Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:7323

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
20-08-2013
Zaaknummer
HAA 12/3897
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Accijns. Minerale olie. Vertrouwensbeginsel.

Eiseres heeft aan eerdere controlerapporten niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat verweerder de door haar gevolgde werkwijze bij het berekenen van de hoeveelheid uitgeslagen olie heeft goedgekeurd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2013-08-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-2110

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/3897

Uitspraakdatum: 12 april 2013

Uitspraak in het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigde: mr. J.A.G. Winkels,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Schiphol, verweerder.

12/3897

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 mei 2010 bij beschikking van 30 december 2011 een naheffingsaanslag accijns minerale olie opgelegd van € 36.500. Tevens is € 3.961 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 juli 2012 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Verweerder heeft bij brief van 13 maart 2013 een nader stuk overgelegd. Deze brief met stuk is in afschrift doorgezonden aan de wederpartij.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2013.

Namens eiseres zijn verschenen haar directeur,[X], en haar gemachtigde, tot bijstand vergezeld van gemachtigdes kantoorgenoot mr. I. van den Eijnde. Namens verweerder is verschenen mr. M.E. Padt.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiseres exploiteert een groothandel in petroleum, gasolie en benzine, gasoliën en vetten. Zij installeert opslagtanks en pompinstallaties ten behoeve van opslag voor gasolie, petroleum en benzine en tevens saneert zij opslagtanks. Voorts is eiseres in het bezit van een vergunning AGP.

2.2.

Naar aanleiding van een controle, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 15 december 2011 is aan eiseres een naheffingsaanslag opgelegd.

2.3.

In het dossier bevindt zich het controlerapport van 12 juni 2006 van een controle bij eiseres over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005. In dit rapport is onder andere het volgende vermeld:

“(…)

2.4

Administratieve systemen

De logistieke administratie wordt handmatig op voorraadkaarten bijgehouden. Dagelijks wordt via het Enraff systeem een uitdraai gemaakt van de tankhoeveelheden.

(…)

4 Goederenbeweging

4.1

Beginvoorraad

De beginvoorraad op 1-1-2004 bedraagt:

Tank Liters 15 Co

1. Gasolie (rood) 253.272

2 - Diesel 598.592

3 - Euro 237.548

4 - Super 18.971

4.2

Inslag

De hoeveelheid minerale oliën welke door een lichter wordt aangevoerd en gelost in een landtank komt niet altijd overeen met de hoeveelheden welke bij belading op de bijbehorende papieren zijn vermeld. In de regelgeving is een marge opgenomen van 0,4% voor lichte oliën en 0,3% voor andere oliën. Dit betekent dat indien men binnen deze marge blijft het verzamel AGD toch voor conform afgetekend kan worden en de daadwerkelijk geloste hoeveelheid in de administratie van de accijnsgoederenplaatshouder moet worden opgenomen. Indien echter de marge wordt overschreden dient men, naast een melding aan de douane, het verzamel AGD af te tekenen voor de bevonden verschillen.

In 2004 en 2005 zijn er verzamel AGD’s boven de toegestane speling echter voor conform afgetekend en teruggestuurd naar de afzender.

Dit leidt tot het feit dat voor de verschillen nu niet de leverancier verantwoordelijk is maar de ontvangende partij. Er zal een naheffingsaanslag worden opgelegd voor de bevonden verschillen.

De correctie is opgenomen in bijlage 1.

4.3

Opslag

4.3.1

Algemeen

Marees beschikt over de vijf volgende opslagtanks:

Tank 1 = rode gasolie;

Tank 2 = diesel (kan ook bij uitslag voorzien worden van herkenningsmiddelen);

Tank 3 = euro loodvrij;

Tank 4 = superplus benzine (vanaf februari 2004 euro loodvrij);

Tank 5 = petroleum.

Alleen de tanks 1 tot en 4 vallen onder de vergunning accijnsgoederenplaats.

In januari 2004 is tank 4, voorzien van superplus benzine, leeggemaakt. Vanaf februari 2004 wordt

superplus benzine niet meer onveraccijnsd opgeslagen omdat er te weinig vraag naar is.

