Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9068

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
15/800780-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen (cocaïne) te Schiphol; bekennende verklaring; bewezenverklaring; strafoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800780-13

Uitspraakdatum: 1 oktober 2013

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 september 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Spanje),

thans gedetineerd in De Penitentiaire Inrichting Haarlem te Haarlem,

hierna te noemen verdachte.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J. Maarleveld en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.J. Mascini, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- een proces-verbaal van bevindingen en overdracht d.d. 19 juni 2013 (dossierparagraaf 2.1);

- een proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juni 2013 (dossierparagraaf 2.2);

- een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 21 juni 2013 (dossierparagraaf 2.4);

- een schriftelijk bescheid, te weten het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 25 juli 2013, zaaknummer 2013.06.25.051 (los opgenomen).

De door de rechtbank als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 juni 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden met aftrek van tijd die verdachte in verzekering, in voorlopige hechtenis en - ingevolge het verzoek om overlevering - in detentie in Spanje heeft doorgebracht.

6.2. Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheden waaronder het feit is begaan alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte, aanleiding geven om in het voordeel van verdachte af te wijken van hetgeen ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van in totaal 1,9 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als passende sanctie in aanmerking.

De officier van justitie heeft bij de formulering van zijn strafeis rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen door in het voordeel van verdachte af te wijken van de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf passend en geboden en ziet geen aanleiding daarvan af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het onder 3.3. bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering, in voorlopige hechtenis en ingevolge een Nederlands verzoek om overlevering in detentie in het buitenland (Spanje) heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. Ok, voorzitter,

mr. E.L. Grosheide en mr. C.A.M. van der Heijden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.A Beckers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 1 oktober 2013.