Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:8069

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
09-09-2013
Zaaknummer
15/830003-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; strafvonnis; witwassen; van het plegen van witwassen een gewoonte maken; bewezenverklaring; strafoplegging; deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 61.308, - Gelet op het aanzienlijke aantal geldtransacties heeft hij van het witwassen een gewoonte gemaakt. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en indirect ook bevorderd, want zonder personen als verdachte die criminele gelden een (schijnbaar) legale herkomst verschaffen, is het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een vrijheidsbenemende straf als straf in aanmerking. De rechtbank ziet in de lange periode waarin verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen aanleiding om ten nadele van verdachte af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde strafeis. Noch in de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding om de straf te matigen. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/830003-12

Uitspraakdatum: 3 september 2013

Tegenspraak (ex art. 279 lid 2 Sv)

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Ghana),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A.C. Kooper-Gerritsen en van wat de raadsman, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren heeft gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 22 oktober 2012, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een hoeveelheid bankbiljetten (ter waarde van (ongeveer) 10.000,- euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemde hoeveelheid bankbiljetten, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

feit 2

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 januari 2006 tot en met 25 juni 2012, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, in bovengenoemde periode (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten:

- op 26 januari 2006 een geldbedrag van 10090 en/of

- op 2 februari 2007 een geldbedrag van 952 euro en/of

- op 18 april 2007 een geldbedrag van 860 euro en/of

- op 2 mei 2007 een geldbedrag van 200 euro en/of

- op 9 mei 2007 een geldbedrag van 500 euro en/of

- op 22 mei 2007 een geldbedrag van 1255 euro en/of

- op 29 mei 2007 een geldbedrag van 2020 euro en/of

- op 5 juni 2007 een geldbedrag van 283 euro en/of

- op 5 juni 2007 een geldbedrag van 283 euro en/of

- op 13 juni 2007 een geldbedrag van 675 euro en/of

- op 13 juni 2007 een geldbedrag van 190 euro en/of

- op 20 juni 2007 een geldbedrag van 578 euro en/of

- op 21 juni 2007 een geldbedrag van 162 euro en/of

- op 1 augustus 2007 een geldbedrag van 1508 euro en/of

- op 2 augustus 2007 een geldbedrag van 3805 euro en/of

- op 4 augustus 2007 een geldbedrag van 1522 euro en/of

- op 9 januari 2008 een geldbedrag van 5035 euro en/of

- op 10 januari 2008 een geldbedrag van 3335 euro en/of

- op 29 april 2009 een geldbedrag van 92 euro en/of

- op 1 september 2009 een geldbedrag van 965 euro en/of

- op 7 september 2009 een geldbedrag van 150 euro en/of

- op 10 september 2009 een geldbedrag van 97 euro en/of

- op 11 september 2009 een geldbedrag van 200 euro en/of

- op 29 september 2009 een geldbedrag van 100 euro en/of

- op 29 september 2009 een geldbedrag van 500 euro en/of

- op 1 oktober 2010 een geldbedrag van 190 euro en/of

- op 11 oktober 2010 een geldbedrag van 1259 euro en/of

- op 16 oktober 2010 een geldbedrag van 499 euro en/of

- op 21 oktober 2010 een geldbedrag van 76 euro en/of

- op 26 oktober 2010 een geldbedrag van 1001 euro en/of

- op 28 oktober 2010 een geldbedrag van 190 euro en/of

- op 28 oktober 2010 een geldbedrag van 1008 euro en/of

- op 3 november 2010 een geldbedrag van 200 euro en/of

- op 9 november 2010 een geldbedrag van 1511 euro en/of

- op 11 november 2010 een geldbedrag van 306 euro en/of

- op 12 november 2010 een geldbedrag van 516 euro en/of

- op 11 december 2010 een geldbedrag van 526 euro en/of

- op 14 januari 2011 een geldbedrag van 513 euro en/of

- op 28 januari 2011 een geldbedrag van 2900 euro en/of

- op 4 februari 2011 een geldbedrag van 486 euro en/of

- op 28 februari 2011 een geldbedrag van 578 euro en/of

- op 11 april 2011 een geldbedrag van 625 euro en/of

- op 28 juni 2011 een geldbedrag van 578 euro en/of

- op 5 juli 2011 een geldbedrag van 115 euro en/of

- op 27 juli 2011 een geldbedrag van 578 euro en/of

- op 25 juni 2012 een geldbedrag van 2296 euro,

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten bovengenoemd(e) geldbedragen(en), gebruik gemaakt, door voornoemd(e) geldbedrag(en) over te maken en/of te ontvangen via Money Transfers en/of te wisselen bij [wisselkantoor] (een wisselkantoor), terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 22 oktober 2012 omstreeks 18.20 uur zien douanebeambten verdachte de zogenaamde groene douane-doorgang passeren teneinde de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, te verlaten. Een douanebeambte vraagt ter controle aan verdachte of hij geld bij zich heeft. Verdachte toont hierop zijn portemonnee met daarin drie biljetten van 5 euro. Bij kledingvisitatie wordt door de douanebeambte een verdikking in de binnenzak van de jas van verdachte gevoeld. Desgevraagd verklaart verdachte vervolgens ten overstaan van de douanebeambte dat de verdikking een pakketje met geld is met een totale waarde van 7000 euro en dat hij het pakketje moet geven aan iemand. Verdachte haalt een envelop, met bruin omwikkeld tape uit de binnenzak van zijn jas. Hierna wordt een tweede kledingvisitatie uitgevoerd. Ter hoogte van de schaamstreek wordt ook een verdikking gevoeld. Verdachte geeft aan dat hij nog 3000 euro bij zich draagt en pakt vervolgens uit zijn onderbroek een bundel met biljetten van 50 euro. Bij verdachte wordt in de kleding een hoeveelheid bankbiljetten met een totale waarde van € 10.000,- aangetroffen.2 Later geeft verdachte aan dat het geld volgens hem niet legaal is en dat hij voor het brengen van het geld van Milaan naar Amsterdam een beloning van 550 euro zou ontvangen en dat de kosten van zijn ticket zouden worden betaald3.

Uit nader onderzoek blijkt dat verdachte in de periode van 26 januari 2006 tot en met 25 juni 2012 te Amsterdam vijfenveertig zogenaamde ‘moneytransfers’ heeft verricht naar diverse landen, het merendeel hiervan naar Ghana. Voorts blijkt dat verdachte één geldwissel heeft laten uitvoeren. Het totaalbedrag van deze transacties bedraagt € 51.308,-.4 Na raadpleging van de informatie uit de systemen van de Belastingdienst blijkt dat verdachte sinds 2005 een totaal inkomen heeft genoten van € 57.683,-.5

Verdachte verklaart dat hij in 2006 een geldwissel heeft uitgevoerd voor een Nigeriaanse man waarvoor hij een beloning van 450 euro heeft ontvangen. De voornoemde ‘moneytransfers’ heeft verdachte ook gedaan om er wat mee te verdienen. Afhankelijk van het bedrag van de transactie kreeg verdachte een beloning. Hij wist niets van de herkomst van het geld van de transacties en heeft daar ook nooit naar gevraagd. Hij dacht alleen aan de beloning die hij zou krijgen6.

3.5. Bewijsoverwegingen

Voor bewezenverklaring van witwassen is vereist dat komt vast te staan dat de desbetreffende geldbedragen middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dat wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden.

De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat niet zelden via de luchthaven Schiphol grote bedragen in contanten, die middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn uit misdrijf, worden in-, uit-, of doorgevoerd. Verdachte is aangehouden met een geldbedrag in contanten van € 10.000,- terwijl hij dit bedrag niet had aangegeven bij de douane, zoals vereist is als het gaat om bedragen gelijk aan of boven de € 10.000,-. Het is hoogst ongebruikelijk om een dergelijk bedrag fysiek te vervoeren, gelet op de risico’s waarmee dit gepaard gaat. Het bij verdachte aangetroffen geldbedrag was verborgen in een met tape omwikkelde envelop en in zijn onderbroek. Verder is gebleken dat verdachte een aantal zogenaamde ‘moneytransfers’ heeft verricht en daarnaast opdrachtgever is van een geldwissel, en dat deze ‘moneytransfers’ en geldwissel telkens aanzienlijke bedragen behelzen.

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie dat deze feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Dan mag van verdachte worden verwacht dat hij een concrete en verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft voor de legale herkomst van het geld dat hij bij zich had.

Verdachte heeft uiteenlopende verklaringen afgelegd over de herkomst en de bestemming van het bij hem op de luchthaven Schiphol aangetroffen geldbedrag. Aanvankelijk heeft verdachte verklaard dat hij het geldbedrag in Italië van de heer [betrokkene] heeft gekregen en aan de heer [begunstigde] in Nederland moest geven. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist waarom het geld van [betrokkene] op deze manier naar Nederland moest worden getransporteerd. Verdachte kreeg een beloning van [begunstigde] en werd in de kosten van zijn ticket gecompenseerd.

Namens verdachte is vervolgens door de raadsman een brief, geschreven door mevrouw [betrokkene 2], ingebracht. [betrokkene 2] schrijft dat verdachte het geldbedrag dat bij verdachte werd aangetroffen van haar heeft ontvangen en dat het bedoeld was om een auto voor haar te kopen.

Voorts heeft verdachte aanvankelijk verklaard dat hij de opdrachtgever van de transacties en de geldwissel is geweest, dat hij niet wist waar het geld voor was en hiervoor per transactie een beloning ontving. Namens verdachte zijn door de raadsman vervolgens een tiental kwitanties van het reisbureau van zijn vrouw in Ghana overgelegd, zonder nadere uitleg van verdachte.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en in samenhang bezien, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen van het bij hem op de luchthaven Schiphol aangetroffen geldbedrag onvoldoende ontzenuwd. De verklaringen van verdachte over de herkomst van het bij hem in de kleding aangetroffen geldbedrag lopen sterk uiteen. Bovendien wordt door verdachte geen nadere uitleg gegeven over de inhoud van de brief van [betrokkene 2] en evenmin hoe deze inhoud zich verhoudt tot de eerder afgelegde verklaring van verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte wist dat het geld – middellijk of onmiddellijk – uit misdrijf afkomstig is en zijn verklaringen omtrent de herkomst van het bij hem aangetroffen geldbedrag slechts heeft afgelegd om de waarheid te bemantelen.

De rechtbank stelt vast dat de door verdachte via zijn raadsman overgelegde kwitanties, over de authenticiteit waarvan de verbalisanten van de FIOD hun twijfels hebben geuit,

niet zijn voorzien van enige nadere uitleg. Nu van verdachte in dit geval gevergd moet worden dat hij verifieerbare gegevens verschaft die van belang zijn om aan zijn stellingen een begin van geloofwaardigheid te verlenen, hetgeen thans ontbreekt, stelt de rechtbank deze kwitanties terzijde. Daarbij speelt ook een rol dat verdachte pas in een laat stadium deze kwitanties heeft overgelegd zonder dat hij daarover in eerdere verhoren heeft verklaard. De rechtbank houdt verdachte dan ook aan zijn eerder gedane verklaring, te weten dat hij de transacties verrichtte zonder te weten waar het geld voor was en hiervoor per transactie een beloning ontving. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de kwitanties enkel en alleen heeft ingebracht om de waarheid te bemantelen, namelijk dat verdachte wist dat hij telkens geld overmaakte of wisselde dat – middellijk of onmiddellijk – uit misdrijf afkomstig is en hiervan – gelet op de frequentie van het overmaken van geldbedragen – een gewoonte heeft gemaakt.

3.6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1

hij op 22 oktober 2012, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een hoeveelheid bankbiljetten (ter waarde van 10.000 euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

feit 2

hij op in de periode van 26 januari 2006 tot en met 25 juni 2012, te Amsterdam, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, in bovengenoemde periode:

- op 26 januari 2006 een geldbedrag van 10090 en

- op 2 februari 2007 een geldbedrag van 952 euro en

- op 18 april 2007 een geldbedrag van 860 euro en

- op 2 mei 2007 een geldbedrag van 200 euro en

- op 9 mei 2007 een geldbedrag van 500 euro en

- op 22 mei 2007 een geldbedrag van 1255 euro en

- op 29 mei 2007 een geldbedrag van 2020 euro en

- op 5 juni 2007 een geldbedrag van 283 euro en

- op 5 juni 2007 een geldbedrag van 283 euro en

- op 13 juni 2007 een geldbedrag van 675 euro en

- op 13 juni 2007 een geldbedrag van 190 euro en

- op 20 juni 2007 een geldbedrag van 578 euro en

- op 21 juni 2007 een geldbedrag van 162 euro en

- op 1 augustus 2007 een geldbedrag van 1508 euro en

- op 2 augustus 2007 een geldbedrag van 3805 euro en

- op 4 augustus 2007 een geldbedrag van 1522 euro en

- op 9 januari 2008 een geldbedrag van 5035 euro en

- op 10 januari 2008 een geldbedrag van 3335 euro en

- op 29 april 2009 een geldbedrag van 92 euro en

- op 1 september 2009 een geldbedrag van 965 euro en

- op 7 september 2009 een geldbedrag van 150 euro en

- op 10 september 2009 een geldbedrag van 97 euro en

- op 11 september 2009 een geldbedrag van 200 euro en

- op 29 september 2009 een geldbedrag van 100 euro en

- op 29 september 2009 een geldbedrag van 500 euro en

- op 1 oktober 2010 een geldbedrag van 190 euro en

- op 11 oktober 2010 een geldbedrag van 1259 euro en

- op 16 oktober 2010 een geldbedrag van 499 euro en

- op 21 oktober 2010 een geldbedrag van 76 euro en

- op 26 oktober 2010 een geldbedrag van 1001 euro en

- op 28 oktober 2010 een geldbedrag van 190 euro en

- op 28 oktober 2010 een geldbedrag van 1008 euro en

- op 3 november 2010 een geldbedrag van 200 euro en

- op 9 november 2010 een geldbedrag van 1511 euro en

- op 11 november 2010 een geldbedrag van 306 euro en

- op 12 november 2010 een geldbedrag van 516 euro en

- op 11 december 2010 een geldbedrag van 526 euro en

- op 14 januari 2011 een geldbedrag van 513 euro en

- op 28 januari 2011 een geldbedrag van 2900 euro en

- op 4 februari 2011 een geldbedrag van 486 euro en

- op 28 februari 2011 een geldbedrag van 578 euro en

- op 11 april 2011 een geldbedrag van 625 euro en

- op 28 juni 2011 een geldbedrag van 578 euro en

- op 5 juli 2011 een geldbedrag van 115 euro en

- op 27 juli 2011 een geldbedrag van 578 euro en

- op 25 juni 2012 een geldbedrag van 2296 euro,

overgedragen door voornoemde geldbedragen over te maken en te wisselen, terwijl hij wist dat voornoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1

witwassen;

ten aanzien van feit 2

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van in totaal

€ 61.308, - Gelet op het aanzienlijke aantal geldtransacties heeft hij van het witwassen een gewoonte gemaakt. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en indirect ook bevorderd, want zonder personen als verdachte die criminele gelden een (schijnbaar) legale herkomst verschaffen, is het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een vrijheidsbenemende straf als straf in aanmerking.

De rechtbank ziet in de lange periode waarin verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen aanleiding om ten nadele van verdachte af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde strafeis. Noch in de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding om de straf te matigen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6. weergegeven.

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES (6) MAANDEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot DRIE (3) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee (2) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.P.J. Ruijpers, voorzitter,

mr. J.J.M. Uitermark en mr. M. Malsch, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 3 september 2013.

mr. M. Malsch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Schiphol d.d. 2 januari 2013 (dossiernummer 51235, OM-nummer OI/2910), proces-verbaal van aanhouding en bevindingen in bijlage AH-001.

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 25 oktober 2012 in bijlage V1-02.

4 Het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Schiphol d.d. 2 januari 2013 (dossiernummer 51235, OM-nummer OI/2910), het transactieoverzicht in bijlage D-004).

5 Het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Schiphol d.d. 2 januari 2013 (dossiernummer 51235, OM-nummer OI/2910), proces-verbaal van ambtshandeling in bijlage AH-007).

6 Het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Schiphol d.d. 2 januari 2013 (dossiernummer 51235, OM-nummer OI/2910), proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 25 oktober 2012 in bijlage V1-02.