Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:7805

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
C/14/143432 / HA RK 13-9
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deelgeschil; BIK; hoogte advocatentarief

Slachtoffer A heeft korte tijd mr. Z ingschakeld in het onderhandelingstraject. In dit geschil staat vast dat de bemoeienissen van de advocaat mr. Z inmiddels zijn gestaakt. De onderhandelingen tussen slachtoffer en Noordhollandsche voor eerstgenoemde thans weer worden gevoerd door Jurilex. Tussen partijen bestaat dus weliswaar een geschil over de redelijkheid van het uurtarief van mr. Z , maar niet aannemelijk is dat dit geschil de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst in de weg staat. Het verzoek wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019aa
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/14/143432 / HA RK 13-9

Beschikking van 4 september 2013

in de zaak van

A,

wonende te Zaandam,

verzoeker,

advocaat mr. A.P. Hovinga te Rotterdam,

tegen

1. naamloze vennootschap

N.V. NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816,

gevestigd te Oudkarspel,

2. B,

wonende te Heerhugowaard,

verweerders,

advocaat mr. H. van Katwijk te Ermelo.

Verzoeker en verweerder sub 1. zullen hierna ook respectievelijk A en Noordhollandsche worden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de mondelinge behandeling van 20 juni 2013.

2 De feiten

2.1.

Op 4 oktober 2009 is A het slachtoffer geworden van een verkeersongeval, waarbij hij als inzittende van een personenauto letsel opliep. Daarbij werd de auto waarin A werd vervoerd door een verzekerde van Noordhollandsche, gedaagde sub 2, van achteren aangereden. Eerst per 20 maart 2012 heeft Noordhollandsche jegens A de afwikkeling van de schade op zich genomen op grond van de zogenaamde Bedrijfsregeling schuldloze derde. Tot de inschakeling van mr. Hovinga heeft A bij de afhandeling van zijn schade gebruik gemaakt van de diensten van de heer M. Weehuizen van het bureau Jurilex Letselschade B.V..

2.2.

Toen betaling van enige schadevergoeding door Noordhollandsche aan A uitbleef heeft deze zich tot mr. Hovinga gewend. Deze heeft zich bij brief van 3 oktober 2012 bij Noordhollandsche gemeld. Mr. Hovinga heeft namens A met Noordhollandsche onderhandeld over de afwikkeling van de schade, echter zonder resultaat. Bij dagvaarding van 23 oktober 2012 heeft mr. Hovinga vervolgens Noordhollandsche in kort geding gedagvaard in verband met het uitblijven van betaling, behoudens een aankondiging van een voorschotbetaling van EUR 10.000,-. A vorderde in kort geding een voorschot van EUR 20.000,-.

2.3.

Noordhollandsche heeft bij e-mail van 9 november 2012 aan A laten weten dat er een aanvullende betaling van EUR 17.500,- zou volgen. Hierop heeft A de dagvaarding ingetrokken. A heeft vervolgens, in overleg met mr. Hovinga, de afwikkeling van de schade weer in handen gesteld van Weehuizen.

2.4.

Mr. Hovinga heeft een factuur van EUR 8.679,59 voor zijn werkzaamheden in de periode van 28 september 2012 tot en met 12 november 2012 bij A in rekening gebracht, en Noordhollandsche verzocht om tot betaling hiervan over te gaan. De factuur is opgebouwd uit 26,33 uur maal een uurtarief van EUR 260,-, verhoogd met 5% kantoorkosten en 21% omzetbelasting.

2.5.

Noordhollandsche heeft geweigerd tot betaling hiervan over te gaan. Zij vindt het door mr. Hovinga gehanteerde uurtarief niet redelijk.

3 Het geschil

3.1.

A verzoekt de rechtbank een beslissing te nemen over de vraag of het door mr. Hovinga gehanteerde uurtarief redelijk is, onder begroting van de redelijke kosten van het deelgeschil en Noordhollandsche tot betaling hiervan te veroordelen.

3.2.

Noordhollandsche voert verweer dat strekt tot niet ontvankelijkverklaring van A in het verzoek, althans afwijzing daarvan.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

A heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren. Doel van de procedure is het verkrijgen van een (snelle) rechterlijke beslissing over onderwerpen die partijen verdeeld houden en aldus in de weg staan aan de totstandkoming van een minnelijke regeling. Hieruit vloeit voort dat de rechter dient te beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en, indien dat niet het geval is, het verzoek tot beslechting van een deelgeschil afwijst (artikel 1019z Rv).

4.2.

Hetgeen A en Noordhollandsche in de onderhavige procedure verdeeld houdt betreft de betaling van de kosten van mr. Hovinga. Nu gedaagde sub 2 bij dit geschil geen partij is, moet het verzoek jegens hem reeds daarom worden afgewezen.

4.3.

De vervolgens te beantwoorden vraag is of het verweer van Noordhollandsche slaagt dat geen sprake is van een deelgeschil in de zin van artikel 1019w Rv, nu toewijzing van het verzoek niet kan bijdragen tot de totstandkoming van een regeling.

4.4.

De rechtbank volgt Noordhollandsche in dit verweer en overweegt daartoe als volgt. In de wetsgeschiedenis ervan is op verschillende plaatsen het toepassingsbereik van de deelgeschilprocedure toegelicht. Niet alleen materiële (inhoudelijke) vragen maar ook procedurele vragen kunnen als deelgeschil aan de rechter worden voorgelegd. Hierbij kan ook worden gedacht aan de hoogte van het advocatentarief en de vraag of de verzekeraar mag weigeren om de advocaatkosten van de benadeelde partij tussentijds te betalen.

4.5.

In dit geschil staat echter vast dat de bemoeienissen van mr. Hovinga bij het onderhandelingstraject na de intrekking van het kort geding weer zijn gestaakt. Door hem is uitdrukkelijk gesteld dat de onderhandelingen tussen A en Noordhollandsche voor eerstgenoemde thans weer worden gevoerd door Weehuizen van Jurilex. Tussen partijen bestaat dus weliswaar een geschil over de redelijkheid van het uurtarief van mr. Hovinga, maar niet aannemelijk is dat dit geschil de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst in de weg staat. Er is dus geen sprake van een deelgeschil in voornoemde zin. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

5 De kosten

5.1.

A verzoekt de rechtbank om de kosten van het deelgeschil als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv te begroten, met veroordeling van Noordhollandsche tot betaling van deze kosten. Ondanks de afwijzing van het verzoek dient in beginsel op de voet van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten van de behandeling van het verzoek. Daarbij dient de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden. Het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 12).

5.2.

De verzoeken van A zullen worden afgewezen omdat geen sprake is van een deelgeschil. Deze beslissing lag naar het oordeel van de rechtbank zo voor de hand dat het indienen van het verzoek onterecht en onnodig dient te worden geoordeeld. Nu de kosten van de behandeling van het verzoek daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen, kan begroting van deze kosten achterwege blijven. Gelet op het voorgaande is voor een veroordeling van Noordhollandsche in de kosten van het deelgeschil geen plaats.

6 De beslissing

De rechtbank wijst al het verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2013.