Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:6535

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-06-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
599108
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na ongegrondverklaring door de OvJ van een door verzoeker ingesteld beroep tegen een in het kader van de Wahv opgelegde verkeersboete, heeft verzoeker een beroepschrift ingediend bij de kantonrechter strekkende tot vernietiging van de initiële beschikking. Hij heeft daarbij de OvJ bij voorbaat in gebreke gesteld op grond van art. 4:17 Awb voor het geval deze de in art. 11 Wahv genoemde beslis- en doorzendtermijn overschrijdt. De kantonrechter heeft het beroep van verzoeker tegen de beslissing door de OvJ ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft bij de sector bestuursrecht beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing tot vaststelling van dwangsommen door de OvJ. De bestuursrechter heeft zich op onbevoegd verklaard over het beroep te beslissen. Verzoeker is van deze beslissing in hoger beroep gekomen bij de Raad van State. Deze heeft het hoger beroep gegrond verklaard, maar geoordeeld dat de kantonrechter als bijzondere bestuursrechter ingevolge de Wahv wel bevoegd was van het beroep kennis te nemen en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.

Verzoeker verzoekt thans dat de kantonrechter vaststelt dat de OvJ dwangsommen heeft verbeurd voor een totaalbedrag van € 1.260,- en dat het OM wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond, omdat het doorsturen van het beroepschrift aan de kantonrechter waartoe artikel 11 Wahv de OvJ verplicht, niet kan worden beschouwd als een beslissing op aanvraag van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4:17 Awb.

Verzoeker heeft hoger beroep van deze beschikking ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaaknummer: 599108

CJIB-nummer initiële dossier: 147504415

datum uitspraak: 13 juni 2013

Beschikking betreffende het beroep van

[verzoeker]

te [woonplaats]

hierna te noemen [verzoeker]

tot vaststelling van dwangsommen als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb.

Procesverloop en vaststaande feiten

1.

Aan [verzoeker] is bij beschikking van 22 november 2010 een verkeersboete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) wegens een op 7 november 2010 verrichte gedraging.

2.

Op 23 november 2010 heeft [verzoeker] hiertegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft op 9 maart 2011 het beroep ongegrond verklaard.

3.

[verzoeker] heeft op 14 maart 2011 hiertegen een beroepschrift ingediend bij de kantonrechter te Haarlem strekkende tot vernietiging van de initiële beschikking. Dit beroepschrift heeft hij, conform artikel 9 Wahv, gestuurd aan de officier van justitie. Hierin heeft [verzoeker] vermeld: “Hierbij stel ik de officier bij voorbaat in gebreke (art 4:17 Awb) voor het geval dat hij de in art. 11 Wahv genoemde beslis- en doorzendtermijn overschrijdt – binnen welke termijn hij dient te beslissen of hij al dan niet alsnog wil schikken.” Kenmerk van het beroep is: 520259 WM VERZ 11-1304, CJIB nummer 147504415.

4.

Op 18 maart 2011 heeft [verzoeker] de vereiste zekerheid gesteld.

5.

Bij brief van 9 juni 2011 heeft [verzoeker] de officier van justitie in gebreke gesteld wegens het overschrijden van de in artikel 11 Wahv genoemde termijn.

6.

Bij brief van 26 augustus 2011 is [verzoeker] door de griffier van deze rechtbank, sector kanton, opgeroepen ter zitting te verschijnen voor de mondelinge behandeling van het beroepschrift.

7.

De kantonrechter heeft ter terechtzitting van 21 september 2011 het beroep ongegrond verklaard.

8.

Op 13 oktober 2011 heeft [verzoeker] bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Haarlem beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing tot vaststelling van dwangsommen door de officier van justitie.

9.

De bestuursrechter heeft zich op 23 december 2011 onbevoegd verklaard over het beroep te beslissen.

10.

