Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:9065

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
15/800797-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

beslissing op bezwaarschrift gericht tegen de weigering van de rechter-commissaris tot het doen van nader onderzoek verzocht door de verdediging van verdachte ex art. 182 lid 6 Wetboek van het Wetboek van Strafvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige raadkamer

Parketnummer: 15/800797-13

Uitspraakdatum: 17 september 2013

Beschikking (ex artikel 182 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 28 augustus 2013 is ter griffie van de rechtbank Noord-Holland ingekomen een door

mr. A.L. Louwerse, advocaat te Haarlem, ingediend bezwaarschrift, gedateerd 26 augustus 2013, van:

[bezwaarde], bezwaarde,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem,

domicilie kiezende ten kantore van mr. A.L. Louwerse, voornoemd.

Op 17 september 2013 is het bezwaarschrift achter gesloten deuren in raadkamer behandeld. Bezwaarde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Louwerse, voornoemd.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. J.J. Maarleveld.

Bij de behandeling zijn bezwaarde, de officier van justitie en de raadsvrouw gehoord.

Van het verhandelde in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt hier als ingelast beschouwd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak tegen bezwaarde.

2. De ontvankelijkheid van bezwaarde in zijn bezwaarschrift

Bij beschikking van 16 augustus 2013 heeft de rechter-commissaris het verzoek van de raadsvrouw van bezwaarde tot het doen van nadere onderzoekshandelingen gemotiveerd afgewezen. Op 28 augustus 2013 is namens bezwaarde een bezwaarschrift ingediend. De rechtbank stelt vast dat, overeenkomstig de wettelijke voorschriften, het bezwaarschrift binnen veertien dagen na de beslissing van de rechter-commissaris is ingediend, mitsdien tijdig. Bezwaarde kan derhalve in zoverre in zijn bezwaarschrift worden ontvangen.

3. De standpunten van de raadsvrouw en de officier van justitie

Door en namens bezwaarde is bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarin het verzoek tot het verrichten van diverse onderzoekshandelingen, waaronder het horen van getuigen, is afgewezen.

Ter toelichting van het bezwaar voert de raadsvrouw in de eerste plaats aan dat er sprake lijkt te zijn van een tunnelvisie aan de zijde van het openbaar ministerie gelet op de inhoud van de verhoren en het gebrek aan nader onderzoek naar het naar voren gebrachte alternatieve scenario. De afwijzende beschikking van de rechter-commissaris lijkt te zijn ingegeven door twijfel aan het alternatieve scenario zoals door verdachte is geschetst. Deze twijfel is gebaseerd op één zinnetje in het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen van 3 juli 2013. Naar aanleiding daarvan wil de rechter-commissaris ambtshalve twee verbalisanten doen horen met de overige onderzoekshandelingen wachten tot na de verhoren van de verbalisanten. Het is echter anders gegaan dan is weergegeven in het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen. Bezwaarde heeft geen kans gehad om zich te verdedigen. Daarbij komt dat het goed denkbaar is dat de verbalisanten, gezien het tijdsverloop en de hoeveelheid personen die zij op een dag zien, de zaak van bezwaarde niet zullen herinneren en niets toe zullen voegen aan het onderzoek. De verdediging acht het daarom noodzakelijk dat de verzochte onderzoekshandelingen alsnog, en indien mogelijk,vóór de verhoren van de verbalisanten, uitgevoerd worden.

Ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte] verzoekt de verdediging aan de rechtbank om te beslissen dat zij verhoord wordt door de rechter-commissaris, en dus niet door de Koninklijke Marechaussee. Dit zodat de verdediging haar ondervragingsrecht daadwerkelijk kan uitoefenen.

Met betrekking tot [getuige 1] (bijnaam: “[getuige 1]”) en de neven van “[getuige 1]” geldt dat zij vlak voor het vertrek van client aanwezig waren in zijn kamer in het guesthouse, waar de bewuste koffer lag. Zij dienen daarover verhoord te worden. Dit alles kan het scenario als door verdachte geschetst, ondersteunen. Met de gegevens die over deze neven voorhanden zijn, moet het mogelijk zijn om hen middels een rechtshulpverzoek te traceren.

De getuigen [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] zouden volgens de raadsvrouw kunnen bevestigen dat de vriendschap tussen bezwaarde en “[getuige 1]” van lange duur is, en dat zij elkaar vrijwel dagelijks spraken. Nader onderzoek naar de tickets zou kunnen bevestigen dat het ticket is betaald door “[getuige 1]” en/of [medeverdachte] en nader onderzoek naar de telefoons zou een eventueel contact tussen verdachte en “[getuige 1]” en/of [medeverdachte] of tussen “[getuige 1]” en [medeverdachte] aan het licht kunnen brengen.

De raadsvrouw concludeert dat er ten aanzien van alle verzochte onderzoekshandelingen sprake is van een verdedigingsbelang, zodat het bezwaarschrift op alle punten gegrond verklaard dient te worden.

De officier van justitie verzet zich niet tegen het horen van “[getuige 1]”, bezwaarde zelf en medeverdachte [medeverdachte]. De officier van justitie zal tevens proberen te bewerkstellingen dat het verhoor van bezwaarde plaatsvindt vóór 8 oktober, de datum waarop de verbalisanten nader zullen worden gehoord door de rechter-commissaris.

De officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat het horen van [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] niet van belang is voor enig in de strafzaak te nemen beslissing, nu hun verklaringen over de vriendschap tussen bezwaarde en “[getuige 1]” geen toevoeging zullen zijn op de verklaringen van bezwaarde, “[getuige 1]” en medeverdachte [medeverdachte]. Het openbaar ministerie twijfelt er niet aan dat ”[getuige 1]” een goede vriend is van bezwaarde en over het feit zelf kunnen deze personen verder niet verklaren.

Wat betreft het horen van de neven van “[getuige 1]” heeft de verdediging onvoldoende gegevens van die neven aangedragen, zoals hun volledige namen en adressen. Daardoor is een rechtshulpverzoek tot het horen van die neven onmogelijk.

Nader onderzoek naar de tickets en de telefoons acht de officier van justitie overbodig, nu niet ter discussie staat dat het ticket voor bezwaarde is betaald door “[getuige 1]” en/of [medeverdachte] en er volgens het proces-verbaal van onderzoek naar de telefoons, niets ter zake dienende in de telefoons is aangetroffen. Als er wel enig contact was geweest tussen de betrokkenen in de onderhavige strafzaak, dan zou dat in het reeds opgemaakte proces-verbaal gerelateerd zijn. In zoverre is de officier van justitie derhalve van oordeel dat het bezwaarschrift ongegrond verklaard dient te worden.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechter-commissaris heeft in zijn afwijzende beslissing geoordeeld dat - zakelijk weergegeven - enkele onderzoekswensen reeds zijn toegezegd door het openbaar ministerie, het verdedigingsbelang ontbreekt waar het betreft onderzoek naar de vliegtickets en met het horen van nadere getuigen dient te worden gewacht totdat de reeds toegezegde verhoren en de ambtshalve bevolen verhoren van de verbalisanten hebben plaatsgevonden.

In de Memorie van Toelichting bij de Wet versterking positie rechter-commissaris valt in paragraaf 5.2.2. (Het verrichten van onderzoekshandelingen op verzoek van de verdachte) te lezen dat in de voorgestelde regeling van artikel 182 van het wetboek van Strafvordering de rechter-commissaris het daarin bedoelde verzoek afwijst ‘indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing’.1

Met de raadsvrouw en de officier van justitie ziet de rechtbank verdedigingsbelang in het (nader) horen van “[getuige 1]” en medeverdachte [medeverdachte]. Het bezwaarschrift is in zoverre gegrond en de rechtbank zal bevelen dat “[getuige 1]” en [medeverdachte] door de rechter-commissaris worden verhoord, daarmede het ondervragingsrecht van de verdediging waarborgend. Het horen van bezwaarde zal plaatsvinden bij de Koninklijke Marechaussee, nu, naar de rechtbank begrijpt, het bezwaarschrift zich daar niet tegen verzet.

Omtrent de overige onderzoekshandelingen overweegt de rechtbank als volgt.

Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het horen van [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] en het verrichten van nader onderzoek naar de tickets en mobiele telefoons, niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing. Immers, gedurende de behandeling in raadkamer heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat de aankoop van de tickets door “[getuige 1]” en/of [medeverdachte] en het bestaan van een (hechte) vriendschap tussen “[getuige 1]” en bezwaarde niet ter discussie staan. Verder is er wat betreft het telefoonverkeer geen reden tot een nader proces-verbaal, nu uit het reeds opgemaakte proces-verbaal is gebleken dat in het onderzoek naar dat telefoonverkeer niets ter zake dienende is aangetroffen. Een nader proces-verbaal zal derhalve dezelfde inhoud bevatten als het reeds opgemaakte proces-verbaal en daarmee niet bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing. Verder zijn er over de neven van “[getuige 1]” geen personalia bekend, noch zijn deze opgegeven door de verdediging, waardoor het niet mogelijk is om hen middels een rechtshulpverzoek te doen verhoren. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de rechter-commissaris met betrekking tot de ‘overige’ onderzoekshandelingen in redelijkheid tot de afwijzende beslissing heeft kunnen komen, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het bezwaarschrift is in zoverre dan ook ongegrond.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het bezwaarschrift met betrekking tot het horen van medeverdachte [medeverdachte] en “[getuige 1]” gegrond en voor het overige ongegrond moet worden verklaard.

5. De beslissing

De rechtbank:

verklaart het bezwaarschrift met betrekking tot het horen door de rechter-commissaris van medeverdachte [medeverdachte] en [getuige 1] (bijnaam: “[getuige 1]”) gegrond;

verklaart het bezwaarschrift voor het overige ongegrond.

6. Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door

mr. E.L. Grosheide, voorzitter,

mr. C.A.M. van der Heijden en mr. S. Ok, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.A. Beckers, griffier,

en uitgesproken op dinsdag 17 september 2013.

1 Memorie van Toelichting bij de Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten tot versterking van de positie van de rechter-commissaris, Kamerstukken II, 2009-2010, 32177, nr. 3.