Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:8255

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
15/740672-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van directeur en feitelijk leidinggevende bij zijn ondernemingen opzettelijk meerdere aangiften omzetbelasting onjuist en onvolledig ingediend, als gevolg waarvan hij of zijn ondernemingen te weinig belasting hebben betaald. De rechtbank houdt verdachte verantwoordelijk voor het ontstaan van een aanzienlijk fiscaal nadeel, waarbij hebzucht voor verdachte de drijfveer moet zijn geweest. Door aldus te handelen ondergraaft verdachte de algemene belastingmoraal en is hij er mede de veroorzaker van dat de belastingdruk door anderen als te zwaar wordt ervaren, aangezien anderen meer zullen moeten betalen wanneer er mensen zijn die niet afdragen wat ze verschuldigd zijn. De rechtbank acht dit zeer laakbaar.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank ten voordele van verdachte meegewogen dat verdachte blijkens het op zijn naam staand uittreksel Justitiële Documentatie niet eerder veroordeeld is voor enig (financieel) strafbaar feit.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie (3) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank overweegt hierbij dat de gepleegde feiten eerder aanleiding zouden geven tot een substantieel hogere taakstraf, maar in het langdurige elektronische toezicht waaronder verdachte in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gestaan ziet de rechtbank aanleiding deze taakstraf te matigen tot het na te noemen aantal uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740672-12

Uitspraakdatum: 13 september 2013

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 augustus 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van Brakel en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.A.M. Schoenmakers, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2011 t/m 31 januari 2012 te Haarlem en/of Hoofddorp en/of Bloemendaal en/of Amsterdam en/of Maastricht en/of elders in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door (telkens) het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) [firma 1] en/of [firma 2] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk (telkens) - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- aan die [firma 1] en/of [firma 2] zich voorgedaan als zijnde handelingsbevoegd en/of beschikkingsbevoegd van [firma 3] en/of [firma 4] en/of

- ( vervolgens) in die (valse) hoedanigheid [firma 1] benaderd tot het belasten van een of meer creditcard(s) middels mail(order) en/of telefoon(order) (MOTO) en/of

- ( vervolgens) de volgende gegevens aan [firma 1] aangeleverd;

* het te incasseren bedrag en/of

* de 16 cijfers van de creditcard en/of

* de CCV code en/of de vervaldatum van de kaart en/of

- zich (aldus) voorgedaan als zijnde een betrouwbare partner en/of (MOTO)contractant van [firma 1] en/of

- ( vervolgens) de indruk gewekt bij [firma 1] dat de creditcardhouder(s) toestemming heeft/hebben verleend tot het belasten van zijn/hun creditcard, waardoor [firma 2] en/of (vervolgens) [firma 1] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2011 tot en met 31 januari 2012, Haarlem en/of Hoofddorp en/of Bloemendaal en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 70.584,58 Euro), (telkens) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), (telkens) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf (te weten oplichting);

feit 2:

hij op of omstreeks 29 november 2011 te Hoofddorp en/of Bloemendaal en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [firma 5] en/of Bank of [firma 6], heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (van 2221,95 Euro), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- aan die [firma 5] en/of Bank of [firma 6] zich voorgedaan alszijnde handelingsbevoegd en/of beschikkingsbevoegd van [firma 3] en/of [firma 4] en/of

- ( vervolgens) in die (valse) hoedanigheid de Bank of [firma 6] benaderd en/of de opdracht gegeven tot het incasseren/afboeken/overschrijven van een geldbedrag van de rekening van [firma 5] (middels automatisch incasso en/of bankmachtiging) en/of

- zich (aldus) voorgedaan als zijnde een betrouwbare partner en/of gemachtigd voor het (dubbel) incasseren/afboeken/overschrijven van een geldbedrag en/of

- ( vervolgens) de indruk gewekt bij de Bank of [firma 6] dat de rekeninghouder ([firma 5]) toestemming heeft verleend tot het (dubbel) incasseren/afboeken/overschrijven van een geldbedrag, waardoor [firma 5] en/of Bank of [firma 6] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

feit 3:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 19 maart 2012 te Haarlem en/of Hoofddorp en/of Bloemendaal en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [firma 4] (h.o.d.n. [firma 3]), welke, rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam d.d. 13 maart 2012 in staat van faillissement is verklaard, (telkens) ter bedriegelijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld, immers - was de adminstratie van [firma 4] (h.o.d.n. [firma 3]) niet bijgehouden en/of bijgewerkt tot de faillissementsdatum, en/of

- was de administratie van [firma 4] (h.o.d.n. [firma 3]) niet zodanig gevoerd dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon [firma 4] (h.o.d.n. [firma 3]) konden worden gekend en/of

- was/werd niet de (gehele) administratie bewaard en/of

- ( desgevraagd) uitgeleverd aan de curator in het faillissement van de rechtspersoon [firma 4] (h.o.d.n. [firma 3]);

feit 4:

[firma 7] in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 31 januari 2011 in Hoofddorp, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de aangiftetijdvak-/periode 1 juli 2010 tot en met 31 december 2010 (AH-025 bijlage 2 en 6), (telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan, immers heeft hij en/of (een of meer van) de mededader(s), (telkens) opzettelijk, op (een) bij de Belastingdienst ingeleverd(e) aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting over bovengenoemd(e) tijdvak(ken)/periode(s) (telkens)

- een te laag omzetbedrag en/of een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven,

terwijl het/de feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

feit 5:

[firma 8] in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 28 april 2011 in Hoofddorp, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de aangiftetijdvak-/periode 1 september 2010 tot en met 31 maart 2011 (AH-025, bijlagen 3,4,5,7, 8 en 9), (telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan, immers heeft hij en/of (een of meer van) de mededader(s), (telkens) opzettelijk, op (een) bij de Belastingdienst ingeleverd(e) aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting over bovengenoemd(e) tijdvak(ken)/periode(s) (telkens)

- een te laag omzetbedrag en/of een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven,

terwijl het/de feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovengenoemd(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2. Vrijspraak

3.2.1. Vrijspraak feiten 1 en 2

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt voorop dat de inhoud van het strafdossier aanwijzingen bevat dat verdachte, na de verkoop van de [firma 3] op 2 december 2011 aan [betrokkene], zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting door hierna creditcards van klanten van de [firma 3] onterecht (en dubbel) te belasten en daarnaast één automatische incasso dubbel te verrichten. De nieuwe eigenaar [betrokkene] verklaart immers belastend jegens verdachte. Verder hebben de werknemers van de [firma 3] de nieuwe eigenaar [betrokkene] nimmer op het kantoor van de [firma 3] gezien, ook niet na de overname van het bedrijf. Ook lijken e-mailberichten afkomstig van [betrokkene] te zijn verstuurd door verdachte. Deze e-mailberichten vertonen overeenkomstige taal- en schrijffouten en de IP-adressen van verzendingslocatie komen overeen. Tenslotte blijkt uit het onderzoek dat het geld, afkomstig van de onterecht (en dubbel) belastte creditcards en de dubbel uitgevoerde automatische incasso, is bijgeschreven op de bankrekeningen van verdachte of zijn ondernemingen [firma 7] en [firma 8], waarvan hij directeur grootaandeelhouder is.

Echter, verdachte heeft ter terechtzitting uitdrukkelijk en gemotiveerd ontkend dat hij de ten laste gelegde handelingen heeft verricht. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de bijschrijvingen van bedragen op de hiervoor genoemde bankrekeningen steeds gedeeltelijke aflossingen zijn op de door [betrokkene] aan verdachte verschuldigde koopprijs voor de [firma 3]. Verdachte verklaart verder dat hij [betrokkene] wel heeft aangesproken op de onregelmatigheid van deze overboekingen. Daarnaast zijn namens verdachte enkele ontlastende stukken ingebracht, waaruit onder meer blijkt dat verdachte op enkele tijdstippen waarop volgens [betrokkene] geldopnamen zouden zijn verricht ten behoeve van verdachte die daarbij in de buurt bleef wachten op [betrokkene], niet in Nederland maar in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) verbleef.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op basis van het verhandelde ter zitting en het strafdossier onvoldoende vast gesteld kan worden dat het verdachte is geweest die de ten laste gelegde feitelijke handelingen heeft verricht. Daarmee is niet buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting dan wel witwassen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

3.2.2. Vrijspraak feit 3

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 3 ten laste is gelegd en moet hij daarvan eveneens worden vrijgesproken.

Verdachte heeft de [firma 3] op 2 december 2011 verkocht aan [betrokkene]. Alle tot dan toe op verdachte als bestuurder rustende verplichtingen ten aanzien van het voeren van een administratie zijn op deze datum overgegaan op de verkrijger – en nieuwe bestuurder – van de [firma 3]. Derhalve kan niet worden bewezen dat verdachte ‘als bestuurder van de rechtspersoon [firma 4]’ deze plicht tot het voeren van een administratie niet is nagekomen, zoals ten laste is gelegd. Verdachte moet daarom naar het oordeel van de rechtbank ook van dit feit worden vrijgesproken.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden feiten 4 en 5

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

ten aanzien van feit 4

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 30 augustus 2013 afgelegd;

- het proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 7 augustus 2012 (dossier met Gefis-nummer 49479, codenummer AH-025), bijlagen 2 en 6;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 8 mei 2012 (dossier met Gefis-nummer 49479, dossierpagina’s 109-114);

- een schriftelijk bescheid, te weten een uitdraai van het VIES-systeem inzake de handelsonderneming [naam] te Antwerpen (België) d.d. 13 juni 2012 (dossier met Gefis-nummer 49479, dossierpagina’s 424-425);

- een ambtsedige verklaring omzetbelasting d.d. 25 mei 2012 (dossier met Gefis-nummer 49479, dossierpagina’s 468-477);

ten aanzien van feit 5

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 30 augustus 2013 afgelegd;

- het proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 7 augustus 2012 (dossier met Gefis-nummer 49479, codenummer AH-025), bijlagen 3, 4, 5, 7, 8 en 9;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 8 mei 2012 (dossier met Gefis-nummer 49479, dossierpagina’s 109-114);

- een schriftelijk bescheid, te weten de crediteurenkaart van [firma 9] (dossier met Gefis-nummer 49479, dossierpagina’s 313-315);

- een schriftelijk bescheid, te weten de verstrekking van informatie van het Bundeszentralamt für Steuern (BZSt) te Duitsland, op grond van de verordening EG 1798/2003 d.d. 24 maart 2011 (dossier met Gefis-nummer 49479, dossierpagina’s 459-463);

- een ambtsedige verklaring omzetbelasting d.d. 25 mei 2012 (dossier met Gefis-nummer 49479, dossierpagina’s 478-487).

3.4. Bewijsoverweging feiten 4 en 5

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, doordat zijn ondernemingen een enorme groei doormaakten, de aangiften omzetbelasting heeft ingediend, terwijl nog niet duidelijk was wat de totale omzet van de ondernemingen over de betreffende aangiftetijdvakken was. Verdachte was voornemens de aangiften op een later moment te corrigeren door aanvullende aangiften.

Uit deze door verdachte ter terechtzitting gedane verklaring blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte wist dat de aangiften inkomstenbelasting die hij voor [firma 7] en [firma 8] heeft gedaan onjuist of onvolledig waren. Immers heeft verdachte de aangiften voor de omzetbelasting zelf opgesteld en ingediend, terwijl hij wist dat een (groot) deel van de facturen over de aangifteperioden nog niet was verwerkt in de administratie van de onderneming. Daarmee stond op het moment van aangifte al vast dat hetgeen verdachte aan omzet aan de belastingdienst opgaf niet overeenkwam met de in werkelijkheid genoten omzet.

Verdachte heeft gelet op het voortgaande naar het oordeel van de rechtbank opzet gehad op het onjuist en onvolledig doen van bij de belastingwet voorziene aangiften omzetbelasting.

3.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 4:

[firma 7] in de periode van 1 juli 2010 tot en met 31 januari 2011 in Hoofddorp, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak 1 juli 2010 tot en met 31 december 2010 (AH-025 bijlage 2 en 6), onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft hij opzettelijk, op een bij de Belastingdienst ingeleverd aangiftebiljet voor de omzetbelasting over bovengenoemd tijdvak

- een te laag omzetbedrag en een te laag belastbaar bedrag en een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven,

terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk bovengenoemd strafbaar feit verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

feit 5:

[firma 8] in de periode van 1 september 2010 tot en met 28 april 2011 in Hoofddorp, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over de periode 1 september 2010 tot en met 31 maart 2011 (AH-025, bijlagen 3,4,5,7, 8 en 9), telkens onjuist en onvolledig hebben gedaan, immers heeft hij telkens opzettelijk, op bij de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljetten voor de omzetbelasting over bovengenoemde periodes telkens

- een te laag omzetbedrag en een te laag belastbaar bedrag en een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven,

terwijl de feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welke bovengenoemde strafbare feiten verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 4

feitelijk leidinggeven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;

ten aanzien van feit 5

feitelijk leidinggeven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan acht (8) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en het aldaar besproken

- beknopte reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 8 juli 2013, opgesteld door E. Luijpen, reclasseringswerker en

- het voorlichtingsrapport van Ton Koot FMW d.d. 23 februari 2013, opgesteld door A.A.M. Koot, forensisch maatschappelijk werker,

is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van directeur en feitelijk leidinggevende bij zijn ondernemingen opzettelijk meerdere aangiften omzetbelasting onjuist en onvolledig ingediend, als gevolg waarvan hij of zijn ondernemingen te weinig belasting hebben betaald. De rechtbank houdt verdachte verantwoordelijk voor het ontstaan van een aanzienlijk fiscaal nadeel, waarbij hebzucht voor verdachte de drijfveer moet zijn geweest. Door aldus te handelen ondergraaft verdachte de algemene belastingmoraal en is hij er mede de veroorzaker van dat de belastingdruk door anderen als te zwaar wordt ervaren, aangezien anderen meer zullen moeten betalen wanneer er mensen zijn die niet afdragen wat ze verschuldigd zijn. De rechtbank acht dit zeer laakbaar.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank ten voordele van verdachte meegewogen dat verdachte blijkens het op zijn naam staand uittreksel Justitiële Documentatie niet eerder veroordeeld is voor enig (financieel) strafbaar feit.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie (3) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank overweegt hierbij dat de gepleegde feiten eerder aanleiding zouden geven tot een substantieel hogere taakstraf, maar in het langdurige elektronische toezicht waaronder verdachte in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gestaan ziet de rechtbank aanleiding deze taakstraf te matigen tot het na te noemen aantal uren.

7. Vordering benadeelde partij

7.1. [firma 1]

De benadeelde partij [firma 1], vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger], heeft een vordering tot schadevergoeding van € 53.255,03 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

7.2. [firma 5]

De benadeelde partij [firma 5], vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger], heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.221,95 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

68 en 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van HONDERDTACHTIG (180) DAGEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot NEGENENZESTIG (69) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op DRIE (3) JAREN bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERD (100) UREN taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet (naar behoren) verrichten daarvan te vervangen door VIJFTIG (50) DAGEN hechtenis;

verklaart de benadeelde partij [firma 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

verklaart de benadeelde partij [firma 5] niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. J.C.M. Swinkels en mr. S.C.A. van Kuijeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 13 september 2013.

mr. J.C.M. Swinkels is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.