[verzoeker] is van deze beslissing in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

13.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 6 februari 2013 uitspraak gedaan. De Afdeling heeft geoordeeld dat weliswaar de algemene bestuursrechter van de rechtbank niet bevoegd was van het beroep van [verzoeker] kennis te nemen, maar dat de kantonrechter als bijzondere bestuursrechter ingevolge de Wahv wel bevoegd was daarvan kennis te nemen. De Afdeling heeft daarom het hoger beroep gegrond verklaard en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.

14.

Op 31 mei 2013 heeft de mondelinge behandeling van het beroepschrift plaatsgevonden ten overstaan van de kantonrechter. Ter zitting waren aanwezig [verzoeker] en namens de CVOM mr. A.J. Buurma.

15.

Beschikking is bepaald op vandaag.

Verzoek

[verzoeker] verzoekt (samengevat):

  • -

    vast te stellen dat het OM bij de behandeling van de Wahv-zaak dwangsommen heeft verbeurd voor een totaalbedrag van € 1.260,- en dat het OM wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag;

  • -

    het OM te veroordelen tot betaling van de (proces)kosten van [verzoeker] die met het voeren van deze procedure gemoeid zijn.

[verzoeker] voert hiertoe (samengevat) het volgende aan. De officier van justitie heeft nagelaten ingevolge artikel 11 leden 1 en 2 Wahv te beslissen op het beroepschrift. Aan die beslissing, die op aanvraag wordt genomen, zijn rechtsgevolgen verbonden. Indien de officier van justitie beslist niet te schikken dient deze het beroepschrift binnen de beslistermijn van zes weken door te sturen naar de kantonrechter. Bij een positieve beschikking (wel schikken) kan hij de beslistermijn zonodig met vier weken verlengen.

[verzoeker] heeft de officier van justitie op 9 juni 2011 in gebreke gesteld. Van de officier van justitie heeft [verzoeker] evenwel niets vernomen. Pas op 26 augustus 2011 heeft [verzoeker] een oproepingsbrief ontvangen van de griffier van de rechtbank om ter zitting te verschijnen. De beschikking die de officier van justitie kennelijk heeft genomen, moet dan ook geacht worden eerst aan [verzoeker] te zijn meegedeeld op 26 augustus 2013.

Het gevolg is dat de officier van justitie de in artikel 4:17 Awb bepaalde dwangsommen aan [verzoeker] heeft verbeurd over de periode 24 juni tot en met 4 augustus 2001 van in totaal € 1.260,-.

De kosten die [verzoeker] heeft moeten maken terzake van dit beroepschrift bestaan uit tweemaal € 4,20 aan reiskosten. Deze reiskosten zien op het bijwonen van de zitting van de bestuursrechter op 2 december 2011 en het bijwonen van de zitting van de kantonrechter op 31 mei 2013. [verzoeker] verzoekt om vergoeding van deze kosten.

Verweer

De officier van justitie heeft verweer gevoerd en aangevoerd dat geen sprake is van een beschikking zoals bedoeld in artikel 4:17 Awb, maar van een feitelijke handeling. Voorts heeft de officier van justitie er op gewezen dat op overschrijding van de in artikel 11 Wahv genoemde termijnen geen sanctie is gesteld.

Overwegingen

[verzoeker] beroept zich ter zake het verbeurd zijn van dwangsommen weliswaar op de artikelen 4:17 en 4:18 Awb, maar het gestelde, achterliggende besluit dat [verzoeker] aan zijn beroep ten grondslag legt, vloeit naar de stellingen van [verzoeker] voort uit artikel 11 Wahv.
In deze moet worden beoordeeld of het al dan niet doorsturen van het beroepschrift door de officier van justitie en, volgens [verzoeker], het al dan niet schikken, een beschikking op aanvraag is in de zin van artikel 4:17 e.v. Awb. Daarvoor is (mede) van belang het systeem van de Wahv.

