Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:7442

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
27-08-2013
Zaaknummer
C/14/136925 / HA ZA 12-161
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Bomen en struiken op kleinere afstand van de erfgrens dan bedoeld in artikel 5:42 BW hoeven niet te worden verplaatst of verwijderd, nu de redelijkheid en billijkheid daaraan in de weg staan. Een heg als erfafscheiding tot een hoogte van 2 meter wordt in het algemeen toelaatbaar en aanvaardbaar geacht. In dit geval is de heg als erfafscheiding tot bestaande hoogte aanvaardbaar. Wel dient gedaagde de heg op de bestaande maatvoering gesnoeid te houden. Beroep van eiser op verwijdering van 12 tot 18 cm klinkerpad dat over de erfgrens is heengelegd is geen misbruik van recht, vordering is toegewezen. De rechtsvordering van eiser tot beëindiging van het bezit door gedaagde van een hoekje grond is verjaard, zodat gedaagde door bevrijdende verjaring eigenaar daarvan is geworden. Geen verplichting voor gedaagde om mee te werken aan een kadastrale veldmeting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/14/136925 / HA ZA 12-161

Vonnis van 26 juni 2013

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiseres 1] ,

gevestigd te [plaats], [gemeente],

2. [eiser],

wonende te [plaats], [gemeente],

3. [eiseres 2],

wonende te [plaats], [gemeente],

eisers,

advocaat mr. K. Dirlik te Alkmaar,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [plaats], [gemeente],

2. [gedaagde 2],

wonende te [plaats], [gemeente],

gedaagden,

advocaat mr. S. de Kruijff te Hoorn.

Eisers zullen hierna afzonderlijk de vof, [eiser] en [eiseres 2], en gezamenlijk [eisers] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 1], en gezamenlijk [gedaagden] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 juni 2012

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 oktober 2012

  • -

    de akte uitlating, tevens akte vermeerdering van eis van [eisers]

  • -

    de antwoordakte van [gedaagden].

1.2.

Bij brief van 26 februari 2013 heeft [eisers] verzocht om bij akte op de antwoordakte van [gedaagden] te mogen reageren. De rolrechter heeft dit verzoek afgewezen en daarbij overwogen dat voor zover sprake is van nieuwe stellingen die voor de beslissing relevant zijn, de zaaksrechter daarmee rekening zal houden.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn buren van elkaar en wonen beide aan de [straatnaam] in [plaats]. [eisers] is gevestigd op nummer [huisnummer 1], kadastraal bekend als [kadastrale gegevens], nummer 450 (hierna ook: perceel 450). [gedaagden] woont op nummer [huisnummer 2], kadastraal bekend als [kadastrale gegevens], nummer 449 (hierna ook: perceel 449). De [straatnaam] in [plaats] is aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht.

2.2.

De percelen 449 en 450 zijn in 1996 ontstaan uit het perceel, kadastraal bekend als [kadastrale gegevens], nummer 292 (hierna ook: perceel 292). Perceel 292 is in 1996 gesplitst verkocht en geleverd door [A] aan [eiser] enerzijds en [B] anderzijds.

2.3.

In de leveringsakte van 22 mei 1996, waarbij als verkoper [A] en als koper [B] is vermeld, is onder meer het volgende bepaald:

"Verkoper heeft blijkens een met koper aangegane overeenkomst van koop en verkoop, gedateerd vier maart negentienhonderd zes en negentig aan koper verkocht en levert op grond daarvan aan koper, die blijkens voormelde overeenkomst van verkoper heeft gekocht en bij deze aanvaardt:

- de vrijstaande stolpboerderij met stolpschuur, ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden, staande en gelegen aan de [straatnaam] [huisnummer 2] te [plaats], uitmakende een ter plaatse behoorlijk aangeduid gedeelte ter grootte van ongeveer twaalf are en vijfig centiare van het kadastrale perceel [kadastrale gegevens] nummer 292, welk gedeelte op de aan bovenaangehaalde overeenkomst van koop en verkoop gehechte en door partijen voor gezien getekende situatietekening in gele kleur aangegeven,"

2.4.

