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis bepleit met daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf en de oplegging van bijzondere voorwaarden, wegens de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en het aldaar besproken reclasseringsadvies van GGZ Palier Haarlem d.d. 30 augustus 2013 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 4.223,7 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als passende sanctie in aanmerking.

De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf passend en geboden en vindt dat daarin in toereikende mate rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank een meldplicht bij GGZ Reclassering Palier alsmede een begeleidingsverplichting noodzakelijk. Verplichting van die strekking zullen als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig (36) maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot twaalf (12) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie (3) jaren;

stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich zo spoedig mogelijk na zijn invrijheidstelling meldt bij GGZ Reclassering Palier op het adres (2015 BJ) Haarlem, Zijlweg 148C en zich hierna, gedurende de proeftijd van drie jaren, zal blijven melden, zolang en zo frequent de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich houdt aan de regels en voorschriften van begeleid wonen van Bavo Europoort te Rotterdam;

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Ok, voorzitter,

mr. E.L. Grosheide en mr. C.A.M. van der Heijden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.A. Beckers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 1 oktober 2013.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 3 juli 2013 (dossierparagraaf 1.1).

3 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 5 juli 2013 (dossierparagraaf 1.1.4).

4 Een schriftelijk bescheid, te weten het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 11 juli 2013, kenmerk 7589 X 13 (los opgenomen).

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.