Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:7818

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
03-09-2013
Zaaknummer
591010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim.

De kantonrechter verwerpt het beroep van de luchtvaartmaatschappij op de lijst van 30 specifieke categorieën van incidenten die volgens de 27 toezichthouders een buitengewone omstandigheid opleveren. Deze zogenoemde Neb-lijst is een beleidsregel van een bestuursrechtelijke instantie, die de civiele rechter niet bindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2013/71
Prg. 2013/290 met annotatie van P.J.M. Ros
S&S 2014/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 591010 \ CV EXPL 13-1694

datum uitspraak: 3 september 2013 (bij vervroeging)

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen: [eiser]

gemachtigde E.S.A. Wiggers

tegen

de commanditaire vennootschap

TRANSAVIA AIRLINES C.V.

te Schiphol

gedaagde

hierna te noemen Transavia

gemachtigde mr. M. Reevers

De procedure

[eiser] heeft Transavia gedagvaard op 11 oktober 2013. Transavia heeft schriftelijk geantwoord. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 2 juli 2013 een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2013. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht. Partijen hebben stukken in het geding gebracht.

De feiten

  1. [eiser] heeft met Transavia een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Transavia [eiser] zou vervoeren van Nice naar Amsterdam op 13 april 2011 met vertrektijd 21.50 uur (lokale tijd) en aankomsttijd 23.50 uur (lokale tijd) en vluchtnummer HV 5586, hierna: de vlucht.

  2. De vlucht heeft een vertraging van omstreeks 4 uur opgelopen.

  3. [eiser] heeft bij brief van 12 mei 2011 compensatie van Transavia gevorderd in verband met voornoemde vertraging ten bedrage van in totaal € 250,00.

  4. Transavia heeft geweigerd dit bedrag te betalen.

De vordering

[eiser] vordert dat Transavia bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 april 2011;
- € 89,25 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2011;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

[eiser] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en het Sturgeon‑arrest van 19 november 2009. [eiser] stelt dat Transavia vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hem te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,00.

Het verweer

1.

Transavia betwist de vordering. Zij voert aan dat zij geen compensatie verschuldigd is, omdat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft Transavia aangevoerd dat het toestel dat de vlucht uitvoerde luchtwaardig was en was vrijgegeven voor vertrek. Nadat het toestel was vertrokken ging het rechter ‘wing body overheat’ waarschuwingslampje branden. Deze waarschuwing duidt op een lekkage in het bleed air systeem. Als sprake is van een dergelijke lekkage kan het vliegtuig niet in ‘icing conditions’ opereren. Omwille van de vliegveiligheid is het toestel teruggekeerd naar de gate voor een inspectie door lokale technici. Die inspectie heeft vertraging opgeleverd. Uiteindelijk is het toestel vertrokken onder DDP 26-13 en 21—01 condities. De vlieghoogte was daardoor beperkt tot 25000 voet, hetgeen tot een langere vliegtijd heeft geleid, waardoor de vertraging nog verder is opgelopen. Hierdoor is sprake van een vliegveiligheidsprobleem dat Transavia niet kon voorkomen.

2.

Ten aanzien van het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ heeft Transavia verwezen naar het voorstel van de Europese Commissie van 13 maart 2013 voor de wijziging van Verordening 261/2004 (hierna: het Voorstel). Transavia heeft aangevoerd dat het Voorstel een codificatie is van de jurisprudentie van het Europese Hof. Het Voorstel bevat een definitie van het begrip ‘buitengewone omstandigheden’. Bij het Voorstel is een annex gevoegd met omstandigheden die in ieder geval wel, en omstandigheden die in ieder geval niet buitengewoon zijn. Ten aanzien van technische mankementen zijn, aldus de annex, wel buitengewoon ‘technical problems which are not inherent in the normal operation of the aircraft, such as identification of a defect during the flight operation concerned and which prevents the normal continuation of the operation; or a hidden manufacturing defect revealed by the manufacturer or a competent authority and which impinges on flight safety’. Niet buitengewoon zijn technische mankementen die voortvloeien uit regulier onderhoud en controle (‘pre-flight check’). Omdat Transavia zich op het standpunt stelt dat het Voorstel een codificatie is van de rechtspraak van het Europese Hof, dient ook in de voorliggende zaak te worden beoordeeld of het technische probleem zich heeft voorgedaan na het aftekenen van de pre-flight check. Als dat het geval is, dan kwalificeert dit technische mankement zich als een buitengewone omstandigheid en dient te worden beoordeeld of Transavia alle redelijke maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van deze buitengewone omstandigheid, aldus Transavia. In het voorliggende geval was sprake van een technisch mankement dat zich heeft voorgedaan na het aftekenen van de pre-flight check. Transavia heeft alle redelijke maatregelen getroffen ter voorkoming van dat technische mankement. Het voorgaande leidt er volgens Transavia dan ook toe dat haar beroep op artikel 5 lid 3 van de Verordening slaagt.

3.

Transavia heeft zich tevens beroepen op de lijst van de 27 samenwerkende nationale toezichthouders binnen Europa (de zgn. ‘NEB-lijst’). Volgens Transavia heeft de Europese Commissie de nationale toezichthouders opdracht gegeven deze lijst op te stellen ter bevordering van de harmonisatie van de handhavingspraktijk binnen Europa. Ook de Nederlandse toezichthouder, de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) oordeelt thans conform de NEB-lijst, zo blijkt onder meer uit een beslissing op bezwaar van de ILT van 6 augustus 2013 (B-1-13-0037.001). De beginselen van rechtszekerheid en gelijke behandeling brengen met zich dat deze lijst ook door de nationale rechter ter harte moet worden genomen, aldus Transavia. Op de NEB-lijst staan 30 gespecificeerde categorieën van incidenten opgenoemd die volgens de toezichthouders een buitengewone omstandigheid opleveren. Het voorliggende incident valt volgens Transavia onder categorie 22 en 25 van de lijst, zodat in de voorliggende zaak sprake is van een bijzondere omstandigheid en de vordering moet worden afgewezen.

4.

Subsidiair heeft Transavia een beroep gedaan op matiging van de compensatiebedragen. Gelet op de huidige ticketprijzen van Transavia - vrijwel altijd veel lager dan de compensatiebedragen - bestaat er een wanverhouding tussen de ticketprijzen en de compensatiebedragen. De compensatie moet aldus worden gematigd op grond van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Toewijzing van de vorderingen van de passagiers betekent in veel gevallen dat de passagiers voor niets reizen of dat ze geld toe krijgen.

De beoordeling

1.Uit de beantwoording van de prejudiciële vragen (het arrest van het Hof van 23 oktober 2012 in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson – Lufthansa) en C-629/10 (TUI c.s. – Civil Aviation Authority) volgt –kort samengevat– dat het Sturgeon-arrest als geldend recht dient te worden beschouwd, zodat de passagiers ook bij vertraging van een zekere duur recht op compensatie kunnen hebben, tenzij sprake is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in paragraaf 14 van de Verordening.

2.

Transavia heeft voor wat betreft de uitleg van het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ in het geval van een technisch mankement –waarvan in het voorliggende geval sprake is- een beroep gedaan op het Voorstel en de NEB-lijst.

3.

De kantonrechter zal het Voorstel niet bij de beoordeling betrekken, omdat het nog slechts een voorstel is en het geenszins zeker is dat de voorgestelde tekst ook de definitieve tekst zal zijn.

4.

Het beroep van Transavia op de NEB-lijst baat haar evenmin. De NEB-lijst is een beleidsregel van een bestuursrechtelijke instantie, die de civiele rechter niet bindt. Op deze beleidsregel gebaseerde besluiten van het ILT hebben geen formele rechtskracht. De civiele rechter heeft aldus zelfstandig te oordelen op basis van de Verordening en de jurisprudentie van het Europese Hof, waarbij in de voorliggende zaak het Wallentin Hermann arrest leidend is. De kantonrechter ziet thans geen aanleiding de interpretatie van dit arrest, zoals onder meer is neergelegd in het vonnis van 7 februari 2013 (LJN BZ0963), te herzien.

5.

Het Hof heeft in het Wallentin Hermann arrest – op de inhoud waarvan het Hof in het Sturgeon en Nelson arrest niet is teruggekomen- bepaald dat problemen die worden vastgesteld tijdens het onderhoud van luchtvaartuigen of die het gevolg zijn van onvolkomenheden bij een dergelijk onderhoud, inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van een luchtvaartmaatschappij en (aldus) geen uitzonderlijke omstandigheden vormen als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.

6.

Het Hof heeft in het Wallentin Hermann arrest niet uiteengezet welke technische problemen ‘niet inherent’ zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij en op welke technische problemen de luchtvaartmaatschappij geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet (a contrario) uit r.o. 25 worden afgeleid dat problemen die niet tijdens het onderhoud worden vastgesteld of die niet het gevolg zijn van onvolkomenheden bij een dergelijk onderhoud wel buitengewone omstandigheden vormen. Het Hof heeft in r.o. 26 slechts aangegeven dat ‘evenwel niet kan worden uitgesloten dat technische problemen uitzonderlijke omstandigheden vormen’ en het Hof heeft voorbeelden gegeven van wanneer dit het geval zou kunnen zijn, namelijk wanneer sprake is van verborgen fabricagefouten of luchtvaartuigen die werden beschadigd door sabotage of terrorisme.

7.

Gelet op (a) de tekst van r.o. 26 van het Wallentin Hermann arrest -‘kan niet worden uitgesloten’-, (b) de aard van de door het Hof gegeven voorbeelden – het Hof noemt slechts van buitenkomende oorzaken – in samenhang met (c) de doelstelling van de Verordening, te weten een hoog niveau van consumentenbescherming, oordeelt de kantonrechter dat in zijn algemeenheid een technisch mankement of een indicatie daarvan, dat zich voordoet nadat het toestel is vrijgegeven –released to service– in beginsel moet worden beschouwd als inherent aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij en aldus geen buitengewone omstandigheid oplevert. De kantonrechter komt mitsdien niet toe aan de beoordeling van de vraag of Transavia deze omstandigheid had kunnen voorkomen.



8.  Het beroep van Transavia op matiging van de forfaitaire compensatie faalt.

De Verordening heeft als doel een hoog niveau van bescherming voor luchtreizigers te bieden. In artikel 7 is ter wille van de rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van het recht daartoe een forfaitaire compensatie opgenomen voor het door passagiers geleden tijdsverlies, zonder dat de passagiers hoeven te bewijzen dat zij geïndividualiseerde schade hebben geleden. In artikel 7 lid 2 van de Verordening is de mogelijkheid voor de luchtvaartmaatschappij opgenomen om die compensatie met 50% te verlagen in de in dat artikellid genoemde gevallen. Gesteld noch gebleken is dat in de onderhavige procedure van een dergelijk geval sprake is. Buiten de in artikel 7 lid 2 genoemde gevallen biedt de Verordening geen ruimte de compensatie te verlagen.

9.

De Verordening maakt deel uit van het Unierecht. Krachtens artikel 4 lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie moet de nationale rechter de doeltreffendheid en loyale samenwerking tussen de lidstaten van de Unie verzekeren. Dit brengt met zich dat, aangezien de Verordening buiten de in artikel 7 lid 2 genoemde gevallen geen ruimte biedt de compensatie te verlagen, de nationale rechter in dit geval niet bevoegd is die ruimte te creëren met toepassing van het nationale recht.

10.

Gelet op het voorgaande zal de vordering tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar vanaf 13 april 2011.

11.

[eiser] heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Transavia heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. Niet gesteld of gebleken is dat de door [eiser] verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.

12.

Transavia zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Transavia tot betaling aan de [eiser] van € 250,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 250,00 vanaf 13 april 2011tot aan de dag van voldoening van (de deelbetalingen van) dit bedrag;

- veroordeelt Transavia tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de [eiser] tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 92,17

griffierecht € 112,00

salaris gemachtigde € 60,00

vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.