Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:8610

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-09-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
437983 - CV EXPL 13-1230
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid in hoedanigheid wettelijk vertegenwoordiger minderjarig kind voor zorgkosten, ook wanneer feitelijk geen opdracht gegeven. Overeenkomst uitsluitend in naam minderjarige gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Hoorn

Zaaknummer/rolnummer: 437983 \ CV EXPL 13-1230 BL

Uitspraakdatum: 23 september 2013

Vonnis in de zaak van:

het rechtspersoonlijkheid bezittende samenwerkingsinstituut Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam, gevestigd te Amsterdam

eisende partij

verder ook te noemen: ACTA

gemachtigde: mr. J.W. Hilhorst, advocaat te Amsterdam

tegen

1.

[naam gedaagde sub 1] , wonende [adres gedaagde sub 1]

2.

[naam gedaagde sub 2] , wonende [adres gedaagde sub 2]

beiden in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige dochter [naam kind], geboren 10 mei 1998 (verder te noemen: [naam kind])

gedaagde partijen

verder ook te noemen: [naam moeder] en [vader]

[moeder] niet verschenen

gemachtigde van [naam kind]: mr. B. Fresco, advocaat te Voorburg

Het procesverloop

1.

ACTA heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 4 april 2013. [vader] heeft bij antwoord verweer gevoerd. Vervolgens is gediend van repliek en dupliek. De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast. Tegen [moeder] is verstek verleend. Ten slotte is vandaag uitspraak bepaald.

De feiten

2.

De kantonrechter neemt de volgende feiten als vaststaand aan, omdat deze door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of niet voldoende zijn betwist.

3.

ACTA heeft op 18 september 2012 en op 29 oktober 2012 tandheelkundige behandelingen uitgevoerd bij [naam kind], die destijds 14 jaar oud was. [moeder] was bij die behandelingen aanwezig.

4.

Voor deze behandelingen heeft ACTA bij factuur van 16 oktober 2012 een bedrag van

€ 150,00 in rekening gebracht, en bij factuur van 13 november 2012 een bedrag van € 35,00. Deze facturen zijn gericht aan [naam kind] en gezonden aan het door [moeder] opgegeven adres, [adres]. De facturen zijn onbetaald gebleven.

5.

De in deze kwestie verzonden betalingsherinneringen en aanmaningen zijn eveneens gericht aan [naam kind] te [plaats].

Het geschil

6.

ACTA vordert hoofdelijke veroordeling van [moeder] en [vader] tot betaling van een bedrag van € 185,00. Ook vordert ACTA betaling van contractuele rente (tot en met 25 maart 2013 berekend op € 1,26) en incassokosten (€ 48,40). Daarbij stelt ACTA – kort weergegeven – het volgende. [moeder] en [vader] zijn in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [naam kind] beiden aansprakelijk voor de vordering van ACTA. ACTA ging ervan uit dat beide ouders op hetzelfde, door [moeder] opgegeven adres woonden. Pas bij het uitbrengen van de dagvaarding kan GBA verificatie plaatsvinden. Toen bleek [vader] op een ander adres te wonen. Dit laat onverlet dat [vader] hoofdelijk aansprakelijk is voor de vordering van ACTA. De omstandigheid dat ouders onderling niet communiceren kan ACTA niet verweten worden.

7.

[moeder] is in deze procedure niet verschenen. [vader] heeft verweer gevoerd. Daartoe stelt [vader] – samengevat – het volgende. [vader] is in 2000 van echt gescheiden van [moeder]. [vader] betaalt aan [moeder] alimentatie voor hun dochter, die bij [moeder] in[plaats X] woont. [vader] woont in Den Haag, heeft geen omgang met zijn dochter en wordt door [moeder] niet op de hoogte gehouden. [vader] is niet aansprakelijk voor de gevorderde factuurbedragen omdat hij geen opdracht heeft gegeven voor de tandheelkundige behandelingen van [naam kind] en daarvan ook niet op de hoogte was. Subsidiair stelt [vader] dat hij niet in verzuim is, zodat hij niet aansprakelijk is voor de bijkomende kosten. [vader] heeft geen facturen of correspondentie daarover ontvangen. Pas door de dagvaarding werd [vader] bekend met de vordering van ACTA. [vader] is voorafgaand aan de dagvaarding niet door ACTA in gebreke gesteld.

8.

Bij de beoordeling zal zo nodig nog nader op de standpunten van partijen worden ingegaan.

De beoordeling

De vordering tegen [moeder]

9.

De kantonrechter stelt vast dat ten aanzien van de niet verschenen [moeder] de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen. Op grond van het bepaalde in artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is tegen [moeder] verstek verleend. Omdat [vader] wel in de procedure is verschenen wordt tussen alle partijen één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

10.

