Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:8634

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
15/740946-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij de beoordeling van onderhavige strafzaak ligt allereerst de vraag voor of de aandelen van [firma 1] in vijf vennootschappen ([vennootschap 1], [vennootschap 2], [vennootschap 3], [vennootschap 4] en [vennootschap 5]) zijn onttrokken aan het daarop krachtens artikel 474c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rustende beslag als gevolg van de fusie tussen genoemde vennootschappen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

Immers, door de fusie zijn genoemde aandelen verdwenen en daarmee onttrokken aan de feitelijke macht van de beslaglegger. Dat civielrechtelijk gezien het beslag bij nieuw beslagexploot en met inschrijving in de aandeelhoudersregisters opnieuw had kunnen worden gevestigd op aandelen in de verkrijgende vennootschap [firma 1] maakt dit niet anders.

Uit het dossier volgt voorts dat verdachte voor ieder van de bij de fusie betrokken vennootschappen een uitdrukkelijke volmacht heeft gegeven tot het uitvoeren van de fusie. Nu het verdwijnen van de beslagen aandelen inherent is aan de fusie, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank middels genoemde volmachten opdracht gegeven tot de onttrekking aan het beslag.

Niettemin komt de rechtbank tot vrijspraak, nu zij niet de overtuiging heeft bekomen dat verdachte dan wel [firma 1] opzet heeft gehad op de onttrekking van de aandelen aan het beslag.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte geloofwaardig. Daarbij is mede van belang dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte of [firma 1] enig (financieel) voordeel zou kunnen hebben bij de onttrekking aan het beslag. Hoewel aan verdachte als bestuurder van [firma 1] het verwijt gemaakt kan worden dat hij zich onvoldoende heeft laten voorlichten over de juridische gevolgen van de fusie, vindt de rechtbank gelet op de verklaring van verdachte en de overige inhoud van het strafdossier onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat de aandelen willens en wetens aan het daarop rustende beslag zijn onttrokken. Nu opzet ontbreekt, moet verdachte naar het oordeel van de rechtbank worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740946-12

Uitspraakdatum: 18 september 2013

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

4 september 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Noord-Holland),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. van der Putte en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.H.S. Vogel, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

[firma 1] in of omstreeks de periode van 18 februari 2009 tot en met 11 januari 2010 te Alkmaar en/of Heemstede en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk enig goed, te weten (alle) aandelen van verdachte ([firma 1]) in de vennootschappen:

- [ vennootschap 1] en/of

- [ vennootschap 2] en/of

- [ vennootschap 3] en/of

- [ vennootschap 4] en/of

- [ vennootschap 5],

aan het krachtens de wet, te weten artikel 474c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, althans krachtens enige bepaling krachtens de tweede titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, daarop gelegd (executoriaal) beslag heeft onttrokken, tot het plegen van welk(e) strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit.

3.2. Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Bij de beoordeling van onderhavige strafzaak ligt allereerst de vraag voor of de aandelen van [firma 1] in vijf vennootschappen ([vennootschap 1], [vennootschap 2], [vennootschap 3], [vennootschap 4] en [vennootschap 5]) zijn onttrokken aan het daarop krachtens artikel 474c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rustende beslag als gevolg van de fusie tussen genoemde vennootschappen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

Immers, door de fusie zijn genoemde aandelen verdwenen en daarmee onttrokken aan de feitelijke macht van de beslaglegger. Dat civielrechtelijk gezien het beslag bij nieuw beslagexploot en met inschrijving in de aandeelhoudersregisters opnieuw had kunnen worden gevestigd op aandelen in de verkrijgende vennootschap [firma 1] maakt dit niet anders.

Uit het dossier volgt voorts dat verdachte voor ieder van de bij de fusie betrokken vennootschappen een uitdrukkelijke volmacht heeft gegeven tot het uitvoeren van de fusie. Nu het verdwijnen van de beslagen aandelen inherent is aan de fusie, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank middels genoemde volmachten opdracht gegeven tot de onttrekking aan het beslag.

Niettemin komt de rechtbank tot vrijspraak, nu zij niet de overtuiging heeft bekomen dat verdachte dan wel [firma 1] opzet heeft gehad op de onttrekking van de aandelen aan het beslag.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel wist dat er beslag rustte op de aandelen van de vijf vennootschappen, maar dat als gevolg van de fusie enkel de financiële structuur van zijn vennootschappen zou worden opgeschoond, hetgeen voor de verkrijging van nieuwe kapitaalinjecties - mede ten behoeve van de voldoening van de vordering van de Nederlandse Ski Vereniging - noodzakelijk was. Verdachte verklaart dat hij niet heeft beseft dat de fusie gevolgen zou hebben voor het gelegde beslag.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte geloofwaardig. Daarbij is mede van belang dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte of [firma 1] enig (financieel) voordeel zou kunnen hebben bij de onttrekking aan het beslag. Hoewel aan verdachte als bestuurder van [firma 1] het verwijt gemaakt kan worden dat hij zich onvoldoende heeft laten voorlichten over de juridische gevolgen van de fusie, vindt de rechtbank gelet op de verklaring van verdachte en de overige inhoud van het strafdossier onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat de aandelen willens en wetens aan het daarop rustende beslag zijn onttrokken. Nu opzet ontbreekt, moet verdachte naar het oordeel van de rechtbank worden vrijgesproken.

4. Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij Nederlandse Ski Vereniging heeft een vordering tot schadevergoeding van € 230.180,41 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

5. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij Nederlandse Ski Vereniging niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D. Gruijters, voorzitter,

mr. I.J.B. Corbey en mr. M.W. Groenendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 18 september 2013.

Mr. I.J.B. Corbey is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.