Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:8083

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
10-09-2013
Zaaknummer
15/740824-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is medeplichtig geweest aan het gedurende geruime tijd in bedrijf hebben van een grote hennepkwekerij door ten behoeve van het opzetten van deze kwekerij op zijn naam een loods te huren en deze ter beschikking van anderen te stellen. Verdachte heeft hierbij kennelijk uit louter financieel gewin gehandeld. De teelt en het gebruik van hennep leveren veel maatschappelijke overlast op. Daarbij komt dat deze softdrugs bij langdurig gebruik kan leiden tot schade voor de gezondheid. Verdachte heeft er door zijn handelen aan bijgedragen dat de verslavingsproblematiek met alle daarmee vaak gepaard gaande vormen van criminaliteit in stand wordt gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het handelen van verdachte geen andere straf dan een vrijheidsbenemende.

De rechtbank houdt er bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening mee dat verdachte kennelijk binnen een georganiseerd verband een duidelijke rol vervult, namelijk het zoeken en huren van panden ten behoeve van het telen van hennep waartoe verdachte kennelijk zonder enige terughoudendheid desgevraagd overgaat. Tenslotte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte weliswaar diverse malen met politie en justitie in aanraking is gekomen, maar niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740824-12

Uitspraakdatum: 25 april 2013

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 april 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. Van Bree en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. Kikkert, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

Primair

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 23 februari 2012 tot en met 3 juli 2012 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft vervaardigd en/of aanwezig heeft gehad

- een (grote) hoeveelheid amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- een (grote) hoeveelheid MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3,4-methyleendioxymethamfetamine zijnde amfetamine en/of MDMA (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair

hij op één tijdstippen in de periode van 23 februari 2012 tot en met 3 juli 2012 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk

- bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of

- vervaardigen en/of

- binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) (een) middel (en), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

- Amfetamine, zijnde amfetamine en/of

- MDMA, zijnde 3,4-methyleendioxydmethamfetamine

(een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte en/of zijn mededaders

- een huurovereenkomst afgesloten voor de periode van 2 jaar voor de loods gelegen aan het perceel Schipholweg 569 en/of

- die loods geluid- en reukdicht gemaakt en/of

- een aanvraag gedaan bij Liander voor de aansluiting van electriciteit in die loods en/of

- de zegels van de hoofdaansluitkast van de electriteitsmeter verbroken en/of een illegale electriciteitsaansluiting gemaakt en/of

- a-fenylacetoacetonitrile (APAAN) en/of benzylmethylketon (BMK),zijnde grondstoffen voor amfetamine en/of metamfetamine voorhanden gehad;

Feit 2:

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 11 mei 2012 tot en met 3 juli 2012 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid electriciteit (schadebedrag totaal van 1261,93 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Feit 3:

Primair

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 5 december 2012 te Stellendam, gemeente Goedereede, tezamen en in vereniging met een ander of met anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan Delta-Industrieweg 40) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 672, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair

een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 1 augustus 2012 tot en met 5 december 2012 te Stellendam, gemeente Goedereede, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad in een pand aan Delta-Industrieweg 40 (een) hoeveelheid/hoeveelheden van 672 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks 1 augustus 2012 tot en met 5 december 2012 te Stellendam, gemeente Goedereede, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door voor een huurovereenkomst af te sluiten voor het voornoemde pand en dit pand aan die onbekend gebleven persoon/personen voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 1 primair en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten en tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2. Vrijspraak

Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair

Verdachte wordt onder feit 1 het verwijt gemaakt dat hij betrokkenheid heeft gehad bij het fabriceren en het voorhanden hebben van amfetamine en MDMA in een loods in Lijnden. Dit verwijt wordt verdachte in de primaire variant als medeplegen van de genoemde gedragingen ten laste gelegd en in de subsidiaire variant wordt verdachte ten laste gelegd dat hij voorbereidingshandelingen heeft verricht die mogelijk hebben gemaakt dat anderen voornoemde stoffen konden produceren.

Verdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van derden voornoemde loods heeft gehuurd, ten behoeve van deze loods de elektriciteitstoevoer heeft geregeld en in de loods timmerwerkzaamheden heeft verricht waardoor van buitenaf niet zichtbaar was wat zich in de loods afspeelde. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat in de loods een hennepkwekerij zou worden opgezet.

Uit het verhandelde ter terechtzitting en uit de stukken van het dossier leidt de rechtbank af dat op 3 juli 2012 in de loods aan de Schipholweg in Lijnden goederen zijn aangetroffen die er op duiden dat in de loods MDMA en amfetamine is geproduceerd. Verdachte heeft deze loods per 20 februari 2012 gehuurd door op zijn naam een huurovereenkomst te sluiten. Voorts is gebleken dat ten behoeve van deze loods op 11 mei 2012 op verzoek van verdachte en, in zijn aanwezigheid, door medewerkers van Liander een elektriciteitsaansluiting is gemaakt.

Ook staat vast dat de bewoner van de woning op het perceel waar ook de loods zich bevindt, de als getuige gehoorde [getuige], vanaf half juni 2012 een vreemde lucht is gaan ruiken, welke lucht eind juni sterk is toegenomen. Bovendien heeft deze getuige tussen eind april en eind mei 2012 bedrijvigheid gezien in en om de loods, waarbij hij diverse personen en voertuigen heeft gezien. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat in de periode vanaf ongeveer eind mei tot en met ongeveer eind juni in de loods het productieproces heeft plaatsgevonden waarbij MDMA en amfetamine is geproduceerd.

In het dossier bevinden zich diverse tapgesprekken tussen met name verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]. In één van deze gesprekken deelt [medeverdachte 1], kort na de ontdekking van het drugslaboratorium door de politie op 3 juli 2012, aan verdachte mee dat alles weg is en er een heel grote inbraak heeft plaatsgevonden. Voorts laat verdachte aan [medeverdachte 1] weten dat er naar zijn idee een verrader in het spel is en dat het dagen kost om alle spullen die er staan, er uit te rijden. Uit gesprekken tussen beiden die enkele dagen na ontdekking van het drugslaboratorium plaatsvinden, volgt dat verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] voor anderen op zoek is naar een nieuwe loods.

Voornoemde feiten en omstandigheden duiden er op dat verdachte wist dat zich in de loods activiteiten afspeelden die het daglicht niet konden verdragen. Echter, uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte na 11 mei 2012, de dag waarop door Liander de stroomaansluiting in de loods werd gemaakt, nog in of bij de loods is geweest. Evenmin blijkt daaruit dat verdachte door medeverdachten er van op de hoogte is gesteld welke plannen die medeverdachten met betrekking tot de loods hadden. Nu naar het oordeel van de rechtbank vaststaat dat het productieproces voor de synthetische drugs op zijn vroegst vanaf eind mei 2012 heeft plaatsgevonden, staat de wetenschap van verdachte omtrent hetgeen zich precies in de loods afspeelde niet onomstotelijk vast. Voor dat oordeel is tevens redengevend dat de lezing van verdachte dat hij in de veronderstelling verkeerde dat in de loods een hennepkwekerij gevestigd zou worden, op basis van voornoemde feiten en omstandigheden niet op voorhand onaannemelijk kan worden geacht, te meer nu de handelingen die verdachte ten behoeve van de loods heeft verricht, ook betrekking zouden kunnen hebben op een op handen zijnde hennepkwekerij; uit de voorhanden bewijsmiddelen kan derhalve ook niet worden geconcludeerd tot voorwaardelijk opzet bij verdachte op de productie dan wel het aanwezig hebben van amfetamine of MDMA. Het feit dat in een andere loods die verdachte huurde daadwerkelijk een hennepkwekerij is aangetroffen, draagt nog bij aan de vorming van dit oordeel.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zelf op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het vervaardigen of voorhanden hebben van amfetamine en MDMA en evenmin dat hij wist of moest weten dat zich in de loods een drugslaboratorium bevond en dat de handelingen die hij verrichtte betrekking hadden op het vervaardigen en voorhanden hebben van amfetamine en MDMA. Een en ander leidt ertoe dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd.

Ten aanzien van feit 2

Onder feit 2 is verdachte de diefstal van elektriciteit ten behoeve van voornoemde loods ten laste gelegd. Zoals hiervoor reeds is overwogen, hebben medewerkers van Liander in opdracht van verdachte en op zijn naam op 11 mei 2012 de elektriciteitsaansluiting voor de loods aangelegd. Bij de ontdekking van het drugslaboratorium op 3 juli 2012 heeft een medewerker van Liander vastgesteld dat de elektriciteit voor de loods buiten de meter om werd afgenomen. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de elektriciteit in de loods werd ‘omgelust’. De rechtbank stelt bij haar beoordeling echter voorop dat niet is gebleken dat verdachte zelf enige uitvoeringshandeling heeft verricht om de stroom illegaal af te nemen. Immers, zoals hiervoor reeds is overwogen, blijkt uit geen enkel bewijsmiddel dat verdachte na 11 mei 2012, na welke datum de stroom buiten de meter om geleid moet zijn, nog in de loods is geweest. Zelfs in het geval verdachte op het moment dat hij contact had met Liander over de aansluiting van de stroom, al wist dat deze daarna buiten de meter om geleid zou worden, duidt dit in strafrechtelijke zin hooguit op medeplichtigheid aan de diefstal van de elektriciteit, hetgeen verdachte niet ten laste is gelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet bewezen dat verdachte nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt om de elektriciteit ten behoeve van de loods te stelen, zodat verdachte ook moet worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 2 ten laste is gelegd.

3.3. Bespreking van een op bewijsuitsluiting gericht standpunt/verweer

De officier van justitie heeft bij de voordracht van de zaak reeds aangegeven dat met betrekking tot feit 3 vrijspraak dient te volgen, omdat naar zijn oordeel de loods die verdachte in Stellendam huurde en waarin een hennepkwekerij is aangetroffen, op onrechtmatige wijze is binnengetreden omdat een redelijk vermoeden van schuld ontbrak.

Het bewijs dat hierdoor is verkregen mag niet als bewijsmiddel dienen, zo heeft de officier van justitie betoogd.

De raadsman van verdachte heeft dit standpunt onderschreven en er op gewezen dat uit de tapgesprekken enkele maanden na 3 juli 2012, de dag waarop het drugslaboratorium in Lijnden werd ontdekt, slechts volgt dat verdachte een ‘pandje’ in Stellendam huurde. Op basis van die informatie is aan de verhuurder van dat pand, [verhuurder], een vordering gericht ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering. Het enkele gegeven dat verdachte een pandje huurde, levert niet het redelijke vermoeden op dat verdachte zich schuldig maakte aan overtreding van de Opiumwet, zodat voornoemde vordering niet had mogen worden gedaan. Dit leidt ertoe dat het bewijs dat hieruit is voortgekomen onrechtmatig is verkregen en van het bewijs dient te worden uitgesloten, zo heeft de raadsman betoogd. Voor zover de informatie van [verhuurder] wel voor het bewijs zou mogen worden gebruikt, heeft de raadsman erop gewezen dat uit die informatie is gebleken dat verdachte inderdaad een pand in Stellendam op zijn naam heeft staan. Nu uit het onderzoek van de verbalisanten ter plaatse geen enkele aanwijzing is gekomen waarin steun kon worden gevonden voor een verdenking van overtreding van de Opiumwet, ontbrak een redelijk vermoeden van schuld op het moment dat in de loods werd binnengetreden. Dit dient dan ook bewijsuitsluiting tot gevolg te hebben van al hetgeen bij de binnentreding is aangetroffen, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt het volgende.

In Lijnden is op 3 juli 2012 een (grotendeels ontmanteld) drugslaboratorium aangetroffen in een door verdachte gehuurde loods. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat verdachte op verzoek van derden via [medeverdachte 1] in de dagen na het aantreffen van dit drugslaboratorium op zoek gaat naar nieuwe panden. Hierover heeft verdachte vrij intensief contact met [medeverdachte 1]. In deze gesprekken wordt onder meer gezegd dat ‘ze’ weer wat nodig hebben, dat verdachte specifiekere informatie wil over wat ‘ze’ dan nodig hebben en dat verdachte volgens [medeverdachte 1] behoort te weten wat ‘ze’ nodig hebben. Uit de gesprekken blijkt ook dat verdachte op zoek is naar te huur staande panden met loodsen waarbij de elektriciteitsaansluiting kennelijk van belang is. Uit tapgesprekken die enkele maanden later volgen, blijkt dat verdachte met verhuurder [verhuurder] contact heeft over een pand in Stellendam en dat verdachte daar de huur voor betaalt. Op basis van deze informatie is bij [verhuurder] een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank was er op dat moment een plaats “in beeld” waaromtrent redelijkerwijze vermoed kon worden dat daar een overtreding van de Opiumwet werd gepleegd en is de vordering rechtmatig gedaan.

Op 5 december 2012 wordt binnengetreden in het pand aan de Delta-Industrieweg 40 in Stellendam, welk pand, blijkens de informatie van [verhuurder], gehuurd wordt door verdachte. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kon ten aanzien van dit pand redelijkerwijze vermoed worden dat sprake was van overtreding van de Opiumwet, zodat daar op grond van artikel 9 van deze wet mocht worden binnengetreden.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat zelfs indien sprake zou zijn geweest van een vormverzuim zoals door de raadsman of de officier van justitie is aangenomen, dit niet zonder meer tot bewijsuitsluiting zou behoeven te leiden. Immers, met betrekking tot het binnentreden heeft te gelden dat is binnengetreden in een pand waarvan verdachte zelf heeft verklaard dat hij er nooit is geweest en daarvan zelfs niet eens een sleutel had, maar waarvan de huurovereenkomst slechts op zijn naam stond. Dit heeft tot gevolg dat als al sprake zou zijn van onrechtmatig binnentreden, de rechtbank niet vermag in te zien welk rechtens te respecteren belang van verdachte zou zijn geschonden, laat staan dat deze schending zo ernstig is dat dit tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden.


De rechtbank deelt mitsdien niet het standpunt van de officier van justitie en verwerpt het op bewijsuitsluiting gerichte verweer van de raadsman.

3.4. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit bij zijn verhoren bij de politie heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, anders dan op grond van het hiervoor besproken verweer dat ziet op bewijsuitsluiting – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 8 januari 2013 (dossierpagina 343-356), inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2012 (dossierpagina 245-249);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 18 december 2012 (dossierpagina 269);

- een schriftelijk bescheid, te weten een op naam van verdachte staande concepthuurovereenkomst (dossierpagina 278-282).

3.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 3:

Subsidiair

onbekend gebleven personen in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 5 december 2012 te Stellendam, gemeente Goedereede, met elkaar, opzettelijk hebben geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, in een pand aan de Delta-Industrieweg 40 een hoeveelheid van 672 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 5 december 2012 te Stellendam, gemeente Goedereede, opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door een huurovereenkomst af te sluiten voor het voornoemde pand en dit pand aan die onbekend gebleven personen voor het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder feit 3 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 3 subsidiair:

medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en met name uit de bespreking aldaar van het door de Reclassering uitgebrachte advies d.d. 14 januari 2013, is gebleken.

In het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte is medeplichtig geweest aan het gedurende geruime tijd in bedrijf hebben van een grote hennepkwekerij door ten behoeve van het opzetten van deze kwekerij op zijn naam een loods te huren en deze ter beschikking van anderen te stellen. Verdachte heeft hierbij kennelijk uit louter financieel gewin gehandeld. De teelt en het gebruik van hennep leveren veel maatschappelijke overlast op. Daarbij komt dat deze softdrugs bij langdurig gebruik kan leiden tot schade voor de gezondheid. Verdachte heeft er door zijn handelen aan bijgedragen dat de verslavingsproblematiek met alle daarmee vaak gepaard gaande vormen van criminaliteit in stand wordt gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het handelen van verdachte geen andere straf dan een vrijheidsbenemende.

De rechtbank houdt er bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening mee dat verdachte kennelijk binnen een georganiseerd verband een duidelijke rol vervult, namelijk het zoeken en huren van panden ten behoeve van het telen van hennep waartoe verdachte kennelijk zonder enige terughoudendheid desgevraagd overgaat.

Tenslotte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte weliswaar diverse malen met politie en justitie in aanraking is gekomen, maar niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikel 48 en 49 van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 3 en 11 van de Opiumwet

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair en subsidiair, onder feit 2 en onder feit 3 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 3.5 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Koole, voorzitter,

mr. M.J.M. Verpalen en mr. M.M. Kruithof, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P. de Klerk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 april 2013.