De persoon aan wie een administratieve (verkeers)boete in de zin van de Wahv wordt opgelegd, kan daartegen beroep instellen bij de officier van justitie, zoals [verzoeker] ook heeft gedaan. Nadat de officier van justitie op het beroep heeft beslist, kan de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie beroep instellen bij de rechtbank, zie artikel 9 lid 1 Wahv. Degene die dat beroep instelt moet zijn beroepschrift indienen bij (dat wil zeggen sturen naar) de officier van justitie. Laatstgenoemde is op zijn beurt gehouden het beroepschrift door te sturen naar de rechtbank. Hij dient dat te doen binnen zes weken, maar mag die termijn verlengen met vier weken indien hij geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen. In de Wahv is geen sanctie op het overschrijden van de in artikel 11 Wahv genoemde termijnen opgenomen.

Ingevolge artikel 4:17 Awb wordt een dwangsom alleen verbeurd indien sprake is van een (niet tijdig gegeven) beschikking (conform artikel 1:3 Awb) op aanvraag. Aan geen van beide vereisten is in het onderhavige geval voldaan. Daartoe is het volgende redengevend.

De termijn van zes weken zoals genoemd in artikel 11 Wahv ziet op de verplichting om het beroepschrift door te sturen. De officier van justitie kan weliswaar besluiten alsnog geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoek tegemoet te komen, maar dat laat zijn verplichting om het beroep door te sturen onverlet. Alleen in het geval de indiener van het beroepschrift, en dus niet de officier van justitie, het beroep intrekt, vervalt de doorzendplicht.

Van een beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb is sprake indien het gaat om een beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een zodanige rechtshandeling is sprake ingeval er een beslissing van een bestuursorgaan voorligt gericht op een extern rechtsgevolg, dat wil zeggen indien de beslissing erop gericht is een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of te niet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. Het doorsturen van het beroepschrift aan de kantonrechter waartoe artikel 11 Wahv de officier van justitie verplicht is een feitelijke handeling en kan niet als een dergelijke beslissing worden beschouwd. De omstandigheid dat de indiening van het beroepschrift aan de officier van justitie de mogelijkheid biedt om zijn beslissing op het beroep tegen de initiële beschikking over de gedraging te heroverwegen en al dan niet tegemoet te komen voor hij het beroepschrift doorzendt aan de kantonrechter, brengt nog niet mee dat dat doorzenden aan de kantonrechter kwalificeert als een beslissing gericht op een rechtsgevolg. Door het doorzenden ontstaat immers niet een bevoegdheid, recht of verplichting voor de verzoeker. Dat de termijn om het beroepschrift door te sturen in het geval van tegemoetkoming aan de indiener kan worden verlengd met vier weken, is evenmin een rechtsgevolg in bovenvermelde zin, alleen al omdat die verlengingsbevoegdheid verleend wordt aan de officier van justitie zelf.

Voorts kan een dwangsom op grond van artikel 4:17 Awb alleen worden verbeurd als het gaat om een beschikking op aanvraag en ziet die bepaling op bestuursorganen. In het onderhavige geval wordt echter met het beroepschrift niet de officier van justitie, maar de kantonrechter verzocht om de initiële beschikking te vernietigen.
De officier van justitie fungeert in feite alleen als postbus. Hij kan de indiener van het verzoek alsnog tegemoet komen, maar hij heeft daartoe niet de verplichting en kan dus ook zonder nadere beoordeling het beroepschrift doorsturen. Het is uiteindelijk de kantonrechter die moet beslissen op het beroepschrift. Derhalve is van een beslissing op aanvraag van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4:17 Awb geen sprake.

De conclusie op grond van het voorgaande is dan ook dat het beroep ongegrond is. Gelet daarop is er ook geen grond om de door [verzoeker] in verband met deze procedure gemaakte kosten te vergoeden.

Beslissing

De kantonrechter:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Dijk, kantonrechter, in tegenwoordigheid van
mr. K. Wolt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2013.

Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden, door binnen zes weken na verzending van deze beslissing een gemotiveerd en ondertekend beroepschrift in te dienen bij de sector kanton van de rechtbank Haarlem, locatie Haarlem, postadres: postbus 1621, 2003 BR Haarlem.

De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij bij het beroepschrift om een behandeling ter zitting is gevraagd.

Een afschrift van deze beslissing is verzonden aan de CVOM.