In de leveringsakte van 9 augustus 1996, waarbij als verkoper [A] en als koper [eiser] is vermeld, is onder meer het volgende bepaald:

"Verkoper heeft blijkens een met koper aangegane overeenkomst van koop en verkoop, gedateerd negen maart negentienhonderd zes en negentig, aan koper verkocht en (…) levert (…) aan koper, die blijkens voormelde overeenkomst van verkoper heeft gekocht en bij deze aanvaardt:

- de schuur met ondergrond, bijbehorende grond en verdere aanhorigheden, staande en gelegen achter het huisperceel aan de [straatnaam] [huisnummer 2] te [plaats] en uitkomende aan de [straatnaam], zijnde het gehele kadastrale perceel [kadastrale gegevens] nummer 292, totaal groot drie en veertig are, met uitzondering van juist dat ter plaatse behoorlijk aangeduid gedeelte hierin ter grootte van ongeveer twaalf are vijftig centiare, dat is geleverd aan de heer [B] (…)

het bij deze akte te leveren gedeelte is op de aan bovenaangehaalde overeenkomst van koop en verkoop gehechte en door partijen voor gezien getekende situatietekening in gele kleur aangegeven,"

2.5.

[B] heeft zijn eigendom verkocht aan [gedaagden]. In de leveringsakte van 28 januari 2005, waarbij als verkoper [B] en als koper [gedaagden] is vermeld, is onder meer het volgende bepaald:

"Verkoper heeft blijkens een met koper aangegane koopovereenkomst verkocht en levert op grond daarvan aan koper, die heeft gekocht en bij deze (…) aanvaardt, het navolgende registergoed:

de stolpboederij met stolpschuur, verdere aanhorigheden, ondergrond, erf en tuin, plaatselijk bekend [straatnaam] [huisnummer 2] te (…) [plaats], gemeente Noorder-Koggenland, kadastraal bekend [kadastrale gegevens], nummer 449, groot twaalf are dertig centiare"

2.6.

Naast de percelen 449 en 450 ligt een perceel, kadastraal bekend als [kadastrale gegevens], nummer 623 (hierna ook: perceel 623). Dit perceel is ontstaan nadat een sloot die liep tussen het perceel (toen nog genummerd) 292 van [A] enerzijds en het naastgelegen perceel anderzijds. Op een deel van dit perceel (gearceerd weergegeven op de kadastrale kaart die als productie 4 bij conclusie van antwoord is gevoegd) heeft [gedaagden] sinds 2006 een composthoop aangelegd. Dit deel van perceel 623 zal hierna ook worden aangeduid als 'het hoekje 623'.

2.7.

Bij de gedingstukken bevindt zich een akte van levering van 27 mei 2011, waarbij [C] als verkoper en [eiser] en [eiseres 2] gezamenlijk als koper zijn vermeld. In deze akte is onder meer het volgende bepaald:

"Verkoper heeft blijkens een met koper gesloten overeenkomst van koop en verkoop aan koper verkocht [en] levert op grond daarvan aan koper (…):

- een perceel grond gelegen aan de [straatnaam] te [plaats], uitmakende een ter plaatse kennelijk behoorlijk aangeduid gedeelte ter grootte van ongeveer negentig centiare (90 ca) van het perceel kadastraal bekend [kadastrale gegevens] nummer 623,

zoals dat gedeelte globaal en schetsmatig met arcering is aangegeven op de aan deze akte gehechte en door partijen voor akkoord getekende situatieschets (…)"

Bij de akte is een, door koper en verkoper voor akkoord ondertekende, kadastrale kaart gevoegd, waarop een gedeelte van perceel 623 - waaronder het hoekje 623 - is gearceerd.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert, na vermeerdering/wijziging van eis en met inachtneming van hetgeen hij ter comparitie ten aanzien van zijn vorderingen met betrekking tot perceel 623 heeft verklaard  samengevat -

  1. [gedaagden] op straffe van een dwangsom te veroordelen tot medewerking aan een kadastrale veldmeting;

  2. een verklaring voor recht dat het hoekje 623 eigendom is van [eisers] en [gedaagden] te verplichten om binnen vier weken na betekening van dit vonnis over te gaan tot verwijdering en verwijderd houden van de beplantingen, palen en de composthoop, op straffe van een dwangsom, althans [eisers] te machtigen om op kosten en voor rekening van [gedaagden] tot het nemen van maatregelen tot verwijdering over te gaan;

