Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:8112

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-06-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
417481 CV EXPL 12-3941
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontslag kennelijk onredelijk wegens gevolgen. Begroting schade aan de hand van inkomensverlies over de te verwachten periode van werkloosheid. Voor de bepaling van de te verwachten periode van werkloosheid wordt aangesloten bij de site www.hoelangwerkloos.nl. Er wordt rekening gehouden met de geringe kans op een baan (26%), in die zin dat de te verwachten periode van werkloosheid wordt 'verlengd’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2013/187
AR-Updates.nl 2013-0940
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Hoorn

Zaaknr/rolnr.: 417481 CV EXPL 12-3941

Uitspraakdatum: 17 juni 2013

Vonnis in de zaak van:

[naam], wonende te [plaats],

eisende partij

verder ook te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. M. Maasdam, advocaat te Hoorn

tegen

de besloten vennootschap Bogra B.V., gevestigd te Enkhuizen

gedaagde partij

verder ook te noemen: Bogra

gemachtigde: mr. S. van Ketel, advocaat te Alkmaar.

Het procesverloop

1.

[werknemer] heeft bij dagvaarding van 21 september 2012 een vordering ingesteld. Bogra heeft schriftelijk geantwoord. Na beraad heeft de kantonrechter bij vonnis van 19 november 2012 een verschijning van partijen ter terechtzitting bevolen. Die zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2013, waar [werknemer] in persoon is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door mr. Maasdam, en waar voor Bogra zijn verschenen bedrijfsleider [X] en directiemanager [Y], bijgestaan door mr. Van Ketel. Met het oog op de zitting heeft [werknemer] bij brief van 30 januari 2013 nog stukken toegestuurd. Na de zitting hebben partijen ieder nog een akte genomen. Vervolgens is vandaag uitspraak bepaald.

De feiten

2.

Bogra is producent en leverancier van uitvaartkisten en urnen.

3.

[werknemer], geboren op [datum], is sinds 20 mei 1985 in dienst van Bogra, en laatstelijk werkzaam geweest in de functie van (machinaal) productiemedewerker, tegen een salaris van € 2.522,36 bruto per maand inclusief vakantietoeslag (€ 2.155,86 bruto per vier weken exclusief vakantietoeslag).

4.

Op 22 februari 2012 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) op verzoek van Bogra toestemming verleend om de arbeidsverhouding met [werknemer] op te zeggen.

5.

Bogra heeft de arbeidsovereenkomst met [werknemer] opgezegd tegen 1 juni 2012.

6.

Aan [werknemer] is met ingang van 1 juni 2012 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW) toegekend. De WW-uitkering bedraagt de eerste twee maanden € 1.786,85 bruto per maand (€ 1.649,40 bruto per vier weken) en nadien € 1.667,68 bruto per maand
(€ 1.539,40 bruto per vier weken).

Het geschil

7.

[werknemer] vordert – na vermindering van eis – veroordeling van Bogra tot betaling van een bedrag van € 30.000,00 bruto als vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, zoals bedoeld in artikel 7:681 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarnaast vordert [werknemer] op dezelfde grond betaling van € 3.348,09 bruto per jaar aan pensioenschade. Daarbij stelt [werknemer] – kort samengevat – dat het ontslag kennelijk onredelijk is, omdat het op een valse of onjuiste grond berust. Voor zover nodig neemt [werknemer] ook het standpunt in dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag vanwege de gevolgen daarvan voor hem.

8.

Bogra voert aan – zakelijk weergegeven – dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is, omdat zij goede gronden heeft voor het ontslag en er geen sprake is van een valse of onjuiste reden. Verder stelt Bogra dat de enkele omstandigheid dat [werknemer] geen ontslagvergoeding heeft gekregen geen reden is om het ontslag als kennelijk onredelijk aan te merken. Bogra meent dat zij zich ook als goed werkgever heeft gedragen, zodat ook in zoverre geen aanleiding bestaat om aan [werknemer] een vergoeding toe te kennen. Als er al grond zou bestaan voor schadevergoeding, betwist Bogra de berekening van de schade door [werknemer] en wijst zij erop dat haar financiële positie zo slecht is dat zij geen enkele vergoeding kan betalen.

9.

Voor zover van belang zal hierna nog nader op de standpunten van partijen worden ingegaan.

De beoordeling

10.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het aan [werknemer] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is en of op grond daarvan een schadevergoeding aan hem moet worden toegekend.

Valse of voorgewende reden

11.

De stelling van [werknemer] dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat de arbeidsovereen-komst is opgezegd onder opgave van een voorgewende of valse reden, treft geen doel. Een valse reden is een niet bestaande reden. Een voorgewende reden is een bestaande reden die niet de werkelijke ontslaggrond is. Bogra heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd op de grond dat de arbeidsplaats van [werknemer] vanwege bedrijfseconomische redenen is komen te vervallen. Gelet op de stukken neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat Bogra het machinale gedeelte van de fabricage van uitvaartkisten heeft gestaakt en heeft uitbesteed aan een andere onderneming. Daartoe is besloten omdat de productiecapaciteit van Bogra niet toereikend is om aan een toenemende vraag naar uitvaartkisten te kunnen voldoen, omdat haar machinepark verouderd is en niet de gewenste kwaliteit kan leveren, en omdat Bogra financieel niet in staat is te investeren in nieuwe machines. Verder staat vast dat als gevolg daarvan de gehele machinale productieafdeling waar [werknemer] werkzaam was, is opgeheven, waardoor zijn functie is vervallen. Dat is ook de reden waarom de arbeidsovereenkomst is opgezegd. Van een voorgewende of valse reden voor het ontslag is dan ook geen sprake.

12.

[werknemer] heeft in dit verband nog het standpunt ingenomen dat Bogra wel degelijk financiële middelen heeft om te investeren in nieuwe machines en dat het beleid van Bogra onjuist en onduidelijk is. De kantonrechter volgt dit standpunt niet. Uit de door Bogra overgelegde (geconsolideerde) winst- en verliesrekeningen blijkt dat er in 2011 een aanzienlijk verlies is geleden en dat dit ook het geval is in de periode van januari 2012 tot en met november 2012. Ook heeft Bogra met de door haar overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat haar liquiditeitspositie niet rooskleurig is. Verder heeft Bogra een brief overgelegd van een registeraccountant van 3 januari 2012 waarin wordt toegelicht dat het gezien de financiële positie van de onderneming niet verantwoord is om het benodigde bedrag van € 3.000.000,- te investeren in nieuwe machines, en dat de kans ook zeer klein is dat een kredietinstelling een dergelijke investering wil financieren. Gelet daarop is voldoende gebleken dat de financiële positie van Bogra niet de benodigde grote investering toelaat. De keuze van Bogra om haar machinale productieafdeling op te heffen, valt binnen de beleidsvrijheid van Bogra als ondernemer, en uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat Bogra die keuze naar het oordeel van de kantonrechter ook in redelijkheid heeft kunnen maken.

13.

Voor zover [werknemer] aanvoert dat hij niet overtollig is en er nog werk voor hem moet zijn bij Bogra, heeft hij dat standpunt onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Er zijn door [werknemer] geen concrete functies of werkzaamheden genoemd bij Bogra waarvoor hij in aanmerking zou kunnen komen en die niet al vervuld worden door een andere werknemer. In dit kader neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat Bogra bij het ontslag van [werknemer] het afspiegelingsbeginsel juist heeft toegepast, zoals ook door het UWV in de ontslagvergunning van 22 februari 2012 is overwogen. Blijkens de stukken zijn alle machinale productiemedewerkers ontslagen en is geen sprake van uitwisselbare functies, zodat afspiegeling niet aan de orde is. De stelling van [werknemer] dat hem door Bogra een andere functie is toegezegd, is tegenover de betwisting daarvan door Bogra niet nader gemotiveerd en onderbouwd.

Gevolgen

14.

De kantonrechter is wel van oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is vanwege de gevolgen daarvan voor [werknemer]. Daartoe wordt het volgende overwogen.

15.

Volgens artikel 7:681 lid 2, aanhef en onder b, BW, zal opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging.

16.

Bij de beantwoording van de vraag of het ontslag op grond van het hiervoor genoemde ‘gevolgencriterium’ kennelijk onredelijk is, moeten alle omstandigheden ten tijde van het ontslag in aanmerking worden genomen. De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen nog geen grond op voor het oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is.

17.

Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is voldoende gebleken van het belang van Bogra bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [werknemer] en heeft Bogra ook in redelijkheid kunnen komen tot haar beslissing om de arbeidsplaats van [werknemer] op te heffen.

18.

Daartegenover staat dat [werknemer] meer dan 27 jaar in dienst is geweest bij Bogra en dat hij gedurende die periode steeds goed heeft gefunctioneerd. Verder weegt aan de kant van [werknemer] mee dat aan hem geen vergoeding voor het ontslag is toegekend door Bogra en dat hij door het ontslag en zolang hij een WW-uitkering ontvangt een verlies aan inkomen heeft van € 735,51 bruto per maand in de eerste twee maanden na ontslag, en daarna van € 854,68 bruto per maand.

19.

Ook komt bijzonder gewicht toe aan het feit dat [werknemer] ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst 57 jaar oud was, dat hij een eenzijdig arbeids- en opleidingsverleden heeft en dat door [werknemer] voldoende is aangetoond dat hij naar verwachting niet op korte termijn een andere baan zal vinden. [werknemer] heeft gegevens overgelegd, ontleend aan de site www.hoelangwerkloos.nl, waaruit blijkt dat [werknemer] naar verwachting ruim vijf maanden (158 dagen) werkloos zal zijn, met een kans van 26% op uitstroom naar een andere baan. Die gegevens zijn door Bogra op zichzelf niet betwist. De enkele verwijzing door Bogra naar het curriculum vitae van [werknemer] is onvoldoende reden om aan te nemen dat [werknemer] al eerder een nieuwe baan zal vinden. Ook de stelling van Bogra dat er blijkens door haar overgelegde voorbeelden van vacatures genoeg kansen zijn op een baan voor [werknemer] kan niet worden gevolgd, omdat het bestaan van een vacature nog niets zegt over de vraag of dat voor [werknemer] een baan oplevert. Dat is temeer het geval nu uit het door [werknemer] overgelegde overzicht van zijn uitvoerige sollicitatieactiviteiten blijkt dat het ondanks die activiteiten nog niet gelukt is om ander werk te vinden. Weliswaar heeft laatstgenoemde omstandigheid zich na het ontslag voorgedaan, maar die omstandigheid levert wel mede een aanwijzing op voor wat ten tijde van het ontslag kon worden verwacht. Voor zover [werknemer] heeft gesteld dat hij helemaal geen ander werk meer zal vinden, is die stelling in het licht van de hiervoor genoemde gegevens onvoldoende aannemelijk en ook niet onderbouwd.

20.

Verder is van belang dat er door Bogra geen outplacement of een andere vorm van begeleiding is aangeboden aan [werknemer] bij het vinden van ander werk. Dat Bogra haar werknemers in juni en juli 2010 in zijn algemeenheid in verband met een eerdere reorganisatie heeft gewezen op vacatures bij andere bedrijven, en bij die andere bedrijven rondleidingen heeft georganiseerd, is in dit verband niet van betekenis. [werknemer] heeft onweersproken gesteld dat hij pas in december 2011 te horen heeft gekregen dat zijn arbeidsplaats kwam te vervallen, en vast staat dat er pas op 19 december 2011 een ontslagaanvraag voor [werknemer] is ingediend bij het UWV. Onder die omstandigheden kon van [werknemer] niet gevergd worden dat hij in juni en juli 2010 al zou gaan solliciteren naar een andere baan. Bogra heeft met de enkele verwijzing naar genoemde vacatures in juni en juli 2010 dan ook geen reële inspanning geleverd om het verkrijgen van ander werk te bevorderen.

21.

Gezien bovengenoemde omstandigheden zijn de gevolgen van het ontslag voor [werknemer] naar het oordeel van de kantonrechter te ernstig in vergelijking met het belang van Bogra bij opzegging, en heeft Bogra niet in alle opzichten als goed werkgever gehandeld. Het ontslag is daarom kennelijk onredelijk.

22.

Aan het oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is, doet niet af de stelling van Bogra dat zij vanwege haar financiële situatie niet in staat is om enige vergoeding te betalen. Uit de door Bogra bij akte van 11 maart 2013 overgelegde stukken blijkt weliswaar dat zij in 2011 en 2012 een aanzienlijk verlies heeft geleden en dat haar liquiditeitspositie niet rooskleurig is, maar daar blijkt ook uit dat de omzet op peil blijft en het verlies over 2012 meevalt, en dat er sprake is van een substantieel positief eigen vermogen en van een forse toename van de waarde van de vaste materiële activa. Daarbij komt dat Bogra blijkens die stukken in 2013 aan verschillende werknemers een ontslagvergoeding heeft betaald, variërend van
€ 10.000,00 tot € 17.500,00. Gelet hierop kan niet als vaststaand worden aangenomen dat Bogra geen enkele mogelijkheid heeft om een schadevergoeding aan [werknemer] te betalen.

Schadevergoeding

23.

Nu het ontslag kennelijk onredelijk is, moet (de hoogte van) de schadevergoeding worden vastgesteld.

24.

Bij de vaststelling van de schadevergoeding staat de door [werknemer] als gevolg van het kennelijk onredelijk ontslag te lijden schade centraal. Nu het ontslag kennelijk onredelijk is geacht in verband met het ‘gevolgencriterium’, gaat het daarbij niet om de schade die het ontslag zelf teweegbrengt, maar om de schade die verband houdt met de aard en de ernst van het tekortschieten van Bogra in haar verplichting om als goed werkgever te handelen.

25.

Het tekortschieten van Bogra bestaat er in de kern genomen uit dat zij ondanks de duur van het dienstverband, de leeftijd van [werknemer], de arbeidsmarktpositie van [werknemer] en zijn inkomensverlies, geen financiële voorziening voor hem heeft getroffen om dat verlies te compenseren en geen reële inspanningen heeft gedaan om te bevorderen dat [werknemer] ander werk kan verkrijgen. Gelet daarop ziet de kantonrechter aanleiding om de schade in dit geval te begroten op het verlies aan inkomen dat [werknemer] zal lijden over de redelijkerwijs te verwachten periode van werkloosheid na zijn ontslag. Die schade bestaat dan concreet uit het verschil tussen het laatstgenoten salaris van [werknemer] bij Bogra en de WW-uitkering die hij over de te verwachten periode van werkloosheid zal ontvangen.

26.

Bij de bepaling van de periode waarover [werknemer] naar verwachting werkloos zal zijn, zal de kantonrechter uitgaan van de door [werknemer] overgelegde gegevens ontleend aan de site www.hoelangwerkloos.nl., zoals hiervoor al is overwogen. Met [werknemer] is de kantonrechter van oordeel dat daarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met genoemde periode van vijf maanden gedurende welke [werknemer] naar verwachting werkloos zal zijn, maar ook met de relatief geringe kans op uitstroom naar een andere baan van 26%. Na afweging van goede en kwade kansen, zoals bedoeld in artikel 6:105 BW, zal de kantonrechter er daarom van uitgaan dat [werknemer] naar verwachting gedurende een periode van tien maanden na het ontslag werkloos zal blijven. Daarbij neemt dat kantonrechter mede in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat [werknemer] er nog niet in was geslaagd om ander werk te vinden. Ook hier geldt dat laatstgenoemde omstandigheid zich weliswaar na het ontslag heeft voorgedaan, maar dat die omstandigheid wel een aanwijzing oplevert voor wat ten tijde van het ontslag kon worden verwacht.

27.

Bovenstaande uitgangspunten leiden ertoe dat aan [werknemer] in beginsel een schadevergoeding zal worden toegekend van € 8.308,46 bruto (twee maal € 735,51 bruto per maand aan inkomensverlies in de eerste twee maanden na ontslag, en acht maal € 854,68 bruto per maand aan inkomensverlies in de acht maanden daarna).

28.

Het voorgaande brengt mee dat de hoogte van de schadevergoeding dus niet zal worden bepaald aan de hand van de gehele inkomensschade van [werknemer] tot de pensioengerechtigde leeftijd, zoals hij heeft gevorderd, en dat er ook geen grond is voor (een aanvullende) vergoeding van pensioenschade. Evenmin is er reden om een vergoeding toe te kennen conform een (eenzijdig) sociaal plan van Bogra uit oktober 2010, omdat dit plan blijkens de tekst daarvan alleen ziet op de toenmalige reorganisatie in de periode tot maart 2011 en nadien niet meer is toegepast.

Toerekening

29.

De schade zal volledig aan Bogra worden toegerekend. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, vloeit voort dat niet aannemelijk is dat de financiële situatie van Bogra het onmogelijk maakt om een vergoeding van € 8.308,46 bruto te betalen. Daarnaast zijn geen omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de schade geheel of voor een deel aan [werknemer] moet worden toegerekend. Voor zover Bogra in dit verband heeft aangevoerd dat [werknemer] onvoldoende heeft getracht om ander werk te vinden, overweegt de kantonrechter dat uit het door [werknemer] overgelegde overzicht van zijn sollicitatieactiviteiten – waarvan de juistheid niet is betwist door Bogra – blijkt dat hij zich serieus heeft ingespannen om ander werk te verkrijgen.

Conclusie

30.

De conclusie van het voorgaande is dat Bogra zal worden veroordeeld om aan [werknemer]
€ 8.308,46 bruto aan schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag te betalen. Ook de gevorderde wettelijke rente kan worden toegewezen, omdat de verschuldigdheid daarvan niet is weersproken.

31.

Nu Bogra overwegend ongelijk krijgt, moet zij de proceskosten van [werknemer] betalen.

De beslissing

De kantonrechter:

Verklaart voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk is.

Veroordeelt Bogra om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 8.308,46 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 september 2012 tot de dag van gehele voldoening.

Veroordeelt Bogra in de proceskosten, die tot heden voor [werknemer] worden vastgesteld op een bedrag van € 774,17 (€ 76,17 aan dagvaardingskosten, € 73,00 aan griffierecht en € 625,00 voor salaris van de gemachtigde van [werknemer]).

Verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 17 juni 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter