Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:6153

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
15/800331-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen te Schiphol; invoer cocaïne te Schiphol; voorwaardelijk opzet; bewezenverklaring; strafoplegging; gevangenisstraf; geen reden om af te wijken van de eis van de officier van justitie en de LOVS richtlijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800331-13

Uitspraakdatum: 27 juni 2013

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 juni 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] te district Suriname (Suriname),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag te Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.J. Veldhuis en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.N.W. van Dam-Ouwens, advocaat te Aerdenhout, naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 maart 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1679,80 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte is op 14 maart 2013 op een vlucht vanuit Suriname aangekomen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Verdachte is in het bezit van een meerkleurige plastic tas met hierin meerdere plastic tassen. In de tas bevinden zich onder meer drie transparante pakketten met de opdruk ‘Panoma gezouten vis’ en een zak met opdruk ‘Soengco Preserved Fruit’. Na het openen van de verpakking van de zak gedroogd fruit wordt in een willekeurig gekozen vrucht een zwart bolletje aangetroffen. In een van de pakketten vis wordt tussen plakken vis een transparant pakket met hierin een witte stof aangetroffen.2

Nader onderzoek wijst uit dat zich in de pakketten vis drie transparante pakketten met witte stof bevinden. Het netto gewicht van de drie pakketten is 1015,8 gram. In de vruchten in de zak met gedroogd fruit bevinden zich 140 bolletjes met een netto gewicht van 664,0 gram. Het totaal netto gewicht van de aangetroffen stof bedraagt 1679,8 gram.3 Uit nader onderzoek van het Douane Laboratorium is gebleken dat de aangetroffen stof cocaïne bevat.4

3.3. Bewijsoverweging

De rechtbank is, in tegenstelling tot de verdediging, van oordeel dat verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de invoer van cocaïne. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in Suriname na achttien jaar een vriend die hij kent onder de naam ‘[betrokkene]’ is tegengekomen. Ongeveer een uur voor vertrek naar Nederland vroeg ‘[betrokkene]’ verdachte om een plastic tas met gezouten vis mee te nemen naar Nederland. Verdachte voelde dat de plastic tas redelijk zwaar was en rook een vislucht. Verdachte heeft niet in de plastic tas gekeken maar de tas direct in zijn handbagage gestopt, omdat hij haast had om de vlucht naar Nederland te kunnen halen. De zak met gedroogd fruit die eveneens in de tas zat, heeft verdachte dan ook niet gezien. Bij aankomst in Nederland zou verdachte naar Rotterdam reizen, waar hij door een onbekende persoon gebeld zou worden die de pakketten bij hem zou komen ophalen om deze vervolgens naar de moeder van ‘[betrokkene]’ te brengen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door deze plastic tas van een persoon, die hij slechts uiterst oppervlakkig kende en zonder de inhoud van de plastic tas te controleren, een uur voor vertrek aan te pakken en mee te nemen naar Nederland zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij cocaïne Nederland zou binnen brengen, hetgeen ook het geval bleek te zijn. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat Suriname een bronland van cocaïne is en dat deze cocaïne veelal per vliegtuig vanuit Suriname naar Nederland wordt gesmokkeld.

Verdachte heeft aldus naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval voorwaardelijk opzet gehad op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een stof bevattende cocaïne.

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 14 maart 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 1679,8 gram van een materiaal bevattende

cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1679,8 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als straf in aanmerking.

De rechtbank merkt op dat de door de officier van justitie gevorderde duur van de straf in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJFTIEN (15) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. Bellaart, voorzitter,

mr. M.J. Kronenberg en mr. H.P. van der Lelie, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 27 juni 2013.

Mr. M.J. Kronenberg is buiten staat dit vonnis mede te onderkenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 14 maart 2013 (dossierparagraaf 1.1).

3 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 14 maart 2013 (dossierparagraaf 1.1.4).

4 Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 22 maart 2013 (kenmerk A065.3.018172 en laboratoriumnummer 2680 X 13, los opgenomen).