Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:8694

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
C/14/148128/OT RK 13/1061
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dreigende uitzetting alleen onvoldoende reden voor uithuisplaatsing

Een uitgeprocedeerd gezin dreigt te worden uitgezet naar Irak. Dreigende uitzetting en/of verblijf van minderjarigen in vreemdelingenbewaring is op zich geen reden voor uithuisplaatsing. Voor uithuisplaatsing is vereist dat aan de daarvoor in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2013-0187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing

Afdeling Privaatrecht

Sectie Familie & Jeugd

DV

Rekestnummer: C/14/148128 / OT RK 13/1061

Datum uitspraak: 25 september 2013

Beschikking van de kinderrechter in bovenvermelde rechtbank, gegeven in de zaak met betrekking tot de minderjarigen:

[kind 1], geboren te Zakho, IRAK, op [geboortedatum 1],

[kind 2], geboren te Boxmeer, op [geboortedatum 2],

[kind 3], geboren te Leeuwarden, op [geboortedatum 3],

vader: [vader], verblijvende te Gilze-Rijen,

moeder: [moeder], verblijvende te Gilze-Rijen,

gezag: de ouders.

PROCESGANG

De kinderrechter te Alkmaar heeft bij beschikking van 28 maart 2013 de ondertoezichtstelling van de minderjarigen uitgesproken voor de duur van een jaar, tot 28 maart 2014.

Op 21 augustus 2013 heeft de Stichting Nidos (hierna: Nidos) de kinderrechter verzocht een machtiging tot spoeduithuisplaatsing af te geven voor de minderjarigen voor de duur van vier weken en voorts machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Op diezelfde dag heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, de gevraagde machtiging tot spoeduithuisplaatsing voor de minderjarigen verleend voor de termijn van vier weken en de zaak voor het overige aangehouden.

De kinderrechter heeft kennis genomen van het faxbericht van het Nidos van 21 augustus 2013.

Op 3 september 2013 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn de ouders, bijgestaan door mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, [kind 1], [kind 2], mevrouw[naam tolk], tolk Koerdisch, en namens Nidos [naam 1] en[naam 2]. De verschenen minderjarigen zijn ook afzonderlijk gehoord.

OVERWEGINGEN

Standpunten van partijen

Nidos heeft verzocht een machtiging uithuisplaatsing af te geven voor de minderjarigen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 28 maart 2014. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft Nidos in het verzoekschrift onder meer het volgende aangevoerd:

“[…] Nidos is van mening dat het onverantwoord is om dit gezin, waar een ondertoezichtstelling is opgelegd, uit te zetten naar Irak waar de kinderbeschermings-maatregel niet kan worden overgenomen.

Nidos maakt zich ernstige zorgen over de situatie van de kinderen zowel nu in detentie, maar vooral na uitzetting. De ondertoezichtstelling is uitgesproken omdat de kinderen ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling. De stressvolle situatie van uitzetting naar een land waar de familie 14 jaar niet is geweest, zal ernstige negatieve gevolgen hebben in de ontwikkeling van de kinderen. Dit willen wij als kinderbeschermingsinstelling niet accepteren en staat ook haaks op de opdracht die wij van de kinderrechter hebben gekregen toen deze de ondertoezichtstelling uitsprak.[…] Al met al is de situatie zo ernstig, dat wij het onverantwoord vinden dat de jongeren met hun ouders tezamen worden uitgezet. […]”

Ter zitting heeft Nidos mede als grondslag voor het verzoek om (spoed)uithuisplaatsing genoemd het feit dat er op het moment van indiening van het verzoek sprake was van een bijzonder schrijnende situatie, waarin ook de minderjarigen in vreemdelingenbewaring waren gesteld. Die situatie was niet geschikt voor deze beschadigde minderjarigen.

Inmiddels is het gezin weer herenigd. Het samenzijn bevalt alle betrokkenen beter dan de situatie waarin zij niet bij elkaar waren. Om die reden wordt nu verzocht de uithuisplaatsing niet langer te laten voortduren. Dat neemt niet weg dat Nidos vindt dat het verzoek op 21 augustus jl. terecht is ingediend en gehonoreerd.

Zowel de ouders als de minderjarigen hebben te kennen gegeven dat zij heel blij zijn dat het gezin weer is herenigd. De onzekerheid over de verblijfsstatus en de mogelijke uitzetting naar Irak levert veel spanning op voor alle gezinsleden, maar zij kunnen deze periode samen beter doorstaan dan wanneer ze gescheiden zijn.

De advocaat van de ouders heeft naar voren gebracht dat Nidos alles probeert om de minderjarigen te beschermen, maar dat er geen beschermende maatregel is die ziet op dit soort situaties. Zij vindt het moedig dat de kinderrechter op 21 augustus jl. de spoeduithuisplaatsing heeft uitgesproken. Zij acht die beslissing voor dat moment juist, maar meent dat het belang van de minderjarigen thans niet meer is gediend met het voortduren van de uithuisplaatsing. Het gezin is uitgeprocedeerd en heeft geen rechtmatig verblijf. Wel loopt er nog een bezwaarprocedure tegen de afwijzing van het verzoek om in aanmerking te komen voor het kinderpardon.

Beoordeling

De kinderrechter merkt allereerst op dat hij zich bevoegd acht om over het verzoek te oordelen. Daartoe overweegt de kinderrechter dat de ouders en de minderjarigen ten tijde van de indiening van het verzoek verbleven in een binnen het arrondissement van de rechtbank Noord-Holland gelegen uitzetcentrum te Den Helder. Voor zover deze rechtbank lopende de procedure onbevoegd mocht zijn geworden vanwege de verplaatsing van het gezin naar Gilze-Rijen, overweegt de rechtbank dat partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben ingestemd met behandeling van het verzoek door deze rechtbank.