4.3.2

Gegevens voor maandaangifte

Aan het eind van elke werkdag wordt een uitdraai van het Enraff systeem gemaakt om de gemiddelde

vloelstofhoogte aan te geven en de temperatuur van de vloeistof. Deze gegevens worden omgezet in liters actueel. De vastgestelde hoeveelheid aan het eind van de dag is de beginvoorraad voor de volgende dag. Het voorraadverloop per tank wordt bijgehouden op een voorraadkaart. De hoeveelheden zoals vermeld in de kolom Ltr.15G worden overgenomen in de maandaangifte.

De huidige moderne tractoren voorzien van geavanceerde motoren (common rail) gebruiken laagzwavelige gekleurde dieselolie. Dit is dure blanke diesel voorzien van herkenningsmiddelen. Op de voorraadkaart van tank 2 is middels een extra kolom aangegeven welke hoeveelheid bij uitslag van een herkenningsmiddel is voorzien. Dit wordt op de maandaangifte accijns als laagbelaste (rode) gasolie aangegeven.

4.3.3

Verschillen

De uitgeslagen hoeveelheden worden omgerekend van liters actueel naar liters 15 Co. De berekende

uitslag liters 15Co zorgt voor een berekende voorraad liters 15Co. Deze voorraad komt niet altijd overeen

met de meting door het Enraff systeem. De bevonden verschillen worden eveneens op de voorraadkaart aangegeven.

De bevonden negatieve verschillen moeten als uitslag worden aangemerkt Een verlies van

accijnsgoederen binnen een accijnsgoederenplaats leidt niet tot heffing van accijns voor zover de verliezen aangetoond kunnen worden. Het begrip aantonen verlangt dat er doorslaggevende argumenten worden aangevoerd.[X] is op 20 februari 2006 in de gelegenheid gesteld de bevonden verschillen te verklaren.

De heer[X] geeft in zijn brief gedateerd 14 maart 2006 aan dat de opslagverschillen kunnen

worden verklaard op grond van meetverschillen en verdampingsverliezen. Voor de lossing van lichters geeft hij terecht aan dat er een marge is bepaald. Voor de opslag wordt algemeen een percentage van 0,3% als aanvaardbaar geacht aldus zijn verklaring. Gelet op het groot aantal mutaties acht hij het derhalve niet reëel om de optredende verschillen per maand te beoordelen.

Op 27 maart 2006 is voor de tweede maal om nadere specificatie van de verschillen gevraagd om te

kunnen beoordelen of het geconstateerde verlies buiten de heffing van accijns kan blijven.

Op 28 april 2006 is de reactie van de heer[X] ontvangen. In de bijlage behorende tot de brief

gedateerd 27 april 2006 is een uiteenzetting gegeven met betrekking tot aanvoerverschillen en overige

verschillen.

Hierbij zijn tevens de foutieve boekingen van tank 4 gecorrigeerd. Bovendien wordt als oorzaak van de bevonden verschillen de lekkende afsluiter genoemd.

De berekening in de bijlage heb ik gecontroleerd en akkoord bevonden.

De overloopverschillen van tank 3 naar tank 4 worden vastgesteld op een hoeveelheid van 7.107 liter voor de maanden april 2005 tot en met december 2005.

conclusie

Indien binnen één aangifteperiode verschillen zijn ontdekt mogen zij worden gesaldeerd. Indien de

bevindingen buiten de aangifteperiode liggen is salderen niet toegestaan.

Er zal een naheffingsaanslag worden opgelegd voor de bevonden negatieve verschillen. De positieve

verschillen moeten alleen in de voorraadadministratie worden opgenomen.

De correctie is opgenomen in bijlage 2a en 2b. Hierbij is de verrekening van tank 3 naar tank 4 voor 7.107 liter meegenomen.

4.3.4

Soortelijk gewicht

Bij de bepaling van het soortelijk gewicht wordt altijd uitgegaan van een theoretisch soortelijk gewicht. Het daadwerkelijke soortelijk gewicht aan de hand van een monster van de tank wordt niet bepaald, ook niet door een controlemaatschappij.

In overleg met de klantcoördinator van de douane, de heer [B], is de afspraak gemaakt om vanaf
1 januari 2005 één keer per kwartaal het daadwerkelijk soortelijk gewicht van de landtanks 1 tot en met 4 te bepalen.