[moeder] is niet in de procedure verschenen en heeft de vordering dus niet betwist. De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Daarom wordt de vordering tegen [moeder] toegewezen, met veroordeling van [moeder] in de proceskosten.

De vordering tegen [vader]

11.

weerspreekt als zodanig niet dat de door ACTA gestelde behandelingen van [naam kind] hebben plaatsgevonden. Ook de hoogte van de daaruit voortvloeiende facturen betwist [vader] niet, evenmin als de stelling dat die facturen onbetaald zijn gebleven. Verder staat vast dat [vader] (samen met [moeder]) het ouderlijk gezag uitoefent over [naam kind].

12.

[vader] meent echter niet aansprakelijk te zijn voor betaling van de onderhavige facturen, omdat hij daarvoor geen opdracht heeft gegeven. Dit verweer slaagt niet. Volgens geldende jurisprudentie mag de zorgverlener – in de situatie waarin partijen zich bij het aangaan van de overeenkomst niet met zoveel woorden erover hebben uitgesproken of de ouders voor zichzelf dan wel in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun kind, dan wel in beide hoedanigheden tegelijk optraden – ervan uitgaan dat de ouders de overeenkomst, als wettelijke vertegenwoordigers van hun kind, uitsluitend in naam van dat kind sloten (Hoge Raad 8 september 2000, NJ 2000, 734). Gezien het feit dat ACTA de facturen (en daarop volgende correspondentie) ten name van de minderjarige [naam kind] heeft gesteld, blijkt dat ACTA de opdracht ook zo heeft opgevat. [vader] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie zouden rechtvaardigen dat [moeder] de medische behandelingsovereenkomst (mede) voor zichzelf is aangegaan. De kantonrechter neemt daarmee als vaststaand aan dat de overeenkomst met ACTA uitsluitend in naam van [naam kind] is gesloten. Omdat [naam kind] ten tijde van de behandeling 14 jaar oud was en thans nog minderjarig is heeft ACTA voor betaling van de uit de behandeling voortvloeiende facturen terecht haar beide wettelijk vertegenwoordigers, in die hoedanigheid, in rechte aangesproken. De omstandigheid dat de opdracht feitelijk niet door [vader] maar door [moeder] (in naam van [naam kind]) is verstrekt, en [vader] daarvan mogelijk in het geheel niet op de hoogte was, doet niet af aan zijn aansprakelijkheid als wettelijk vertegenwoordiger voor de kosten verbonden aan de (medische) verzorging van zijn minderjarige kind.

13.

Gelet op het voorgaande wordt ook [vader] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de door ACTA gevorderde factuurbedragen ad in totaal € 185,00. Dit laat overigens onverlet dat [vader] mogelijk verhaal kan nemen op [moeder], indien hij daardoor meer zou betalen dan waartoe hij in hun onderlinge verhouding bijdrageplichtig is.

14.

Het verweer van [vader] dat hij met de betaling van de factuurbedragen niet in verzuim is slaagt wel. Tussen partijen is niet in geschil dat de facturen en daarop volgende correspondentie niet aan het adres van [vader] zijn gezonden. Ook ACTA gaat er kennelijk vanuit dat [vader] pas door de dagvaarding bekend is geworden met de onderhavige vordering. Zelfs wanneer ACTA gevolgd zou worden in haar stelling dat pas ten behoeve van dagvaarding GBA verificatie kan plaatsvinden, leidt dit nog niet tot verzuim van [vader]. ACTA had immers, toen bleek dat de ingebrekestelling niet aan het juiste adres van [vader] was gezonden, alsnog een correcte ingebrekestelling kunnen en moeten verzenden. Dat ACTA dit heeft nagelaten komt voor haar rekening en risico. Daarmee wordt de vordering tot betaling van rente toegewezen vanaf de dag van dagvaarding, en worden de incassokosten in de procedure tegen [vader] afgewezen.

15.

De uitslag van de procedure brengt mee dat de proceskosten ook (hoofdelijk) voor rekening van [vader] komen. ACTA is immers terecht tot gerechtelijke invordering van de hoofdsom overgegaan.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt [moeder] en [vader] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan ACTA tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van

€ 185,00, te vermeerderen met de contractuele rente daarover vanaf 4 april 2013 tot de dag van betaling.

Veroordeelt [moeder] tot betaling van € 48,40 voor incassokosten en € 1,26 voor contractuele rente berekend tot en met 25 maart 2013, en de contractuele rente over € 185,00 vanaf 26 maart 2013 tot 4 april 2013.

Veroordeelt [moeder] en [vader], hoofdelijk zoals hiervoor vermeld, in de proceskosten, die tot heden voor ACTA worden vastgesteld op een bedrag van € 361,58 (€ 189,58 aan dagvaardingskosten, € 112,00 aan griffierecht en een bedrag van € 60,00 voor salaris van de gemachtigde van ACTA).

Verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A. Swildens, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en op 23 september 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter