Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:7820

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
03-09-2013
Zaaknummer
15/710250-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Politierechter; schriftelijk vonnis; promis; smaadschrift; bewezenverklaring; gevangenisstraf; toewijzing vordering benadeelde partij immateriële schade; schadevergoedingsmaatregel.

Op het internet beschuldigt de verdachte een agent van verkrachting. Dit ten onrechte waardoor de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift. Hiervoor wordt door de politierechter aan verdachte drie weken gevangenisstraf opgelegd. Omdat de smadelijke teksten niet van internet kunnen worden verwijderd, beslist de politierechter het vonnis schriftelijk te wijzen en te publiceren op rechtspraak.nl.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Politierechter

Parketnummer: 15/710250-13

Uitspraakdatum: dinsdag 3 september 2013

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C. Vos en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 10 maart 2013 tot en met 8 mei 2013 te Haarlem althans in Nederland opzettelijk, (telkens) door middel van verspreiding (op internet) van (een) geschrift(en) en/of afbeelding(en), (telkens) de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel artikelen en/of opmerkingen op internet geplaatst en/of verspreid, te weten:

- op http://[URL 1]: "vandaag precies 10 jaar geleden dat ik ben verkracht door politieagent [slachtoffer] uit Hoofddorp. Nu werkzaam in Haarlem als Hoofdagent", waarbij een foto van de betreffende [slachtoffer] is geplaatst en/of

- op http://[URL 2]: "Reactie op vandaag precies 10 jaar geleden dat ik ben verkracht door politieagent [slachtoffer]...", terwijl verdachte wist dat dit/deze telastgelegde feit(en) in strijd met de waarheid was/waren.

2. Voorvragen

De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en daarbij, kort weergegeven, het volgende betoogd. Verdachte [verdachte] is eigenaar van de sites http://[URL 1] en http://[URL 2]. Zij heeft de in de tenlastelegging weergegeven teksten op deze sites met daarbij een foto van aangever [slachtoffer] geplaatst. Deze heeft daarvan aangifte gedaan. Verdachte is eerder voor dit soort uitingen veroordeeld en dient dus te weten dat deze onwaar zijn en dat publicatie daarvan niet het algemeen belang dient. Naar mijn mening kan echter niet bewezen worden dat verdachte wist dat de door haar op internet verspreide teksten in strijd met de waarheid zijn. Daarom zal ik vrijspraak eisen voor dat onderdeel van de tenlastelegging zodat de kwalificatie laster komt te vervallen. Ik acht smaadschrift wel wettig en overtuigend bewezen.

3.2. Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit heeft de raadvrouw, kort weergegeven, betoogd dat de politie geen onderzoek heeft gedaan naar wie de beheerder is van de in de tenlastelegging genoemde sites. Ook is niet onderzocht wie de teksten op deze sites heeft gepubliceerd. Nu niet is vastgesteld dat de verdachte de beheerder was van deze internetadressen en of die teksten ook daadwerkelijk door haar op die sites zijn geplaatst, is er geen bewijs voor hetgeen de verdachte wordt verweten en dient zij te worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde.

Ook dat de verdachte het kennelijke doel zou hebben gehad om ruchtbaarheid te geven aan bepaalde gebeurtenissen zoals in de tenlastelegging benoemd, kan niet worden bewezen. Het blijkt niet uit het dossier en er is geen onderzoek gedaan naar de mate waarin de sites door derden konden worden benaderd. De foto’s die gepubliceerd zijn, zijn voorts dermate vaag dat ze moeilijk aan het geven van enige ruchtbaarheid hebben kunnen bijdragen. Aangever is daarop niet te herkennen, aldus de raadsvrouw. Zij bepleit om deze redenen vrijspraak.

Tenslotte heeft de raadvrouw betoogd dat in deze kwestie de vrijheid van meningsuiting van verdachte, zoals vastgelegd in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), moet prevaleren boven de onschuldpresumptie van de aangever. Deze casus is te vergelijken met de casus als opgenomen in de uitspraak van het Europese Hof onder nummer 42435/02. De verdachte heeft voorts te goeder trouw kunnen aannemen dat het algemeen belang publicatie eiste. De verdachte zet zich in voor de slachtoffers van politiegeweld. Dat is haar levenswerk, aldus de raadsvrouw. Vrijspraak dient dan ook te volgen.

De raadsvrouw is met de officier van justitie van mening dat “laster” niet bewezen kan worden geacht.

3.3. Partiële vrijspraak

De politierechter is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het bestanddeel “terwijl verdachte wist dat dit/deze telastegelegde feite(en) in strijd met de waarheid waren” niet bewezen kan worden en spreekt verdachte daarvan vrij.

3.4. Redengevende feiten en omstandigheden1

De politierechter komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Aangever [slachtoffer] (hierna aangever) is werkzaam bij de politie Kennemerland en vanuit die hoedanigheid bekend met de verdachte. Hij wordt er in maart 2013 op opmerkzaam gemaakt dat verdachte op http://[URL 2] en http://[URL 1] uitlatingen heeft gedaan als zou hij haar, verdachte, verkracht hebben. Zij heeft hierbij een foto van aangever geplaatst.2 Een kopie van de desbetreffende teksten en foto zijn in het dossier gevoegd.3 Aangever 4 is in 2003 bij de aanhouding van de verdachte betrokken geweest. Vanaf dat moment beweert verdachte dat aangever haar destijds in de cel vaginaal heeft betast. Aangever heeft in het verleden al vaker aangifte gedaan tegen de verdachte vanwege belediging, smaad en/of laster. Hij kwam er achter dat verdachte wederom over hem had geschreven omdat mensen op straat hem aanspraken en zijn familie hem opbelde.

Omdat verdachte een foto van aangever op internet had gezet, begonnen mensen hem te herkennen op straat.

Op 3 april 2013 heeft een hoofdagent van de Regiopolitie Kennemerland een onderzoek5 ingesteld naar de internetpagina’s zoals vernoemd in de tenlastelegging. Het gaat om de volgende internetpagina’s:

http://[URL 2]

http://[URL 1].

Hij zag dat de Hyvespagina werd gebruikt door een gebruiker die zich [verdachte] noemt.

Op deze pagina zag hij het volgende bericht: ”Reactie op vandaag precies 10 jaar geleden dat ik ben verkracht door politieagent [slachtoffer].” Op dit bericht waren drie reacties geplaatst, de eerste op 10 maart te 21.41 uur en de laatste op 12 maart te 02.43 uur.

Op de internetpagina http//[URL 1] stond onder de recente berichten te lezen: “Vandaag precies tien jaar geleden dat ik ben verkracht door politieagent[slachtoffer] uit Hoofddorp. Nu werkzaam in Haarlem als hoofdagent.” Er waren acht reacties geplaatst op dit bericht, alle door een persoon die zich [verdachte] noemt.

De eerste reactie was geplaatst op 10 maart 2013 te 09.41 uur pm en de laatste op 23 maart 2013 te 10.01 am.

3.5. Bewijsoverwegingen

Anders dan de raadsvrouw is de politierechter van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de onderhavige teksten en foto’s op de internetsites heeft geplaatst. De politierechter overweegt daartoe dat de teksten zijn geplaatst door een persoon die zich [verdachte] noemt. De verdachte heeft ter terechtzitting slechts willen verklaren dat zij de ten laste gelegde uitlatingen gelezen heeft maar heeft niet ontkend deze zelf geplaatst te hebben. Verdachte heeft evenmin aangegeven dat een andere persoon, en zo ja wie, onder haar naam deze teksten op haar internetpagina’s zou hebben gepubliceerd. De teksten zijn voorts telkens in de ik-vorm geschreven en hebben betrekking op een gebeurtenis die de verdachte naar eigen zeggen zelf is overkomen en die, zoals ook uit het dossier naar voren komt, een grote impact op haar leven zou hebben gehad.

De raadsvrouw heeft voorts bepleit dat het bestanddeel “met het kennelijke doel om ruchtbaarheid aan bepaalde gebeurtenissen te geven” niet bewezen kan worden. De politierechter verwerpt dit verweer en overweegt in dat kader dat “onder ruchtbaarheid geven” wordt verstaan het ter kennis van het publiek brengen. Met publiek is een brede kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld. Ook indien een beschuldiging op een afgeschermde Hyvespagina is gepubliceerd maar die wel door twintig a vijfentwintig personen te lezen is geweest, is met het kennelijke doel van ruchtbaarheid gehandeld ( HR 22 januari 1965, NJ 1965/131). De beschuldigingen van de verdachte aan het adres van aangever zijn aan het licht gekomen omdat bekenden en familie van hem op het internet deze beschuldigende teksten hebben gelezen. Deze internetpagina’s waren voor hen kennelijk zonder meer benaderbaar. Ook de politie heeft in het kader van het opsporingsonderzoek zonder meer van de gewraakte teksten op de internetsites kennis kunnen nemen. Onder deze omstandigheden moet verdachte zich ook bewust zijn geweest van het feit dat derden van haar uitlatingen kennis konden nemen zo dit niet al haar bedoeling was.

Het verweer dat aangever op de foto niet duidelijk herkenbaar is, wordt eveneens verworpen. Aangever werd naar eigen zeggen op straat aangesproken omdat hij van de foto werd herkend.

De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat vrijspraak dient te volgen nu verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste.

Ook dit verweer wordt verworpen. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 16 februari 2012 in de strafzaak tegen verdachte reeds overwogen dat:

“De inhoud van de uitlatingen van de verdachte over [slachtoffer] is van dien aard dat de verdachte moet hebben geweten dat daarmee de eer en goede naam van [slachtoffer] werd aangetast – zo dat niet al haar vooropgezette bedoeling was – en dat met de in het interview en de tegenover de collega’s van [slachtoffer] en buurtbewoners van verdachte gedane uitlatingen geen als algemeen belang te beschouwen doel werd gediend. Wat er ook zij van de beweringen van verdachte dat de door haar gedane uitlatingen op waarheid berusten, het hof is van oordeel dat geen algemeen belang is gediend met de bewezen verklaarde uitlatingen van de verdachte over [slachtoffer] in de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan. Voor het indienen van klachten over overheidsoptreden en het aangifte doen van strafbare feiten bestaan andere mogelijkheden waarvan de verdachte inmiddels ook gebruik heeft gemaakt.”

