Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:8060

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
09-09-2013
Zaaknummer
15/801044-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; strafvonnis; invoer verdovende middelen te Schiphol; invoer cocaïne te Schiphol; niet-ontvankelijkheidverweer verworpen; bewijsmiddelverweer verworpen; voorwaardelijk opzet; bewezenverklaring; strafoplegging; geen reden tot afwijken van LOVS richtlijnen; onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/801044-12

Uitspraakdatum: 3 september 2013

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A.C. Kooper-Gerritsen en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. K. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 augustus 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1. Beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard omdat de sporttas met inhoud, die verdachte bij aankomst in Nederland bij zich droeg, na onderzoek is vernietigd. De raadsman stelt dat door aldus te handelen het Openbaar Ministerie een deugdelijke verdediging onmogelijk heeft gemaakt, doordat nader onderzoek naar vingerafdrukken en dna-sporen op deze sporttas op latere momenten niet langer mogelijk is. Zodoende is sprake van schending van artikel 6 lid 1 en 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens alsmede een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een behoorlijke behandeling van de zaak .

2.2. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat geen sprake is van het bewust schaden van de belangen van verdachte door de pakketten in de sporttas na onderzoek naar de inhoud van die pakketten te vernietigen. De pakketten zijn immers tijdens het onderzoek al door de handen van meerdere verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee gegaan zodat deugdelijk onderzoek niet langer mogelijk was. Daar komt bij dat onderzoek naar vingerafdrukken aan de sporttas, die gemaakt is van canvas, niet mogelijk is omdat op dergelijk materiaal, zo leert de ervaring, geen vingerafdrukken kunnen worden gevonden. Overigens zou het eventueel ontbreken van de vingerafdrukken van verdachte op de sporttas of op de pakketten niets toe of afdoen aan de beantwoording van de vraag of hij wist van de aanwezigheid van deze pakketten in de sporttas. Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Bewijsmiddelverweer

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte ten onrechte niet de cautie is gegeven terwijl de douanebeambten hem al als verdachte hadden aangemerkt, omdat sprake was van vaststelling van afwijkende beelden op het x-ray apparaat waardoor het vermoeden ontstond dat zich in de sporttas verdovende middelen zouden bevinden. Verdachte had erop gewezen moeten worden dat hij niet verplicht is om antwoord te geven op de vragen van de douanebeambten. Verdachte is hierdoor, aldus de raadsman, geschaad in zijn verdedigingsbelangen. Dit vormverzuim dient ex artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv) te leiden tot uitsluiting van het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen en de vruchten hiervan.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Het door de douane vragen in het kader van een grenscontrole of een sporttas, waarvan nog niet is vastgesteld aan wie deze toebehoort, aan verdachte toebehoort en wat daar in zit, kan onder de geschetste omstandigheden niet worden aangemerkt als een vraag aan een verdacht persoon omtrent een geconstateerd strafbaar feit, waarvoor een cautie had moeten worden gegeven. Feitelijk betreft het een vraag in het kader van een douanecontrole die [verdachte] koppelt aan de sporttas. Vervolgens is de sporttas aan een grondiger inspectie onderworpen in het kader van een douanecontrole.

Hierbij is middels een fretboor een opening gemaakt in een van de in de verpakte vis aangetroffen zwarte duwersbol waarbij is waargenomen dat hierbij wit poeder aan het boortje bleef kleven. Dit is getest met een MMC cocaïne test waarna een positieve kleurreactie ontstond. Eerst op dat moment was sprake van verdenking van enig strafbaar feit en vloeide uit de omstandigheid dat [verdachte] even daarvoor aan de sporttas was gekoppeld een redelijk vermoeden van zijn schuld aan dat strafbare feit voort. Terecht hebben verbalisanten eerst op dat moment te kennen gegeven dat [verdachte] als verdachte werd aangemerkt en hebben zij hem toen de cautie gegeven. Van een vormverzuim is derhalve geen sprake.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte is op 23 augustus 2012 op een vlucht vanuit Suriname aangekomen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Verdachte draagt onder meer een zwarte canvas sporttas met daarop een Surinaamse vlag bij zich. Bij een douanecontrole worden in de sporttas meerdere plastic tasjes aangetroffen. In een gele plastic tas worden meerdere in transparant huishoudfolie verpakte pakketten gezien. Na verwijdering van het huishoudfolie van een van de pakketten wordt gezien dat er vis in de pakketten zit. In de vis wordt een in zwart tape verpakte duwersbol aangetroffen.2 Nader onderzoek wijst uit dat zich in de pakketten vis een stof bevindt welke chemische geur en samenstelling gelijkt op cocaïne. Het totaal netto gewicht van de inhoud van de pakketten betreft 5.187 gram.3 Uit onderzoek van het Douane Laboratorium is gebleken dat de aangetroffen stof cocaïne bevat.4

3.4. Bewijsoverweging

De rechtbank is, in tegenstelling tot de verdediging, van oordeel dat verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de invoer van cocaïne. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij nadat het vliegtuig op de luchthaven Schiphol was geland en de passagiers reeds opstonden om het vliegtuig te verlaten door een medereiziger [betrokkene] werd gevraagd of hij een van zijn sporttassen kon meedragen uit het vliegtuig, hetgeen verdachte vervolgens heeft gedaan. Na het passeren van de paspoortcontrole is verdachte naar zijn zeggen deze [betrokkene] uit het oog verloren en heeft hij vervolgens bij de douanecontrole de sporttas ter controle aangeboden. Verdachte ontkent dat hij tegen de douanebeambten heeft gezegd dat het zijn sporttas betreft.

De rechtbank is van oordeel dat, als al van de juistheid van het relaas van verdachte moet worden uitgegaan, verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de invoer van cocaïne in Nederland. Verdachte heeft immers van een persoon die hij slechts zeer oppervlakkig kende een sporttas meegevoerd uit het vliegtuig en zonder de inhoud van de sporttas te controleren, terwijl die relatief onbekende persoon was verdwenen, aangeboden ter controle bij de douane. Daar komt nog bij dat verdachte bij het aannemen van de sporttas aan deze eigenaar heeft gevraagd of er geen cocaïne in de sporttas zat en genoegen nam met het ontkennende antwoord van de eigenaar. Het is een feit van algemene bekendheid dat Suriname een bronland van cocaïne is en dat deze cocaïne veelal per vliegtuig vanuit Suriname naar Nederland wordt gesmokkeld. Door op bovenstaande wijze te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij cocaïne Nederland zou binnen brengen, hetgeen ook het geval bleek te zijn.

Verdachte heeft aldus naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval voorwaardelijk opzet gehad op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een stof bevattende cocaïne.

3.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 23 augustus 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtendertig (38) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 5.187 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als straf in aanmerking.

De rechtbank merkt op dat de door de officier van justitie gevorderde duur van de straf in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHTENDERTIG (38) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

beveelt de gevangenneming van verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.P.J. Ruijpers, voorzitter,

mr. J.J.M. Uitermark en mr. M. Malsch, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 3 september 2013.

mr. M. Malsch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 23 augustus 2012 (dossierparagraaf 1.1).

3 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 25 augustus 2012 (dossierparagraaf 1.1.4).

4 Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 4 september 2012 (kenmerk A065.2.061152 en laboratoriumnummer 8689 X 12, los opgenomen).