Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:8068

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
09-09-2013
Zaaknummer
15/800683-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; strafvonnis; invoer verdovende middelen te Schiphol; invoer cocaïne te Schiphol; voorwaardelijk opzet; bewezenverklaring; strafoplegging; geen reden tot afwijken van LOVS richtlijnen; onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800683-13

Uitspraakdatum: 3 september 2013

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, locatie Ter Peel te Evertsoord.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A.C. Kooper-Gerritsen en van wat verdachte en haar raadsman, mr. S. Faber, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 04 juni 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2001 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte is op 4 juni 2013 op een vlucht vanuit Suriname aangekomen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Verdachte draagt een zwarte rolkoffer van het merk ‘Samsonite’ bij zich. Bij een douanecontrole wordt in de zwarte rolkoffer een plastic tas met opdruk ‘King’s’ gezien. In de plastic tas zit een kartonnen doos met opschrift ‘Chivas brothers scotch whiskey’, waarin een stoffen blauwe zak met daarin zwarte pakketten wordt aangetroffen.2 Nader onderzoek wijst uit dat zich in de zwarte pakketten een stof bevindt welke chemische geur en samenstelling gelijkt op cocaïne. Het totaal netto gewicht van de inhoud van de pakketten betreft 2001 gram.3 Uit onderzoek van het Douane Laboratorium is gebleken dat de aangetroffen stof cocaïne bevat.4

3.3. Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de invoer van cocaïne. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij op de luchthaven Zanderij in Suriname uit de wachtrij is gehaald en langs de paspoortcontrole is geleid door een persoon werkend op de luchthaven, die zij bij een eerdere gelegenheid al had ontmoet in Suriname. Deze persoon, die zij kent als zijnde [voornaam], heeft haar vervolgens gevraagd om een plastic tas met daarin een doos met een fles drank mee te nemen naar Nederland. Verdachte zou worden gebeld op haar mobiele telefoon zodra zij in Nederland was aangekomen. Verdachte heeft niet in de doos gekeken.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door deze plastic tas van een persoon die zij slechts uiterst oppervlakkig kende en zonder enige controle van de inhoud van de plastic tas te verrichten aan te pakken en mee naar Nederland te nemen, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij cocaïne Nederland binnen zou brengen, hetgeen ook het geval bleek te zijn. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat Suriname een bronland van cocaïne is en dat deze cocaïne veelal per vliegtuig vanuit Suriname naar Nederland wordt gesmokkeld.

Verdachte heeft aldus naar het oordeel van de rechtbank voorwaardelijk opzet gehad op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een stof bevattende cocaïne.

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 4 juni 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2001 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 2001 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als straf in aanmerking.

De rechtbank merkt op dat de door de officier van justitie gevorderde duur van de straf in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIERENTWINTIG (24) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Malsch, voorzitter,

mr. M.P.J. Ruijpers en mr. J.J.M. Uitermark, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 3 september 2013.

mr. M. Malsch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 4 juni 2013 (dossierpagina’s 6-15).

3 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 5 juni 2013 (dossierpagina’s 44-60).

4 Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 13 juni 2013 (kenmerk A065.3.038929 en laboratoriumnummer 6532 X 13, los opgenomen).