Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:8650

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
15/710550-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is in de nacht van oud en nieuw bij de vriendin van zijn broer in bed gestapt, die bij zijn familie woonde en heeft haar betast. Door het betasten is zij wakker geworden en zij was in eerste instantie in de veronderstelling dat het haar vriend was, de broer van verdachte. Toen zij zich naar hem toedraaide, zag ze dat het verdachte was en heeft ze hem uit bed geduwd. Verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijk handelen langdurig schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer, zeker wanneer het, zoals nu, in de huiselijke sfeer heeft plaatsgevonden, een plek bij uitstek waar iemand zich veilig mag wanen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt deze impact ook.

De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat verdachte bij het begaan van dit feit onder invloed van cocaïne en alcohol was en hij zich inmiddels vrijwillig daarvoor heeft laten behandelen bij de Brijder Stichting. Uit het reclasseringsadvies volgt dat sprake lijkt te zijn geweest van een eenmalig incident, terwijl eerdere criminogene factoren gestabiliseerd lijken te zijn evenals het maatschappelijk leven van verdachte. Ten slotte heeft verdachte er ter zitting blijk van gegeven het laakbare van zijn gedrag in te zien, welk gedrag ook heeft geleid tot verslechterde familieverhoudingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710550-12

Uitspraakdatum: 24 september 2013

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 september 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Peters en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. Oversier, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 december 2011 tot en met 01 januari 2012 te Abbenes, gemeente Haarlemmermeer, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit

- het betasten en/of aanraken van de buik en/of borsten van die [slachtoffer] en/of

- het betasten en/of aanraken van de onderbroek ter hoogte van en/of op de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het kussen van de nek en/of schouders en/of (linker)borst van die [slachtoffer]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds betasten en/of aanraken van de buik en/of borsten en/of onderbroek ter hoogte van en/of op de vagina van die [slachtoffer] en/of het onverhoeds kussen van de nek en/of schouders en/of (linker)borst van die [slachtoffer].

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 25 januari 2012, dossierpagina's 17.

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 31 december 2011 tot en met 1 januari 2012 te Abbenes, gemeente Haarlemmermeer, door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit

- het betasten en/of aanraken van de buik en borsten van die [slachtoffer] en

- het betasten en/of aanraken van de onderbroek ter hoogte van en op de vagina van die [slachtoffer] en

- het kussen van de nek en/of schouders en linkerborst van die [slachtoffer]

en bestaande die andere feitelijkheden uit het onverhoeds betasten en/of aanraken van de buik en/of borsten en/of onderbroek ter hoogte van en op de vagina van die [slachtoffer] en het onverhoeds kussen van de nek en/of schouders en linkerborst van die [slachtoffer].

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

aanranding

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren en de gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met de schadevergoedingsmaatregel.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringrapport van Palier d.d. 26 juni 2013 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is in de nacht van oud en nieuw bij de vriendin van zijn broer in bed gestapt, die bij zijn familie woonde en heeft haar betast. Door het betasten is zij wakker geworden en zij was in eerste instantie in de veronderstelling dat het haar vriend was, de broer van verdachte. Toen zij zich naar hem toedraaide, zag ze dat het verdachte was en heeft ze hem uit bed geduwd. Verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijk handelen langdurig schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer, zeker wanneer het, zoals nu, in de huiselijke sfeer heeft plaatsgevonden, een plek bij uitstek waar iemand zich veilig mag wanen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt deze impact ook.

De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat verdachte bij het begaan van dit feit onder invloed van cocaïne en alcohol was en hij zich inmiddels vrijwillig daarvoor heeft laten behandelen bij de Brijder Stichting. Uit het reclasseringsadvies volgt dat sprake lijkt te zijn geweest van een eenmalig incident, terwijl eerdere criminogene factoren gestabiliseerd lijken te zijn evenals het maatschappelijk leven van verdachte. Ten slotte heeft verdachte er ter zitting blijk van gegeven het laakbare van zijn gedrag in te zien, welk gedrag ook heeft geleid tot verslechterde familieverhoudingen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een straf zoals door de officier van justitie is geëist passend en geboden is.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van €1.249,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 60,- eigen bijdrage voor eerstelijns psychologische zorg (3 sessies), € 189,- wettelijk eigen risico voor eerstelijns psychologische zorg (3 sessies) en € 1.000,- immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op € 0,-.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: aanranding] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 22c, 22d, 36f, 246 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van honderd (100) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 1.249,-, bestaande uit € 249,- voor de materiële en
€ 1.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.249,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Dijk, voorzitter,

mr. W.J. van Andel en mr. M.J.A. Plaisier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 september 2013.

Mr. J.J. Dijk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.