Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:8649

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
15/740429-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op 9 februari 2013 schuldig gemaakt aan een overval op het tankstation [tankstation/slachtoffer] te Haarlem. Verdachte is gewapend met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en met bedekt gezicht de tankshop binnengegaan en heeft de kassamedewerker onder dreiging van dat wapen tot afgifte van het geld uit de kassa gedwongen. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Dit soort delicten behoort tot een categorie van strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en die gevoelens van grote onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken, meer in het bijzonder bij het slachtoffer. Slachtoffers van dit soort strafbare feiten ondervinden nog gedurende langere tijd de psychisch nadelige gevolgen van een dergelijke traumatische gebeurtenis. Bovendien is er financiële schade toegebracht aan de eigenaar van het tankstation.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740429-13

Uitspraakdatum: 12 september 2013

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 augustus 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel, locatie De Weg.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. van Hulsel en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.M.F.R. Ketwaru, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 februari 2013 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een geldbedrag (ongeveer 600 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de firma [tankstation/slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 600,- euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de firma [tankstation/slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op die [slachtoffer 2], daarbij dreigend de woorden toevoegend "kassa" en/of "geld" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Bewijsmiddelverweer

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat deze tegenstrijdig en leugenachtig zouden zijn. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit standpunt een aantal voorbeelden uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] gegeven.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat er geen enkel bewijsmiddel voorhanden is waaruit zou moeten blijken dat [medeverdachte] in strijd met de waarheid heeft verklaard. De verschillende verklaringen van [medeverdachte] bij de politie en de rechter-commissaris zijn op hoofdlijnen consistent te noemen. [medeverdachte] heeft van meet af aan gedetailleerd en consistent verklaard over de betrokkenheid van verdachte bij de overval. Daarnaast worden deze verklaringen op wezenlijke punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo worden zijn verklaringen ondersteund door de verklaring van [betrokkene], de bevindingen van de getuigen en de camerabeelden. Ook overigens heeft de rechtbank geen enkele reden aan de betrouwbaarheid van de door [medeverdachte] afgelegde verklaringen te twijfelen. De enkele omstandigheid dat zijn verklaring op ondergeschikte punten uiteenloopt, maakt dat niet anders.

De rechtbank acht de verklaringen van [medeverdachte] derhalve bruikbaar voor het bewijs.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 9 februari 2013 omstreeks 05.00 uur bevindt verdachte zich samen met [medeverdachte] en [betrokkene] in een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] te Amsterdam. [medeverdachte] waarschuwt de politie, omdat [betrokkene] dronken is en wil gaan rijden.2 Nadat verdachte en [medeverdachte] de sleutel van de Volkwagen Caddy van [betrokkene] hebben afgepakt, rijden verdachte en [medeverdachte] wat rondjes en vertrekken uiteindelijk richting Haarlem. [medeverdachte] zit achter het stuur.3 De telefoon van [medeverdachte] straalt op 9 februari 2013 omstreeks 09.25 uur een mast in Haarlem aan.4 Zij stoppen tegenover tankstation [tankstation/slachtoffer] aan de Friese Varkensmarkt te Haarlem. Verdachte stapt uit de auto en kijkt of er klanten in de winkel van het tankstation aanwezig zijn.5 Als hij de auto weer instapt, wikkelt hij een sjaal over zijn hoofd en zet hij een pet op. Hij blijft nog even in de auto wachten totdat alle klanten bij het tankstation weg zijn. Vervolgens rent hij met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand naar het benzinestation toe.6 [medeverdachte] wacht in de auto. Omstreeks 10.33 uur loopt verdachte in een jas met gekleurde strepen de winkel van [tankstation/slachtoffer] binnen, alwaar medewerker [slachtoffer 2] op dat moment achter de balie staat.7 Verdachte richt het op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [slachtoffer 2] en zegt daarbij de woorden: "Kassa" en "geld". Op het moment dat [slachtoffer 2] de overvalknop indrukt, loopt verdachte naar de zijkant van de balie. Hij houdt het wapen ondertussen op [slachtoffer 2] gericht. [slachtoffer 2] opent de kassa en pakt de kassalade eruit. Als verdachte de kassalade aanpakt, geeft [slachtoffer 2] nog een duw aan de lade, waardoor er geld op de grond valt. Vervolgens rent verdachte met de lade de winkel uit.8 Tijdens het rennen valt het petje van verdachte op de grond.9 [medeverdachte] staat klaar met de Volkwagen Caddy met het portier open. Verdachte stapt in en vervolgens rijden zij rustig weg in de richting van de Waarderpolder.10 In de auto haalt verdachte het geld uit de kassalade en gooit de lege kassalade uit het raam. Om 11.50 uur straalt de telefoon van [medeverdachte] weer een mast in Amsterdam aan.11 Later blijkt dat er een geldbedrag van ongeveer 600 euro is buitgemaakt.12