Nu de door het Hof bewezen verklaarde uitlatingen van verdachte over aangever inhoudelijk dezelfde feitelijkheden betreffen als de thans door haar op internet geplaatste teksten - kort gezegd haar beweerdelijke verkrachting door aangever – moet verdachte geweten hebben dat het algemeen belang ook hier de tenlastelegging niet eiste. Met betrekking tot het door de raadsvrouw gevoerde verweer in het kader van het recht op vrijheid van meningsuiting overweegt de politierechter ten slotte als volgt:

Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. De uitoefening van dit recht zoals vastgelegd in artikel 10 EVRM kan onderworpen worden aan bepaalde beperkingen die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn. Hierbij valt onder meer te denken aan het voorkomen van strafbare feiten en de bescherming van de goede naam of rechten van anderen. Het in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht neergelegde beginsel van de bescherming van de aanspraak die iedereen heeft op zijn eer en goed naam moet – mede in aanmerking genomen wat hiervoor is overwogen omtrent het dienen van het algemeen belang - hier zwaarder wegen dan de beperking van de vrijheid van meningsuiting van de verdachte. Ook dit verweer wordt verworpen.

3.6. Bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in of omstreeks de periode van 10 maart 2013 tot en met 8 mei 2013 te Haarlem althans in Nederland opzettelijk, (telkens) door middel van verspreiding (op internet) van (een) geschrift(en) en/of afbeelding(en), (telkens) de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel artikelen en/of opmerkingen op internet geplaatst en/of verspreid, te weten:

- op http://[URL 1]: "vandaag precies 10 jaar geleden dat ik ben verkracht door politieagent [slachtoffer] uit Hoofddorp. Nu werkzaam in Haarlem als Hoofdagent", waarbij een foto van de betreffende [slachtoffer] is geplaatst en

- op http://[URL 2]: "Reactie op vandaag precies 10 jaar geleden dat ik ben verkracht door politieagent [slachtoffer]...".

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op: smaadschrift.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sancties

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarde dat alle publicaties waarin [slachtoffer] van verkrachting wordt beschuldigd van internet worden verwijderd. Nu het verwijderen van de ten laste gelegde teksten van de internetsites niet als bijzondere voorwaarde kan worden opgelegd, vraagt de officier van justitie de politierechter om schriftelijk vonnis te wijzen en vervolgens voor publicatie daarvan op rechtspraak.nl zorg te dragen.

De officier van justitie vordert voorts de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], groot € 350,00 inclusief wettelijke rente en vordert tevens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2. Standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft betoogd dat een gevangenisstraf geen redelijke straf is voor verdachte omdat de verdachte nu juist een trauma heeft opgelopen in de gevangenis.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de politierechter zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de politierechter het volgende in aanmerking genomen.

Aangever wordt door de verdachte al gedurende geruime tijd beschuldigd van verkrachting. Dit is een ernstige beschuldiging en uit de vordering van de benadeelde partij blijkt hoezeer dit ingrijpt in het persoonlijke leven van hem en zijn gezin. Hoewel voor het indienen van klachten over dergelijk vermeend overheidsoptreden andere mogelijkheden bestaan, waarvan verdachte ook gebruik heeft gemaakt, kiest de verdachte kennelijk voor eigenrichting, waardoor aangever en zijn familie ernstig beschadigd zijn geraakt en waardoor aangever bij zijn werkzaamheden ten behoeve van de Regiopolitie Kennemerland, wordt gehinderd.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de politierechter in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 28 mei 2013, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

Alles afwegende is de politierechter van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De politierechter zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 350,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het . ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De vergoeding van de gevorderde immateriële schade komt de politierechter billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De politierechter ziet als gevolg van verdachtes onder 3.6 bewezen verklaarde handelen- kort gezegd: smaadschrift- aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 261 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De politierechter:

Spreekt verdachte (partieel) vrij van het bestanddeel “terwijl verdachte wist dat dit/deze telastegelegde feit(en) in strijd met de waarheid was/waren”;

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 3.6 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot één week, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) voor de immateriële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, op rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 350,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zeven dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Daalmeijer, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. N.C.J. Reijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 september 2013.

1 De door de politierechter in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aangifte d.d. 24 maart 2013, dossierpagina’s 10 en11.

3 Bijlagen bij het proces-verbaal van aangifte d.d. 24 maart 2013, dossierpagina’s 12 en 13.

4 Het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 april 2013, dossierpagina’s 24 tot en met 26.

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 april 2013 door [verbalisant], hoofdagent van de Regiopolitie Kennemerland, dossierpagina’s 27 tot en met 37.