In het jaar 2005 zijn er twee keer monsters voor analyse opgestuurd. Dit is niet overeenkomstig de

gemaakte afspraak. De monsters zijn niet genomen uit de tanks maar uit een zojuist beladen tankauto.

De heer[X] is bang dat bij monstername uit de landtank het meetsysteem wordt ontregeld.

De resultaten van het gehanteerde berekende soortelijk gewicht versus het daadwerkelijk bepaalde

soortelijk gewicht zijn als volgt

[A BEDRIJF] in [vestigingsplaats].

Laboratory Report [A NUMMER] (2) d.d. 4 augustus 2005

soort tank Rapport [A BEDRIJF]

Gasolie rood 1 0,8521 0,8531

Diesel 2 0,8338 0,8344

Euro 3 0,7506 0,7491

Laboratory Report [B NUMMER] (1) ASTM 04052 d.d. 9 december 2005

soort tank Rapport [A BEDRIJF]

Gasolie rood 1 0,8380 0,8384

Diesel 2 0,8282 0,8240

Euro 3 0,7255 0,7241

4.4

Uitslag

De uitslag uit de accijnsgoederenplaats leidt tot verschuldigdheid van accijns. Er vindt geen vervoer onder schorsing plaats. Alle uitslagen zijn belast.

4.5

Eindvoorraad

De eindvoorraad op 31-12-2005 bedraagt:

Tank Liters 15 Co

1. Gasolie (rood) 310.231

2 - Diesel 271.983

3 - Euro loodvrij 206.928

4 - Euro loodvrij 21.412

(…)

9 Recapitulatie van het onderzoek

9.1

Correctie

Overzicht van de correcties per jaar:

2004 2005

Correctie punt 4.2

Accijns lichtolie ongelood € 314 €

Voorraadheffing € 2 €

Accijns gasolie laagbelast € 124 € 123

Voorraadheffing € 14 € 13

Energiebelasting € 415 € 428

Correctie punt 4.3.3.

Accijns licht olie ongelood € 40.262 € 26.957

Voorraadheffing € 341 € 208

Accijns gasolie laagbelast € 200 € 36

Voorraadheffing € 21 € 4

Energiebelasting € 663 € 125

Accijns gasolie hoogbelast € 4.300 € 4.283

voorraadheffing € 67 € 57

46.723 32.234

De verschuldigdheid is ontstaan op grond van artikel 2 Wet op de Accijns.

9.2

Naheffingsaanslag

Over de jaren 2004 tot en met 2005 zal voor de accijnzen en overige heffingen een naheffingsaanslag

worden opgelegd. Deze naheffingsaanslag is gebaseerd op artikel 20 lid 2 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

(…)”

2.4.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres een brief van de toenmalige gemachtigde van eiseres aan de Belastingdienst/Douane van 3 november 2006 overgelegd. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Het doel van het gesprek was, om gezamenlijk te zoeken naar een werkwijze waardoor[X] in de toekomst opslagverschillen zou kunnen voorkomen. Deze werkwijze kan zowel betrekking hebben op de wijze van administratieve vastleggingen, wijze en aantal van de te nemen monsters, het toepassen van omrekentabellen, voorraadopnamen etc. Uitgangspunt hierbij is dat de werkwijze voor de douane goed controleerbaar is en een volledig inzicht geeft in de verplichtingen die uit de Wet op de accijns voortvloeien. Tot onze spijt moeten wij constateren dat de douane, ondanks de door ons voorgestelde werkwijze, geen duidelijkheid wenste te geven, op de vraag of deze in overeenstemming is met de vergunningvoorwaarden. Deze opstelling heeft bij onze cliënte tot grote frustratie geleid, aangezien zij niet weet wat zij nu nog moet doen om problemen in de toekomst met de douane te voorkomen.

(…)”

2.5.

In het dossier bevindt zich een brief van 11 december 2006 van de Belastingdienst/Douane aan de toenmalige gemachtigde van eiseres naar aanleiding van de onder 2.4 genoemde brief. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Aanleiding voor het gesprek was een door de Douane in 2006 uitgevoerde administratieve controle

ingesteld over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 bij [X] B.V.

(hierna te noemen[X]).

Tijdens deze controle zijn verschillen geconstateerd die als uitslag worden aangemerkt en waarvoor

een naheffingsaanslag wordt opgelegd. Van deze administratieve controle is een controlerapport

opgemaakt. Het controlerapport is door de controlerende ambtenaar met de heer[X] besproken.

De heer[X] heeft als reactie op het controlerapport aangegeven dat hij bezwaar zou aantekenen.

De resultaten van de administratieve controle zijn door de controlerende ambtenaar met mij besproken. Op 27 juni hebben mevrouw[C] en ik naar aanleiding van het controlerapport een gesprek gehad met de heer[X]. Zowel mevrouw[C] als ik hebben tijdens dit gesprek geen argumenten gehoord die invloed hadden op het resultaat van de controle.

Vervolgens heeft u contact met mij opgenomen met het voorstel om samen met[X] te kijken hoe

dergelijke verschillen als geconstateerd bij de controle in de toekomst te voorkomen. U heeft tijdens het gesprek naar de mening van mevrouw[C] en mijzelf geen voorstel gedaan voor een nieuwe

werkwijze. De indruk die wij kregen was dat u ons enkel probeerde te overtuigen dat de Douane de bij

de controle geconstateerde verschillen maar als verlies moesten accepteren. U schrijft dat de Douane

tot uw spijt, ondanks de door u voorgestelde werkwijze geen duidelijkheid wenste te geven. Ik kon op

uw voorstel dat[X] administratief te veel vastlegde (het vloeken in de kerk zoals u het noemde) en

daardoor slachtoffer was, ook niet anders antwoorden dan dat[X] zich moet houden aan de

vergunningvoorwaarden. Ik heb tijdens het gesprek zelf wel een voorstel gedaan door op bepaalde

tijden te meten en dat vast te leggen in de hoop meer inzicht te krijgen in het ontstaan van de

verschillen.

(…)”

2.6.

Ter zitting heeft eiseres een tweetal e-mails overgelegd van de toenmalige gemachtigde van eiseres aan de huidige gemachtigde van eiseres van 21 maart 2013. In de e-mail van 12.03 uur staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Naar aanleiding van een boekenonderzoek bij[X]

B.V. ([X]) is een naheffingaanslag opgelegd ten aanzien van

transport- en opslagverschillen. Uit het controlerapport kon worden

afgeleid dat de door de douane uitgevoerde berekening van het

opslagverlies, wat heeft geleid tot het opleggen van de naheffingsaanslag,

niet juist was. Uit de voorraadadministratie van[X] was duidelijkheid

zichtbaar dat de verschillen waren te verklaren door de wijze waarop

Marees haar administratie voerden. Doorgaan op deze wijze van

administratieve vastlegging zou ook voor de toekomst betekenen dat

[X] wederom geconfronteerd zou kunnen worden met

naheffingsaanslagen.

(…)”

In de e-mail van 14.22 uur staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

In voornoemde brief wordt door de heer[B] gesuggereerd dat

[X] niet met een voorstel is gekomen voor een nieuwe werkwijze.

Tijdens het gesprek heeft[X] voorgesteld de huidige werkwijze te

continueren, omdat de douane niet duidelijk wilde of kon maken waarom

deze in haar ogen niet in overeenstemming zou zijn met de

vergunningsvoorwaarden. Er is dus wel degelijk een voorstel gedaan door

[X], namelijk doorgaan met de huidige werkwijze. De werkwijze die

[X] hanteerde is immers opgenomen in de AO/IC beschrijving die

onderdeel uitmaakt van de vergunning welke door de douane is

beoordeeld en goedgekeurd. Als deze in de ogen van de douane niet juist

zou zijn, dient zij dit onmiskenbaar aan[X] duidelijk te maken. Om

deze duidelijkheid is tijdens het gesprek expliciet gevraagd. De douane

heeft verzuimd om hieromtrent duidelijkheid te geven, (…)”

2.7.

Met ingang van 1 juni 2010 is eiseres gaan werken met een nieuw systeem waarbij de temperatuur bij uitslag wordt gemeten.

3 Geschil en standpunten van partijen

3.1.

In geschil is uitsluitend de vraag of verweerder de naheffingsaanslag achterwege had moeten laten wegens opgewekt vertrouwen.

3.2.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder bij eerdere controles de door eiseres gebezigde wijze van meting van de uitgeslagen minerale olie heeft goedgekeurd. In de controlerapporten van 2004 en 2006 wordt beschreven hoe eiseres de hoeveelheid van de olievoorraad bepaalt aan de hand van de vloeistofhoogte en vervolgens de actuele liters naar liters 15 graden Celsius omrekent. Omdat bij de eerdere twee controles geen kritiek is geleverd op de temperatuurmeting en de wijze van berekening van de uitgeslagen olie en ook niet tot naheffing is overgegaan is bij eiseres het vertrouwen ontstaan dat haar handelwijze de goedkeuring van verweerder heeft gehad.

Omdat verweerder willens en wetens een onmiskenbaar onjuiste beslissing, te weten de onderhavige naheffingsaanslag, overeind heeft gehouden en de bestaande jurisprudentie over het nationale vertrouwensbeginsel volledig links heeft laten liggen verzoekt eiseres om integrale vergoeding van de proceskosten.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de belastingaanslag.

3.3.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de onjuiste temperatuurmeting door eiseres de oorzaak is geweest voor een te lage voldoening van accijns. Eiseres heeft voor alle belaste uitslagen van één dag slechts één temperatuur per brandstof bepaald en deze toegepast om de vloeistofcorrectiefactor te bepalen. Hierdoor is een onjuiste vloeistofcorrectie bij uitslag bepaald waardoor een onjuist bedrag aan accijns is berekend. Eiseres heeft aan de rapporten van 2004 en 2006 niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat zij correct heeft gehandeld. Eiseres heeft uit het controlerapport van 12 juni 2006 niet de indruk kunnen krijgen dat haar handelwijze correct was. In de uitspraak op bezwaar van 31 maart 2010 (naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen de naheffing op grond van laatstgenoemd rapport) wordt geconstateerd dat de negatieve voorraadverschillen in overwegende mate zijn ontstaan door een verschil tussen een berekende voorraad liters bij 15 graden Celsius en de metingen via het Enraff-systeem. In deze uitspraak kan niet worden gelezen dat wordt ingestemd met de keuze van eiseres om alleen ’s avonds de temperatuur van de olievoorraad te meten en niet tijdens het aflezen van de flowmeter op het moment van uitslag. In het voorliggende geval is eiseres het voordeel van de twijfel gegund omdat niet kon worden vastgesteld welk deel van het verschil het gevolg is van verkeerde meting en welk deel van het verschil is toe te schrijven aan mogelijke verdamping.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Partijen zijn het er over eens dat alleen het vertrouwensbeginsel ter discussie staat.

4.2.

Eiseres meent dat zij op grond van hetgeen is vermeld in de controlerapporten van 22 november 2004 en 12 juni 2006, de uitspraak op bezwaar van 31 maart 2010, de door haar overgelegde brief aan de Belastingdienst/Douane van 3 november 2006 en de e-mails van 21 maart 2013 van haar vorige gemachtigde gericht aan haar huidige gemachtigde erop heeft mogen vertrouwen dat verweerder haar werkwijze ten aanzien van het meten van de uitslag van olie juist heeft bevonden.

4.3.

Allereerst merkt de rechtbank op dat de controle die heeft geleid tot het controlerapport van 22 november 2004, zoals verweerder ter zitting heeft medegedeeld, slechts ziet op de AGP-vergunning. De door eiseres gevolgde werkwijze is beschreven, niet beoordeeld. De gevolgde naheffingsaanslag ziet op de verzamel-AGD’s. Aan dit rapport kan eiseres dan ook niet het gewettigd vertrouwen hebben ontleend dat haar wijze van meten in de ogen van verweerder juist was.

4.4.

De rechtbank constateert dat naar aanleiding van het controlerapport van 12 juni 2006 er tussen eiseres en verweerder discussie is ontstaan over de wijze van meten van de olie. Deze discussie wordt bevestigd in de brieven zoals genoemd onder 2.4 en 2.5. Zo wordt in de brief van 3 november 2006 uitgelegd dat een gesprek heeft plaatsgevonden en dat het doel van dat gesprek was het zoeken naar een werkwijze die opslagverschillen in de toekomst zou kunnen voorkomen. Voorts blijkt van frustratie aan de zijde van eiseres als gevolg van de wijze van werken van de Belastingdienst waardoor zij niet weet wat zij moet doen om problemen in de toekomst te voorkomen. In de brief van 11 december 2006 van verweerder wordt genoemd dat verschillen zijn geconstateerd die als uitslag worden aangemerkt en dat naar aanleiding van het controlerapport van 12 juni 2006 overleg heeft plaatsgehad en contact is opgenomen met het voorstel om samen met eiseres te kijken hoe de geconstateerde verschillen in de toekomst voorkomen kunnen worden. Ook uit de e-mails genoemd onder 2.6 blijkt dat partijen hebben geprobeerd tot een werkwijze te komen die voor beide partijen acceptabel zou zijn. In de e-mail van 21 maart 2013 van 12.03 uur verklaart de toenmalige gemachtigde over de periode na het boekenonderzoek, dat doorgaan op de oude wijze van administratieve vastlegging ook voor de toekomst zou betekenen dat eiseres zou kunnen worden geconfronteerd met naheffingsaanslagen. Uit de daarop volgende e-mail van 14.22 uur blijkt dat eiseres met een voorstel is gekomen voor een nieuwe werkwijze maar ook dat de Belastingdienst/Douane dit heeft afgewezen. Zowel uit het rapport als uit de brieven blijkt dat tijdens de van belang zijnde periode verschil van inzicht bestond over de wijze van meten, met name het tijdstip van de temperatuur van de olie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze teksten bij eiseres niet de indruk hebben kunnen wekken dat verweerder de door haar gevolgde werkwijze goedkeurde. Bij haar kan dan ook niet het gewettigd vertrouwen zijn gewekt dat de door haar gevolgde werkwijze door verweerder juist was bevonden. De e-mails ondersteunen dit oordeel van de rechtbank.

4.5.

Dat voornoemde discussie niet tot overeenstemming heeft geleid kan bij eiseres niet het vertrouwen hebben gewekt dat voortzetting van de oude werkwijze door verweerder zou worden goedgekeurd. Eiseres had uit de houding van verweerder kunnen begrijpen dat naheffingsaanslagen zouden kunnen volgen indien zij, in overeenstemming met haar eigen voorstel, door zou gaan op de oude wijze in de wetenschap dat verweerder dit voorstel van de hand had gewezen.

4.6.

Vervolgens meent eiseres dat er een verschil bestaat tussen de naheffingsaanslag, die is opgelegd in verband met verschillen bij de uitslag van de olie, en de in het rapport van 15 december 2011 geconstateerde voorraadverschillen. Omdat er volgens eiseres (ook in het verleden) slechts opmerkingen zijn gemaakt ten aanzien van de wijze van meten van de voorraad, mocht zij er vanuit gaan dat de wijze van meten van de uitslag door verweerder akkoord was bevonden. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een kunstmatig door eiseres aangebracht verschil. Beide grootheden (uitslag en voorraad) zijn met elkaar verbonden in die zin, dat zij zijn te beschouwen als communicerende vaten. Een verschil in meting bij de ene grootheid (uitslag) leidt automatisch tot een daarmee corresponderend verschil in de andere grootheid (voorraad). Van belang is dat verweerder heeft geconstateerd dat de wijze van meten (ongeacht of het de uitslag of de voorraad betreft) van eiseres niet juist is en dat deze wijze van meten leidt tot een te laag aangegeven bedrag aan accijns.

4.7.

Dat verweerder eiseres in haar uitspraak op bezwaar van 31 maart 2010 het voordeel van de twijfel heeft gegund en de naheffingsaanslag van 8 augustus 2007, die is opgelegd naar aanleiding van de uitkomsten van de controle zoals weergegeven in het controlerapport van 12 juni 2006, heeft vernietigd maakt dit niet anders. Uit de uitspraak op bezwaar van 31 maart 2010 kan ondubbelzinnig worden afgeleid dat aan eiseres slechts het voordeel van de twijfel wordt gegund en niet dat verweerder de door eiseres in het kader van deze bezwaarprocedure aangevoerde standpunten deelde.

4.8.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Gelet hierop heeft verweerder de onderhavige naheffingsaanslag terecht opgelegd.

4.9.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet bij deze uitkomst van de procedure geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.A. Onderwater, voorzitter, mr. A.J. Roke en

mr. A. van Dongen, rechters, in tegenwoordigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.