  3. een verklaring voor recht dat perceel 450 eigendom is van [eisers] en [gedaagden] te verplichten om binnen vier weken na betekening van dit vonnis over te gaan tot
    a. verwijdering en verwijderd houden van zes coniferen, danwel deze te verplaatsen tot een afstand van 2 meter of meer, althans een afstand van 0,50 meter of meer van de kadastrale erfgrens;
    b. verwijdering en verwijderd houden van het gedeelte van het pad, welke zich op dit perceel bevindt en te bepalen dat [gedaagden] het perceel van [eisers] na verwijdering van het pad weer zal herstellen in de oorspronkelijke toestand,
    een en ander op straffe van een dwangsom, althans [eisers] te machtigen om op kosten en voor rekening van [gedaagden] tot het nemen van maatregelen tot verwijdering, verplaatsing, dan wel inkorting over te gaan;

  4. [gedaagden] te verplichten om binnen vier weken na betekening van dit vonnis
    a. de ligusterhaag aan de kant van de openbare weg ([straatnaam]) geheel te verwijderen, dan wel deze te verplaatsen naar minimaal 0,50 meter van de kadastrale erfgrens, dan wel deze in te korten tot een maximale hoogte van 1 meter,
    b. de laurierhaag naast de schutting van [eisers] geheel te verwijderen, dan wel deze te verplaatsen naar minimaal 0,50 meter van de kadastrale erfgrens en deze minimaal twee keer per jaar te snoeien zodat er minimaal 0,50 meter tussen de haag en de schutting overblijft,
    c. de beukenhaag geheel te verwijderen, dan wel te verplaatsen naar minimaal 2 meter, althans minimaal 0,50 meter, van de kadastrale erfgrens,
    d. de drie bomen op het erf van [gedaagden] geheel te verwijderen, dan wel deze te verplaatsen naar minimaal 2 meter van de kadastrale erfgrens en deze regelmatig te snoeien ter voorkomen van doorgroei naar het erf van [eisers],
    een en ander op straffe van een dwangsom, althans [eisers] te machtigen om op kosten en voor rekening van [gedaagden] tot het nemen van maatregelen tot verwijdering, verplaatsing, inkorting dan wel professioneel regulier onderhoud over te gaan;

  5. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van de kadastrale veldmeting en in de kosten van de notaris;

  6. met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[gedaagden] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bomen, heggen en klinkerpad

4.1.

De bomen, de heggen en het klinkerpad, waarvan [eisers] verwijdering dan wel verplaatsing vordert, zijn blijkens de overgelegde foto's en de (op dit punt eenstemmige) verklaringen van partijen ter comparitie als volgt gesitueerd.

Vooraan langs het oprijpad van [eisers] en beginnend bij de grens met de openbare weg staat de ligusterhaag. Die gaat over in de laurierhaag. De schutting van [eisers] staat parallel aan de ligusterhaag en de laurierhaag, langs het oprijpad. In het verlengde van de laurierhaag ligt het door [gedaagden] aangelegde klinkerpad. In het verlengde van dit pad staan de zes coniferen. Met een kleine sprong terug richting het perceel van [gedaagden] staat aansluitend aan de coniferen de beukenhaag. De beukenhaag is ongeveer 50 meter lang en vormt (met een hoek daarin) de afgrenzing van de zij- en achterkant van de achtertuin van [gedaagden]. Naast en evenwijdig aan de beukenhaag staat op het perceel van [eisers] een laag haagje. In de tuin van [gedaagden] staan achter de laurierhaag drie sierbomen, te weten bol-acacia's.

De ligusterhaag en laurierhaag zijn 1,85 meter hoog, de bol-acacia's zijn 2,25 meter hoog, de coniferen zijn 2,35 meter hoog en de beukenhaag is 2,25 meter hoog.

De ligusterhaag, laurierhaag en beukenhaag staan op het perceel van [gedaagden]. De coniferen staan op de erfgrens. De stammen staan voor ¾ op het perceel van [eisers] en voor ¼ op het perceel van [gedaagden]. De bol-acacia's staan 0,70 meter vanaf de erfgrens.

Bomen en heggen

4.2.

[eisers] legt aan zijn vorderingen onder 4 (verwijdering dan wel verplaatsing van de ligusterhaag, laurierhaag, beukenhaag en sierbomen) ten grondslag dat de bomen en heggen staan binnen de in artikel 5:42 BW bepaalde afstand van de erfgrens en om die reden niet zijn toegestaan. [eisers] stelt hinder te ondervinden van de sierbomen, waarvan de takken over het oprijpad steken, waardoor de langsrijdende caravans krassen en (andere) beschadigingen oplopen, alsmede van de laurierhaag, nu deze tegen en door zijn schutting groeit, waardoor de schutting beschadigd raakt en niet meer aan beide kanten kan worden geschilderd. De ligusterhaag bij de weg veroorzaakt voor bestuurders van caravans een gevaarlijke situatie, doordat deze heg het zicht op de weg ernstig belemmert. Voorts kan [eisers] het door hem aangeplante haagje niet kan onderhouden, met name niet aan de achterzijde, doordat de beukenhaag is doorgeschoten.

Aan zijn vorderingen onder 3 legt [eisers], voor zover het betreft de zes coniferen, ten grondslag dat deze, voor zover ze op zijn perceel staan, inbreuk maken op zijn eigendomsrecht. Voor het overige staan ze op het perceel van [gedaagden] binnen de verboden zone ex artikel 5:42 BW.

Meer in het algemeen stelt [eisers] dat de heggen en bomen door [gedaagden] niet (voldoende) worden onderhouden, waardoor deze het erf van [eisers] overwoekeren.

4.3.

[gedaagden] heeft daartegenover aangevoerd dat alle genoemde bomen en heggen er al geruime tijd stonden toen hij zijn woning kocht en dat ze zijn geplant door de vorige eigenaar. [gedaagden] betwist dat de bomen en heggen (met uitzondering van de coniferen) over de erfgrens heen groeien en voert aan dat hij alle bomen en heggen steeds goed onderhoudt. [gedaagden] betwist voorts dat [eisers] hinder ondervindt van deze bomen en heggen. Voor zover de bomen en heggen in de verboden zone staan, geldt dat de vordering tot verwijdering daarvan in redelijkheid niet kan worden gevorderd wegens het bepaalde in artikel 3:13 jo 3:12 BW in combinatie met artikel 5:49 jo 5:42 BW. Voorts maakt [eisers] misbruik van zijn bevoegdheid en heeft hij geen te respecteren belang bij zijn vorderingen. Voorwaarde voor het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan voor het hebben van een caravanstelling was destijds dat door [eisers] een groenblijvende haag zou worden geplant om de caravans aan het zicht te onttrekken. Eerst nadat [gedaagden], toen aanplant uitbleef, bij de gemeente heeft aangedrongen op handhavend optreden ter zake, heeft [eisers] enige aanplant verricht. Daarmee lijkt de kiem te zijn gelegd voor het onderhavige geschil, waarin het kennelijk "pay back-time" is, aldus [gedaagden].

4.4.

De rechtbank stelt vast dat, nu gesteld noch gebleken is dat ingevolge een plaatselijke verordening of een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten, op grond van artikel 5:42 BW bomen ter plaatse niet zijn toegestaan binnen 2 meter en heesters en heggen niet binnen 0,50 meter vanaf de erfgrens. Partijen verschillen van mening over de vraag of alle bomen en heggen binnen de verboden zone staan. De thans voorhanden zijnde stukken en verklaringen geven daarover geen uitsluitsel.

4.5.

De rechtbank is echter met [gedaagden] van oordeel dat - ook in geval deze bomen en heggen op kortere afstand van de erfgrens staan dan is toegestaan - de redelijkheid en billijkheid de toewijzing van de vorderingen tot verwijdering of verplaatsing van die bomen en heggen in de weg staan, voor zover die bomen en heggen een op zichzelf ter plaatse toelaatbare heg vormen. Daarbij wordt overwogen dat artikel 5:49 BW in het algemeen een scheidsmuur op de erfgrens van 2 meter hoogte toestaat en dat de eigenaar zich ingevolge artikel 5:42 lid 3 BW niet kan verzetten tegen de aanwezigheid van bomen, heesters en heggen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven. Uit deze bepalingen in samenhang bezien leidt de rechtbank af dat in beginsel een heg als erfafscheiding tot een hoogte van 2 meter toelaatbaar wordt geacht. De rechtbank acht een heg als afscheiding tot een hoogte van 2 meter ook in het algemeen aanvaardbaar, afwegende de daaraan verbonden voordelen (zoals privacybescherming, voordelen van esthetische of ecologische aard en bescherming tegen de zon) en de daaraan verbonden nadelen (zoals mogelijke vermindering van uitzicht en licht en mogelijke overlast van takken of bladeren vanuit de heg).

4.6.

In de onderhavige situatie fungeren de ligusterhaag, laurierhaag, coniferen en beukenhaag als erfafscheiding, waarbij met name de privacy van [gedaagden] is gediend en de caravanstalling aan het zicht wordt onttrokken. Uit de overgelegde foto's en situatietekeningen blijkt dat het om ruime percelen gaat, dat de bedrijfsruimte van [eisers] op minimaal 5 meter staat vanaf de beukenhaag, en dat de door [eisers] aangeplante lage heg ter hoogte van de beukenhaag de feitelijke vrije ruimte op het perceel van [eisers] bepaalt. Het oprijpad is, uitgaande van de kadastrale kaarten in het dossier, op het breedste deel (vooraan bij de openbare weg) ongeveer 7 meter breed en op het smalste deel (achteraan, vlak voor de sprong richting het perceel van [gedaagden]) ongeveer 6 meter breed. Gelet op deze afstanden en de inrichting van de percelen acht de rechtbank in dit geval een heg als erfafscheiding tot de thans bestaande hoogten aanvaardbaar. Dat de ligusterhaag, mede vanwege de hoogte, een gevaarlijke verkeerssituatie teweeg brengt, heeft [eisers] tegenover de met foto's ondersteunde gemotiveerde betwisting door [gedaagden], niet nader onderbouwd. Dit geldt evenzeer voor de stellingen van [eisers] met betrekking tot het niet kunnen schilderen van de achterzijde van de schutting en het slecht kunnen onderhouden van het kleine haagje. Ook die stellingen heeft [eisers], nadat [gedaagden] gemotiveerd heeft gesteld dat de achterzijde van de schutting niet geschilderd is en niet geschilderd hoeft te worden en dat van belemmeringen voor onderhoud aan de lage haag geen sprake is, niet nader onderbouwd.

4.7.

Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen tot verwijdering en/of verplaatsing van de ligusterhaag, laurierhaag, coniferen en beukenhaag zullen worden afgewezen. Wel zal als het mindere worden toegewezen dat [gedaagden] wordt veroordeeld om zorg te (blijven) dragen voor het snoeien en gesnoeid houden daarvan, waarbij (ten minste) de maatvoeringen als weergegeven op de eerste, derde, vijfde en zevende foto van productie 2 bij conclusie van antwoord gehandhaafd dienen te worden. De rechtbank zal genoemde foto's aan dit vonnis hechten.

4.8.

Ten aanzien van de drie bol-acacia's zal de vordering tot verwijdering en/of verplaatsing eveneens worden afgewezen. Vast staat dat deze bomen binnen de in artikel 5:42 BW bepaalde afstand vanaf de erfgrens staan en dat [eisers] op grond daarvan in beginsel de bevoegdheid toekomt verwijdering daarvan te vorderen. Gelet op het feit dat de bomen sinds ongeveer 2002 in de tuin van [gedaagden] staan, de bomen zijn gesitueerd achter de liguster- en laurierhaag die niet verwijderd of verplaatst hoeven te worden en voorts [eisers] zijn perceel alleen bedrijfsmatig gebruikt en er niet tevens woonachtig is, kan [eisers] - in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang van [eisers] tot het tegengaan van (gestelde) hinder en het belang van [gedaagden] bij behoud van de bomen - echter in het onderhavige geval naar redelijkheid geen verwijdering daarvan vorderen (artikel 3:13 lid 2 BW). Wel zal de rechtbank als het mindere toewijzen, en naar haar oordeel wordt het belang van [eisers] daarmee afdoende beschermd, dat [gedaagden] wordt veroordeeld tot het snoeien en gesnoeid houden van de bol-acacia's op zodanige wijze dat geen takken over de liguster- en laurierhaag uitsteken.

4.9.

Voor het opleggen van een dwangsom of het verlenen van vervangende machtiging ziet de rechtbank geen grond.

Klinkerpad

4.10.

[eisers] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het klinkerpad over een breedte van 12 tot 18 centimeter op zijn perceel ligt onder meer aangevoerd dat hij zijn schutting langs het oprijpad niet op de erfgrens, maar geheel op zijn eigen perceel heeft geplaatst. [gedaagden] heeft het klinkerpad aldus aangelegd dat de rand daarvan precies in het verlengde van de schutting van [eisers] ligt. [gedaagden] heeft ter comparitie verklaard er bij de aanleg van het pad vanuit te zijn gegaan dat genoemde schutting op de erfgrens was geplaatst, en dat hij daarnaar geen verder onderzoek heeft verricht. Daarmee heeft [gedaagden] onvoldoende weersproken dat zijn klinkerpad voor een (gering) deel niet op zijn eigen perceel, maar op dat van [eisers] is aangelegd.

4.11.

[eisers] stelt als belang bij verwijdering van dat overstekende deel van het klinkerpad dat het oprijpad ter plaatse daardoor zodanig wordt versmald dat (elkaar passerende) caravans daarvan hinder ondervinden. [gedaagden] heeft het belang van [eisers] bij verwijdering van het overstekende deel van het klinkerpad bestreden en aangevoerd dat [eisers] door verwijdering te vorderen misbruik maakt van zijn eigendomsrecht.

4.12.

De rechtbank verwerpt dit beroep op misbruik van eigendomsrecht. [gedaagden] heeft zijn belang bij behoud van zijn (gehele) klinkerpad niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd, terwijl evenmin feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die maken dat (de relatief geringe) aanpassing van het klinkerpad in redelijkheid niet van [gedaagden] kan worden gevergd. De vordering van [eisers] op dit punt zal dan ook worden toegewezen.

4.13.

Tegen de gevorderde verklaring voor recht dat perceel 450 eigendom is van [eisers] is geen verweer gevoerd, zodat de vordering op dat punt - ten gunste van [eiser] die als koper in de onder 2.4 genoemde leveringsakte is genoemd - toewijsbaar is.

Perceel 623

4.14.

[eisers] legt aan zijn vordering onder 2 ten grondslag dat hij eigenaar is van het hoekje 623 en dat [gedaagden] zonder zijn toestemming dit hoekje in gebruik heeft genomen door er een composthoop aan te leggen. [eisers] stelt primair, onder verwijzing naar de onder 2.7 genoemde leveringsakte, de eigendom in 2011 te hebben verkregen door overdracht aan hem daarvan door [C]. Subsidiair stelt [eisers] de eigendom van het hoekje 623 te hebben verkregen in 1996 van [A]. [eisers] verwijst in dat verband naar de onder 2.4 genoemde leveringsakte.

[gedaagden] stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat [eisers] zijn (proces)recht met geen ander doel gebruikt dan om [gedaagden] 'terug te pakken'. Het hoekje 623 dient geen enkel belang van [eisers] en [eisers] kan er in het kader van zijn bedrijfsvoering feitelijk ook niets mee. Er is sprake van misbruik van recht door [eisers] in de zin van artikel 3:13 BW, aldus [gedaagden].

[gedaagden] betwist voorts dat [eisers] op enig moment door overdracht eigenaar is geworden van het hoekje 623 en stelt zich op het standpunt dat hij eigenaar is van dit hoekje. Primair voert hij daartoe aan dat dit hoekje in 1996 door [A] aan [B] is geleverd, die dit op zijn beurt in 2005 heeft geleverd aan [gedaagden]. Subsidiair stelt hij op 22 mei 2006 door verkrijgende verjaring eigenaar van het hoekje 623 te zijn geworden. Meer subsidiair stelt hij op 30 augustus 2011 door verkrijgende verjaring eigenaar te zijn geworden.

4.15.

Bij de in 2.7 genoemde leveringsakte heeft [C] het hoekje 623 aan [eiser] en [eiseres 2] geleverd. Daarover bestaat geen onduidelijkheid, gezien de omschrijving van het verkochte in de leveringsakte en de bij die akte gevoegde tekening.

Of [eisers] daarmee ook eigenaar is geworden van het hoekje 623 hangt - gelet op de door [gedaagden] gevoerde verweren - in de eerste plaats af van het antwoord op de vraag of [C] ten tijde van die levering in 2011 bevoegd was over het hoekje 623 te beschikken, zoals in de stellingen van [eisers] besloten ligt, of dat [C] dat niet (meer) was, omdat [gedaagden], zoals hij stelt, inmiddels door overdracht op 28 januari 2005 of door verkrijgende verjaring op 22 mei 2006 eigenaar was geworden.

4.16.

Bij de onder 2.5 genoemde akte van levering is blijkens de omschrijving van het verkochte door [B] in 2005 uitsluitend perceel 449 aan [gedaagden] overgedragen, welk perceel is ontstaan uit (uitsluitend) perceel 292. Daarmee staat vast dat [gedaagden] in 2005 niet door overdracht eigenaar is geworden van het hoekje 623.

4.17.

Ten aanzien van verkrijgende verjaring geldt op grond van artikel 3:99 lid 1 BW dat rechten op onroerende zaken door een bezitter te goeder trouw worden verkregen door een onafgebroken bezit van 10 jaren. Vastgesteld moet worden dat vanaf het moment dat [gedaagden] het bezit verkreeg van het hoekje 623 nog geen tien jaren zijn verstreken.

[gedaagden] voert aan dat [A] (in ieder geval vanaf 1991) ten aanzien van het hoekje 623 als bezitter te goeder trouw moet worden aangemerkt en dat (eerst) [B] op 22 mei 1996 en (vervolgens) [gedaagden] op 28 januari 2005 als rechtsopvolgers hem in dit bezit zijn opgevolgd. Naar de stelling van [gedaagden] is hij aldus op 22 mei 2006 middels verkrijgende verjaring eigenaar geworden van het hoekje 623.

4.18.

In artikel 3:102 lid 2 BW is bepaald dat in een geval als dit (alleen) degene die een ander te goeder trouw in het bezit opvolgt de (verkrijgende) verjaring voortzet, terwijl op grond van artikel 3:23 BW geldt dat een beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw niet wordt aanvaard, indien dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend.

4.19.

In de onder 2.3 en 2.4 genoemde leveringsakten wordt in de omschrijving van het verkochte uitsluitend (een deel van) perceel 292 genoemd. In beide akten wordt voorts verwezen naar de "aan bovenaangehaalde overeenkomst van koop en verkoop gehechte en door partijen voor gezien getekende situatietekening". Op deze tekening, bij de gedingstukken gevoegd als productie 3 vijfde pagina (met opschrift 'bijlage 4'), is uitsluitend een deel van (toenmalig) perceel 292 gearceerd en niet (tevens) een deel van het naastgelegen perceel ('de gedempte sloot'). Ook de als productie 3 eerste pagina overgelegde kadastertekening ziet uitsluitend op (de verdeling tussen [eiser] en [B] van) perceel 292. Uit deze akten blijkt dat aan [B] in 1996 niet (tevens) het hoekje 623 is overgedragen. [gedaagden] had dan ook bij raadpleging van de registers kunnen zien dat [B] geen eigenaar was van het hoekje 623. [gedaagden] heeft aldus het bezit niet te goeder trouw verkregen. Er is dan ook geen sprake van voortzetting van de verjaring in de zin van artikel 3:102 BW. Het beroep op verkrijgende verjaring wordt daarom afgewezen.

4.20.

Het vorenoverwogene brengt de rechtbank tot de tussenconclusie dat [C] ten tijde van de levering van de eigendom van het hoekje 623 aan [eiser] en [eiseres 2] beschikkingsbevoegd was en dat [eiser] en [eiseres 2] op 27 mei 2011 de eigendom van het hoekje 623 hebben verkregen. Vervolgens ligt de vraag voor of zij nadien de eigendom hebben verloren doordat [gedaagden] op enig moment na 27 mei 2011 door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van het hoekje 623.

4.21.

Ingevolge artikel 3:105 BW verkrijgt degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit wordt voltooid dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Voor de voltooiing van de verjaring is nodig dat de toestand dat een ander dan de rechthebbende bezitter is, gedurende de gehele verjaringstermijn heeft voortgeduurd. Daarbij is niet van belang of opvolging in het bezit heeft plaatsgevonden, en dus evenmin of opvolgende bezitters te goeder trouw waren in de zin van artikel 3:102 BW. De verjaringstermijn bedraagt 20 jaar (artikel 3:306 BW) en vangt aan met ingang van de dag volgend op die waarop de onmiddellijke opheffing van de onrechtmatige toestand gevorderd kan worden (artikel 3:314 BW).

4.22.

[eisers] heeft na de comparitie - onder overlegging van diverse notariële akten - gesteld dat de eigendom van (onder meer) het hoekje 623 vanaf 20 januari 1972 in handen was van J. van Splunter en [A], en bij akte van13 april 1978 is toebedeeld aan [A]. Bij een ruilverkaveling per 29 augustus 1991 heeft [A] (onder meer) het hoekje 623 ingebracht en is (onder meer) het hoekje 623 toebedeeld aan [D]. Na het overlijden van D. Kay heeft zijn echtgenote E.[D]-Koolhaas (onder meer) het hoekje 623 bij akte van 27 maart 2009 overgedragen aan [C], die het vervolgens bij de onder 2.7 genoemde akte heeft overgedragen aan [eiser] en [eiseres 2].

4.23.

[gedaagden] heeft tegen deze achtergrond aangevoerd dat [A] na de ruilverkaveling in 1991 bezitter was (geworden) van het hoekje 623, dat per 22 mei 1996 [B] bezitter was van het hoekje 623 en sinds 28 januari 2005 [gedaagden]. De verjaringstermijn is aangevangen op 29 augustus 1991 (zijnde de datum waarop de akte van toedeling is verleden) en eindigt op 30 augustus 2011. Nu de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit voordien niet is gestuit, terwijl vaststaat dat [gedaagden] het hoekje 623 op 30 augustus 2011 in bezit had, heeft [gedaagden] per die datum de eigendom verkregen van het hoekje 623, aldus [gedaagden].

4.24.

De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat [A] na de ruilverkaveling de helft van 'de gedempte sloot' is blijven houden voor zichzelf, zodat hij vanaf dat moment als bezitter van (onder meer) het hoekje 623 moet worden aangemerkt. De verjaringstermijn is daarmee aangevangen op de dag volgend op die waarop de onmiddellijke opheffing van die (onrechtmatige) toestand gevorderd kon worden, dat is 30 augustus 1991. De verjaringstermijn van 20 jaar eindigt - wanneer tussentijds geen stuiting plaatsvindt - dan op 30 augustus 2011. De rechtbank stelt vast dat gedurende deze termijn van 20 jaar steeds een ander dan de rechthebbende bezitter van het hoekje 623 is geweest. Vanaf 30 augustus 1991 was de bezitter [A], vanaf 1996 [B] of [eisers] (partijen verschillen hierover van mening) en sinds 28 januari 2005 [gedaagden], terwijl de rechthebbenden in die periode achtereenvolgens waren [D] (vanaf 29 augustus 1991), [C] (vanaf 2009) en [eiser] en [eiseres 2] (vanaf 27 mei 2011). Voorts is niet in geschil dat [gedaagden] op 30 augustus 2011 het hoekje 623 in bezit had.

4.25.

Ten aanzien van de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van bezit geldt dat deze verjaring kan worden gestuit door een daad van rechtsvervolging (artikel 3:316 BW) of door een schriftelijke aanmaning, binnen zes maanden gevolgd door een daad van rechtsvervolging (artikel 3:317 lid 2 BW). Gesteld noch gebleken is dat één van de rechtsvoorgangers van [eisers] de verjaring heeft gestuit. Nu de dagvaarding in deze zaak is uitgebracht op 30 maart 2012 en de verjaringstermijn méér dan zes maanden voordien is voltooid, moet worden vastgesteld dat de verjaringstermijn door [eisers] niet (tijdig) is gestuit.

4.26.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat [gedaagden] met ingang van 30 augustus 2011 eigenaar is (geworden) van het hoekje 623. De door [eisers] gevorderde verklaring voor recht en veroordeling tot verwijdering van de composthoop zullen daarom worden afgewezen.

Kosten notaris

4.27.

De vordering [gedaagden] te veroordelen in de kosten van de notaris wordt afgewezen, reeds omdat de inzet in deze zaak niet het vaststellen van een verplichting tot schadevergoeding is en artikel 6:96 BW geen zelfstandige grondslag voor schadevergoeding vormt. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond - mede gelet op de uitkomst van de procedure - deze kosten voor rekening van [gedaagden] te brengen.

Kadastrale veldmeting

4.28.

De door [eisers] gevorderde veroordeling van [gedaagden] om mee te werken aan een kadastrale veldmeting wordt bij gebreke van een deugdelijke grondslag verworpen. Niet is gesteld op grond waarvan [gedaagden] gehouden is aan een veldmeting mee te werken, noch dat [gedaagden] eerder verzochte medewerking heeft geweigerd. De enkele stelling dat "er volstrekte duidelijkheid moet komen over de kadastrale grenzen zodat toekomstige discussies en executiegeschillen zoveel mogelijk worden voorkomen" is onvoldoende. De (samenhangende) vordering tot veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de kadastrale veldmeting wordt reeds hierom eveneens afgewezen.

4.29.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

4.30.

De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [eiser] eigenaar is van perceel 450,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis het gedeelte van het klinkerpad dat zich op perceel 450 bevindt te verwijderen en verwijderd te houden en om perceel 450 in de oorspronkelijke toestand te herstellen,

5.3.

veroordeelt [gedaagden] tot het snoeien en gesnoeid houden van de ligusterhaag, laurierhaag, coniferen en beukenhaag, waarbij (ten minste) de maatvoeringen als weergegeven op de aan dit vonnis gehechte foto's gehandhaafd dienen te worden,

5.4.

veroordeelt [gedaagden] tot het snoeien en gesnoeid houden van de bol-acacia's op zodanige wijze dat geen takken over de liguster- en laurierhaag uitsteken,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2013.