Het DNA materiaal op het petje van de overvaller is onderzocht in de DNA databank en hierbij is een match gevonden met verdachte.13 Bij een doorzoeking in de woning van verdachte is een jas in beslag genomen waarop strepen in de kleuren van de regenboog waren te zien.14

3.4. Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft primair aangevoerd dat de verklaring van [medeverdachte] dat verdachte de overval heeft gepleegd, niet door enig bewijsmiddel wordt ondersteund. Er is derhalve niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman een alternatief scenario geschetst, waarbij een derde persoon – zoals [betrokkene] - de overval gepleegd zou hebben. [verdachte] zou al voor de overval naar huis zijn gegaan om te slapen en zou zijn vest en zijn petje in de auto hebben laten liggen.

De rechtbank verwerpt de verweren en overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er diverse bewijsmiddelen voorhanden waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de overval blijkt. Het door de getuigen genoemde signalement van de overvaller komt in grote lijnen overeen met verdachte. Met name het signalement dat getuige [slachtoffer 2] geeft van de overvaller, namelijk een lichtgetinte man met normaal/slank postuur, tussen de 1.65 - 1.70 meter, met bakkebaarden, komt exact overeen met verdachte. Zowel uit de camerabeelden als uit de getuigenverklaringen blijkt voorts dat de overvaller een zwarte jas/vest aanhad met gekleurde strepen. Dit vest is bij verdachte thuis aangetroffen. Bovendien is er een DNA match tussen het DNA materiaal van verdachte en het materiaal op het petje van de overvaller dat vlakbij het tankstation is gevonden en waarvan de getuige [getuige] heeft verklaard dat de jongen die hij van het tankstation weg zag rennen, het heeft verloren.

Gelet op bovenstaande is het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, naar het oordeel van de rechtbank, op geen enkele wijze aannemelijk geworden. In het door de raadsman geschetste scenario zou een derde persoon, met hetzelfde signalement als verdachte, de overval gepleegd moeten hebben. Deze persoon zou het vest van verdachte aangetrokken moeten hebben en de pet van verdachte opgezet moeten hebben, maar hierop geen DNA sporen hebben achtergelaten. Het vest zou verdachte dan later op die dag weer terug hebben gekregen. Dit scenario acht de rechtbank zeer onwaarschijnlijk. Een motief van [medeverdachte] om ten onrechte een dergelijke ernstige beschuldiging jegens verdachte te doen, is evenmin aannemelijk geworden. De suggestie van de raadsman dat [betrokkene] de overval samen [medeverdachte] gepleegd zou hebben, acht de rechtbank onaannemelijk gelet op het feit dat er ten tijde van de overval met de telefoon van [betrokkene] vanuit Amsterdam is gebeld naar [medeverdachte].

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het door verdachte gestelde scenario geen grondslag vindt in de bewijsmiddelen.

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

3.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 9 februari 2013 te Haarlem met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen

door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 600,- euro), toebehorende aan de firma [tankstation/slachtoffer], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op die [slachtoffer 2], daarbij dreigend de woorden toevoegend "kassa" en "geld".

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft – anders dan de officier van justitie- in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen gevonden om te concluderen dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking met een ander, zodat verdachte van het medeplegen moet worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Afpersing.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van het voorarrest. Tevens is de gevangenhouding van verdachte gevorderd.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 9 februari 2013 schuldig gemaakt aan een overval op het tankstation [tankstation/slachtoffer] te Haarlem. Verdachte is gewapend met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en met bedekt gezicht de tankshop binnengegaan en heeft de kassamedewerker onder dreiging van dat wapen tot afgifte van het geld uit de kassa gedwongen. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Dit soort delicten behoort tot een categorie van strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en die gevoelens van grote onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken, meer in het bijzonder bij het slachtoffer. Slachtoffers van dit soort strafbare feiten ondervinden nog gedurende langere tijd de psychisch nadelige gevolgen van een dergelijke traumatische gebeurtenis. Bovendien is er financiële schade toegebracht aan de eigenaar van het tankstation.

De rechtbank weegt bij haar straftoemeting in het nadeel van verdachte mee dat hij blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 juni 2013 meermalen ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld. Kennelijk hebben deze eerdere veroordelingen verdachte er niet van kunnen weerhouden, opnieuw een ernstig strafbaar feit te plegen.  Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als straf in aanmerking komt.

De raadsman van verdachte heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot aanhouding van de zaak om nader onderzoek te doen naar de persoon van verdachte. Dit verzoek is ingegeven door de stelling dat de rechtbank niet voldoende geïnformeerd zou zijn over welke straf passend zou zijn voor verdachte. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman af, nu er geen concrete punten zijn aangevoerd om welke reden nader onderzoek naar de persoon van verdachte noodzakelijk zou zijn.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, aangezien de rechtbank het medeplegen niet bewezen acht.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [tankstation/slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 750,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit schade aan de kassalade, het weggenomen geldbedrag en bedrijfsschade. De rechtbank acht de schade voldoende onderbouwd, nu deze is vastgesteld door een schade-expert.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: afpersing) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 36f en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert.

Verklaart dit feit strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achtenveertig (48) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [tankstation/slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 750,- bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [tankstation/slachtoffer] voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [tankstation/slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 750, -, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Beveelt de gevangenhouding van verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.P.J. Ruijpers, voorzitter,

mr. E.C. Smits en mr. C.A.M. van der Heijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Keulers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 september 2013.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 15 mei 2013, dossierpagina’s 71-73. en het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene] d.d. 15 mei 2013, dossierpagina’s 90-92 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2013, dossierpagina’s 134-135.

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 15 mei 2013, dossierpagina 72.

4 Het proces-verbaal van analyse van zendmastpaalgegevens d.d. 10 mei 2013, dossierpagina 146 e.v.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 9 februari 2013, dossierpagina 98 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 15 mei 2013, dossierpagina 73.

6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 15 mei 2013, dossierpagina 73.

7 Het proces-verbaal van aangifte door en namens [tankstation/slachtoffer] d.d. 9 februari 2013, dossierpagina 94 e.v. , het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 9 februari 2013, dossierpagina’s 97-98 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2013, dossierpagina 113 e.v.

8 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 9 februari 2013, dossierpagina’s 97-98 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2013, dossierpagina 113 e.v.

9 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 9 februari 2013, dossierpagina 172.

10 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 9 februari 2013, dossierpagina 172.

11 Het proces-verbaal van analyse van zendmastpaalgegevens d.d. 10 mei 2013, dossierpagina 146 e.v.

12 Het proces-verbaal van aangifte door en namens [tankstation/slachtoffer] d.d. 9 februari 2013, dossierpagina 94 e.v.

13 Het DNA-rapport van het NFI (kenmerk PL126H 2013013661-2) d.d. 13 maart 2013, dossierpagina’s 166-168.

14 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2013, dossierpagina 138.