De kinderrechter stelt vast dat zowel Nidos als de ouders en de ter zitting verschenen minderjarigen hebben verklaard dat zij met ingang van de zittingsdatum een machtiging tot uithuisplaatsing niet langer in het belang van de minderjarigen achten. De kinderrechter is met partijen van oordeel dat het gezin thans gebaat is bij voortduren van het samenzijn. Om die reden zal de kinderrechter de bij beschikking van 21 augustus 2013 voor de duur van vier weken verleende machtiging tot spoeduithuisplaatsing met ingang van 3 september 2013 vervallen verklaren en het verzoek, voor zover dat ziet op het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling, voor het overige afwijzen.

Partijen hebben ter zitting uitdrukkelijk aan de kinderrechter gevraagd om zijn visie te geven op de vraag of de machtiging tot spoeduithuisplaatsing op 21 augustus 2013 terecht is verleend. Hoewel er geen beslispunt voorligt, zal de kinderrechter vanwege het principiële karakter van deze rechtsvraag en ter voorlichting van Nidos voor eventuele volgende verzoeken, in de onderstaande overweging ten overvloede ingaan op dit uitdrukkelijke verzoek van partijen.

De kinderrechter overweegt dat (dreigende) uitzetting alleen nooit voldoende reden kan zijn om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2008, C07/009 (LJN: BD3135; zie met name de rechtsoverwegingen 3.4.2 en 3.4.5), volgt immers dat de wetgever heeft beoogd de rechtsbescherming van de vreemdeling in het kader van de Vreemdelingenwet 2000 bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter (in het bijzonder de vreemdelingenrechter). Volgens de Hoge Raad biedt de Vreemdelingenwet 2000 de vreemdeling met betrekking tot de rechtmatigheid van jegens hem als zodanig door een bestuursorgaan op grond van die wet gegeven beschikkingen en verrichte handelingen, een stelsel van rechtsbescherming dat in zodanige mate waarborgt dat de vreemdeling de rechtmatigheid van die beschikkingen en handelingen ter beoordeling kan voorleggen aan de vreemdelingenrechter, dat dienaangaande geen noodzaak bestaat tot aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter. De kinderrechter voegt hieraan toe dat ook de vreemdelingenrechter gehouden is te toetsen aan de rechtstreeks werkende bepalingen van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.

Het feit dat de minderjarigen in vreemdelingenbewaring zijn gesteld, is evenmin voldoende voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing. Op grond van de Vreemdelingencirculaire 2000 (A5, paragraaf 2.4) is voor een gezin met minderjarige kinderen vreemdelingenbewaring gedurende een beperkte periode toegestaan. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 mei 2010 (LJN: BM5550) is overwogen dat uit deze paragraaf blijkt dat door het stellen van een maximum duur aan vrijheidsontneming van minderjarige kinderen het belang van deze kinderen is betrokken in het door de minister gevoerde beleid. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak geoordeeld dat niet is gebleken dat, mede bezien in het licht van de in voormeld beleid gestelde maximale duur van de vrijheidsontneming, in een geval als het onderhavige de omstandigheden in het uitzetcentrum tekortschieten voor een toereikend te achten opvang van minderjarige kinderen voor de periode waarin hun die maatregel kan worden opgelegd.

Dat neemt niet weg dat de gevolgen van een dreigende uitzetting en/of vreemdelingenbewaring voor de gemoedstoestand en de ontwikkeling van minderjarigen zo ernstig kunnen zijn, dat zich een noodzaak voordoet tot het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel. Daarvoor is echter wel vereist dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel. De kinderrechter vindt voor deze visie steun in de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 17 juli 2012 (LJN: BX6049) over een verzoek tot ondertoezichtstelling, waarin de beschikking van de voormalige rechtbank Haarlem van 22 mei 2012 met zaaknummer 192258 / JU RK 12-563 is bekrachtigd. In die uitspraak heeft het gerechtshof overwogen dat dreiging van uitzetting, hoe ingrijpend ook, op zichzelf nog niet kan worden beschouwd als een bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of van de gezondheid van de kinderen, ook al is het hof gebleken dat zowel de ouders als de kinderen zich grote zorgen maken over hun toekomst aldaar. Het hof heeft verder overwogen dat afgezien daarvan niet is gebleken dat er momenteel nog problemen in het gezin bestaan van zodanige aard, die niet door vrijwillige hulpverlening zouden kunnen worden verholpen, dat een gedwongen kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is.

Op grond van artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter slechts een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Uit navraag bij de kinderrechter die de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend is gebleken dat er op 21 augustus 2013 bij de minderjarigen sprake was van een psychische noodsituatie en dat ook bij de ouders de psychische nood zo groot was dat zij op dat moment niet meer in staat waren om hun kinderen op verantwoorde wijze te verzorgen. Zo bezien is op 21 augustus 2013 de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing op goede gronden verleend.

BESLISSING

De kinderrechter:

- verklaart de bij beschikking van 21 augustus 2013 aan NIDOS voor de duur van vier weken verleende machtiging tot spoeduithuisplaatsing van de minderjarigen:

[kind 1], geboren te Zakho, IRAK, op [geboortedatum 1],

[kind 2], geboren te Boxmeer, op[geboortedatum 2],

[kind 3], geboren te Leeuwarden, op [geboortedatum 3],

bij pleegouder(s) 24-uurs voor de termijn van vier weken,

vervallen met ingang van 3 september 2013;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het verzoek af voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.P. van der Haak, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2013, in tegenwoordigheid van T.B.A. Verbeij als griffier.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.