Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:8011

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-07-2013
Datum publicatie
06-09-2013
Zaaknummer
AWB 12/5627
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:1982, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhaving

Samenvatting: Verzoek om handhavend op te treden tegen het slaan van een meerpaal en het aanmeren van een drijvend dok. Op grond van lage prioritering zoals vastgelegd in het Handhavingsbeleidsplan 2012-2015 wordt vanwege capaciteitsproblemen vooralsnog, binnen de termijn van het Handhavingsbeleidsplan, niet tot handhaving overgegaan.

De rechtbank acht een dergelijke consequentie van een beleid niet redelijk. Gelet op de beginselplicht tot handhaving dient een burger, bijzondere omstandigheden daargelaten, uitzicht te hebben op handhaving binnen de looptijd van een beleidsplan. Ook verweerders beroep op het gelijkheidsbeginsel kan het bestreden besluit niet dragen. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Hoewel niet concreet, bestaat wel zicht op legalisatie. Indien derde-partij een omgevingsvergunning voor de meerpaal aanvraagt, bestaan er, volgens verweerder, geen weigeringsgronden voor dit verzoek. De rechtbank moet de derde-partij in de gelegenheid alsnog een omgevingsvergunning aan te vragen. Vervolgens kan verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eiser nemen

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/5627

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Toxopeus)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde partij], te [woonplaats]

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om handhaving afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2013. Eiser is in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote, [naam 1], [naam 2], en[naam 3]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij is verschenen, vergezeld door [naam 4].

Overwegingen

1.

Begin 2011 heeft [naam derde partij] (hierna: [naam derde partij]) een meerpaal en een drijvend dok geplaatst in openbaar water in het verlengde van de tuin van eiser. Na verzoeken tot handhaving op 28 maart en 3 april 2011 heeft verweerder op 20 april 2011 geconstateerd dat het dok verplaatst was en daarmee geconstateerd dat de overtreding is beëindigd. Op 16 februari 2012 heeft (onder meer) eiser verweerder opnieuw verzocht om handhavend op te treden tegen het slaan van een meerpaal en het aanmeren van een drijvend dok in het verlengde van [locatie].

2.

Verweerder heeft eiser bij besluit van 16 april 2012 medegedeeld dat hij begrijpt dat eiser overlast ondervindt van de aangegeven illegale situatie, maar dat niet is geconstateerd dat sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden dat direct ingrijpen noodzakelijk is. Op grond van lage prioritering zoals vastgelegd in het Handhavingbeleidsplan 2012-2015 heeft verweerder besloten niet direct tot handhaving over te gaan. In het bestreden besluit is de weigering gehandhaafd. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit verder op het standpunt gesteld dat het gelijkheidsbeginsel vergt dat sprake is van een consistent en doordacht bestuursbeleid. In de omgeving zijn veel steigers en aangemeerde boten zonder benodigde vergunningen waar ook niet tegen wordt opgetreden. Het enkele feit dat een verzoek tot handhaving is ingediend kan een verschil in handelswijze niet rechtvaardigen.

3.

Eiser is het oneens met dit besluit omdat – kort samengevat - de meerpaal zonder omgevingsvergunning is geplaatst en in zijn uitzicht staat. Het maakt dat het openbare water verrommelt. Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder sinds 2011 op de hoogte is van de overtreding maar handhavend optreden alsmaar uitstelt, hetzij met een beroep op het Handhavingbeleidsplan dan wel onder verwijzing naar uitspraken over het gelijkheidsbeginsel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).

4.

Niet is in geschil dat het aanbrengen van een meerpaal in het openbare water zonder een omgevingsvergunning niet is toegestaan. Er is sprake van een overtreding van een wettelijk voorschrift, zodat verweerder bevoegd is tot handhaving over te gaan.

5.

Verweerder voert ten aanzien van de werkzaamheden van de afdeling Milieu- en Gebruikstoezicht een prioriteitsstelling, vastgelegd in het Handhavingbeleidsplan 2012-2015, vastgesteld door de gemeenteraad, en in het Handhavingprogramma van de sector Handhaving, vastgesteld door verweerder. In deze beleidsstukken wordt een onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden met een hoge, normale en lage prioriteit. Hierbij is bepaald dat tegen overtredingen met een lage prioriteit vanwege capaciteitsproblemen vooralsnog niet handhavend wordt opgetreden. De aanwezigheid van illegale steigers, boten en overige bebouwing rondom het water heeft op grond van het Handhavingprogramma een lage prioriteit.

6.

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat handhaving ten aanzien van vergelijkbare overtredingen thans slechts plaatsvindt op projectmatige basis, en ad hoc indien sprake is van een gevaarlijke situatie of van bijzondere omstandigheden waardoor direct dient te worden opgetreden. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat projectmatige aanpak van illegale steigers, boten en overige bebouwing rondom het water in elk geval binnen de termijn van het Handhavingbeleidsplan niet zal worden gerealiseerd.

7.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en met name de uitspraak van 5 oktober 2011 (LJN: BT6683) zal, gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. In gevallen waarin het bestuursorgaan in dat kader redelijk te achten beleid voert, dient het zich echter in beginsel aan dit beleid te houden. Dit laat onverlet dat het bestuursorgaan slechts onder bijzondere omstandigheden van het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom mag afzien. Dergelijke omstandigheden kunnen zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat, of als het opleggen van een dergelijke last zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat in die concrete situatie van het opleggen van die last behoort te worden afgezien.

8.

Voorop wordt gesteld dat het beleid van verweerder waarin sprake is van het stellen van prioriteiten bij handhaving in beginsel niet onredelijk wordt geacht. Op alle momenten handhavend optreden tegen alle mogelijke overtredingen van wettelijke voorschriften kan, gelet op de beschikbare capaciteit, van verweerder niet worden gevergd. In dit geval wordt echter binnen de looptijd van het Handhavingbeleidsplan 2012-2015 volledig afgezien van handhavend optreden tegen overtredingen als hier aan de orde. Een dergelijke consequentie van een beleid is niet redelijk. Gelet op de beginselplicht om te handhaven dient een burger, bijzondere omstandigheden daargelaten, uitzicht te hebben op handhaving binnen de looptijd van een beleidsplan. Verweerder heeft dan ook ten onrechte onder verwijzing naar het Handhavingbeleidsplan 2012-2015 het verzoek om handhaving afgewezen.

9.

Verweerder heeft verder een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Volgens verweerder is er in de directe omgeving sprake van veel steigers en aangemeerde boten waarvoor geen vergunning is verleend en waar niet tegen wordt opgetreden. Handhavend optreden tegen de meerpaal van [naam derde partij] zou leiden tot ongelijke behandeling.

10.

Zoals de Afdeling heeft overwogen (onder meer de uitspraken van 2 februari 2011, LJN: BP2786, en 11 juni 2008, LJN: BD3618) vergt het gelijkheidsbeginsel een consistent en doordacht bestuursbeleid. Het veronderstelt dat verweerder welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van zijn optreden in vergelijkbare gevallen. Het gelijkheidsbeginsel brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat een bestuursorgaan naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek kan besluiten af te zien van handhavend optreden, omdat in vergelijkbare gevallen ook niet tot handhaving wordt overgegaan. Gelet op de beginselplicht tot handhaving dient het bestuursorgaan de verzoeker dan tenminste een moment in het vooruitzicht te stellen waarop het verzoek om handhaving alsnog kan worden ingewilligd. Verweerder heeft het in het bestreden besluit gelaten bij de constatering dat ook in vergelijkbare gevallen niet handhavend wordt opgetreden zonder eiser zicht te geven op een moment waarop tegen de door eiser bestreden situatie gaat worden opgetreden. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan het bestreden besluit niet dragen.

11.

Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht.

12.

Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Ook ziet de rechtbank, uit procesrechtelijk oogpunt, af van het toepassen van een bestuurlijke lus om verweerder in de gelegenheid te stellen het geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Verweerder heeft terecht naar voren gebracht dat geen concreet zicht is op legalisatie, omdat [naam derde partij] geen aanvraag heeft ingediend voor een omgevingsvergunning voor de meerpaal. Desgevraagd heeft verweerder echter ter zitting aangegeven dat het plaatsen van een meerpaal niet strijdig is met de bestemming “Water” die ingevolge het bestemmingsplan op het water rust. Als [naam derde partij] een omgevingsvergunning aan zou vragen voor dit doel zouden er geen weigeringsgronden zijn. Indien een omgevingsvergunning is verleend, is er geen sprake meer van een bestuursrechtelijke overtreding en is er geen bevoegdheid meer met toepassing van het bestuursrecht op te treden tegen de meerpaal. Hoewel niet concreet, bestaat dus wel zicht op legalisatie. De rechtbank ziet hierin aanleiding [naam derde partij] de gelegenheid te geven alsnog een omgevingsvergunning voor de meerpaal aan te vragen en verweerder om een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen.

13.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, rechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2013.

De griffier is verhinderd te ondertekenen. rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.